Bekijk het origineel

Ye Samenkomsten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ye Samenkomsten

42 minuten leestijd

der vereeniging voor hooger onderwijs op Gereformeerden grondslag.

De Vrije Universiteit vierde de vorige week binnen de stad waarin zij woning heeft haar dubbele kroonjaar, 't Was geen feest met uiterlijke praal en pracht, als waarmee thans een andere Universiteit in het land haar kroonjaar verheerlijkt; in stille statelijkheid, met den ernst die bij het feest voor een stichting als onze hoogeschool past, is het tienjarig bestaan van de Vrije Universiteit gevierd.

Hoe vermenigvuldigen zich de gedachten bij een terugblik op die tien jaar! De eenige Hoogeschool op Gods Woord gegrond, heeft zich zooveel tijd kunnen handhaven^ de bij de planting zoo tengere stam, zonder takken en bladeren, heeft vastheid gekregen, de wortels breed om zich heen in den grond geslagen. Wie had dat durven denken? Hoe vaak werd haar bestaan bedreigd door den feilen tegenstand, die zich alom openbaarde; een tegenstand, niet alleen en voornamelijk komende van de mannin des ongeloofs, van wie men wist dat hun strijd fel zou zijn; maar juist en 't meest — en dat griefde te bitterder — van hen, die in zoo menig opzicht eens geestes met ons waren.

Doch had men het ook. anders gehoopt, wi« scherp zag kon dien tegenstand voorzien, schoon hij minder heftig werd gedacht. De Vrije Universiteit toch is de draagster van een onwrikbaar beginsel, hetwelk altijd zijn consequentiën met zich voert; dat beginsel, nimmer verzaakt maar steeds hooggehouden, werkte als een wigge, om te splijten wat in den grond niet een was. En zoo zag men dan ja, met droefheid, maar toch ook met zekere berusting, de belijders van het Kruis door deze Stichting gedeeld; wat niet bijeen hoorde in den grooten strijd tegen Ongeloof en Revolutie ook op het gebied der wetenschappen, viel uit elkaar. Wel werd zoo het getal der beginselvasten klein, maar alle halfheid was nu ook weg; steunende op God en op het goddelijk recht van de zaak die werd voorgestaan, stond men thans als een dichtaaneengesloten schare, vastberaden, eens geestes, en ook eens willens om de getrokken lijnen te blijven volgen. Wat kracht er is uitgegaan van hen, die bespot zijn als de aemechtige Joden van weleer, toont de Vrije Universiteit, die in haar tienjarig bestaan gegroeid is als een palm onder de verdrukking. Maar daarover kan bij niemand in het hart eenige zelfverheffing plaats vinden. Het roemen zij in den Heere. Hem de dank voor den zegen, dien Hij op zijn gave heeft uitgestort, tot Hem ook alle smeeking om verderen wasdom voor de planting.

Deze gevoelens vonden, gelijk vorige jaren, ook ditmaal weer uiting in den Bedestond, die aan den vooravond van de jaarvergadering werd gehouden. De Boomslootkerk was Woensdagavond gevuld met een belangstellende schare, om nieuwe kracht en vertroosting te putten uit het woord, dat Ds, P. J. W. Klaarhamer, van Middelburg, zou spreken. De troostrijke verzekering, dien de verrezen Heiland bij zijn scheiden van deze a-arde aan zijn jongeren gaf, was grondslag der rede: »Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde". Aan dat woord ontkenen we ons recht; op dat woord gronden we onze sterkte en hoop; in dat woord zoeken we de oorzaak van onzen zegen.

Nadat gezongen was het veertiende vers van den 68sten Psalm begon de leeraar met de herinnering, dat het hier een bidstond is, maar ook dankstond tevens Immers we hebben te danken voor de weldaden, die ons uil de fontein aller goeden zijn voortgekomen, gelijk we smeekingen hebben op te zenden voor het hernieuwen van den milden zegen Gods. Met goedertierenheden heeft de Heere ons in het vervlogen tiental jaren gekroond, tot beschaming der tegenstanders, tot bemoediging van die de stichting liefhebben.

Wat donkere wolken gingen ons niet over het hoofd; wat pijnlijke teleurstellingen hebben we niet ondervonden in het scheiden van zoovelen, die eerst met ons een weg gingen en thans steenen op dien weg leggen en ons op 'tgrievendst krenken. Maar ook zijn wij met droefheid vervuld over eigen tekortkomingen, over den weinigen ijver die zich bij ons voor de zaak des Heeren openbaarde. Toch zijn we thans verblijd in den Heere, die al onze ongerechtigheid vergeven, ons gekroond heeft met goedertierenheid en barmhartigheden. Neen, we zijn niet verdwenen als kaf bij den eersten krachtigen windstoot, die zich voelen liet. Dat dachten en hoopten wel onze tegenstanders, maar God heeft hen beschaamd. Dat we niet omgekomen zijn, maar groeien en wassen, dat is om zijns Naams wil door zijn machtigen arm geschied. Zoo staan we dan nog tot op dezen dag, hulpe van God verkregen hebbende. Zijn naam zij de eere daarvoor!

Tot zijn eigenlijk onderwerp nu komende, wees de leeraar er op, hoe we aan het tekstwoord het recht ontleenden tot de daad die we verricht hebben; het recht ook, om met onze smeekingen tot God te gaan. Dat recht is niet willekeurig, ook niet betrekkelijk; neen, dat recht is volstrekt, al willen ook de mannen des ongeloofs, ja zelfs de belijders van den Christus het ons ontzeggen. Het pleit voor ons goed recht van Universiteitsstichting is voor de wereld schitterend verdedigd. En nu zegt men wel, dat onze Hoogeschool slechts voor een partij werkt; en ware dit zoo, dan was ons recht betrekkelijk; maar zoo is het niet. We zijn geen ontevredenen die ons zelven zoeken; deden we dat, dan hadden we andere middelen moeten aangrijpen, andere wegen moeten inslaan. Neen, het gaat om het recht van Koning Jezus, den Heere der Heeren; aan Zijn recht hangt onze stichting.

Hoe noodzakelijk eene hoogeschool op Gods Woord gegrond is, toonde de leeraar vervolgens aan. Er is tweeërlei wetenschap: die des geloofs en die van het ongeloof, die beide niet vereenigd kunnen worden, niet beiden op een school gedoceerd. Hoe krachtig die wetenschap van het ongeloof in Kerk en Staat veld heeft gewonnen, kan een enkele blik ons reeds toonen. Verworpen en vertreden is des Heeren Woord; ongeloof en revolutie hebben gezegepraald. Neerlands volk heeft officieel de Godverloochening geëerd. Zoo werd de natie, zoo werden ook de minnaars van Gods waarheden gekastijd voor hun zonden, daar ook zij van vrede hadden geroepen toen het gevaar groot was. Maar verlaten heeft God het land toch niet. Bij aanvang heeft hij zijn naam weer op onze erve geheiligd. Wij behooren niet aan de goden der eeuw; uit hun macht moet het volk worden bevrijd. Zoo gaf God dan een school naar Zijn Woord, waar de wetenschap staat in Zijn dienst, en Hij wordt gevreesd. De oprichting ervan was het door hem bevolen middel om de schriklijke ontreddering der natie tegen te gaan; het bestaan der Universiteit rust in zijn bestel en recht. Alleen - in de erkenning van Christus' Koningschap ligt de huldiging van het recht in den waren zin des woords, en als de tastbare en zichtbare belijdenis van die heerlijke waarheid staat daar onze hoogeschool. Haar doel is, de verheerlijking van Gods souvereiniteit en zijn absoluut gezag; tot de erkenning daarvan zoekt ze natie en kerk te brengen.

Nadat vervolgens was uiteengezet waarom wij ons moesten opmaken, te weten uit kracht van den eisch der gehoorzaamheid, die niet gedoogde dat vf e de handen slap lieten hangen, beantwoordde de spreker de vraag, of we kunnen voortgaan gelijk we begonnen zijn; of onze krachten toereikend zijn? 't Is een reuzenwerk dat we ondernemen. We bedoelen toch niets anders dan een algeheele omkeering van de natie in haar staalkundig, maatschappelijk en kerkelijk bestaan, opdat door alle tong des Heeren woord als Jevenswet erkend worde. Dat ideaal staat zeer hoog, maar het is God die het ons voorstelt. Anders zou ons de moed ontzinken om ook maar één schrede te zetten op den weg ter bereiking ervan. We zien toch hoe allen zich tegen ons keeren; en het is niet alleen de uiterlijke tegenstand die ons zoozeer kan benauwen, maar minstens evenzeer de innerlijke strijd tegen den wil des Heeren, die zoo vaak tegen ónzen v.'il en onze bedoelingen ingaat. Maar waaruit putten wij, klein hoopke, als aemachtige Joden bespot, dan toch kracht? Och, uit niets dat van ons zelve is, maar we zien op de wolke van getuigen achter ons, op een Gideon, een Simson en een David; en dan, door die voorbeelden gesterkt, hebben we een welbehagen in onze zwakheid en peilen we de diepte van het woord: »Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht". Dan zien we ons wel bedreigd van alle zijden; maar het gaat ons als den profeet in Dothan, toen hij tot zijn knecht sprak: Die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn. Wij deelen in de zalving van Christus, zoowel wat betreft ons kennen en ons kunnen, en werken door de kracht van Hem, die ook tot profeet en leeraar zijns volks is gezalfd. En vraagt men dan ten slotte, of het werk gelukken zal; of er kracht genoeg zal zijn om tot een voleinding te komen, dan zij herinnerd aan de gelijkenis van den Zaaier. Neen, ons werk zal niet ijdel zijn; wij bezitten de belofte onzes Gods, die den inhoud en de grenzen onzer hope bevat. God zal het overblijfsel zijner verkiezing nooit doen sterven, maar het behouden door den arbeid zijner kerk. Van eeuwigheid heeft hij een voornemen gemaakt, waarin een priesterlijk volk besloten ligt, en het bestek km niet falen, maar zal van deel tot deel in vervulling komen tot verwerkelijking van des Heeren raad.

Zijn wij zoo meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad. God, van Wien alle zegen afdaalt.-zal zijn goedgunstigheden ook groot maken over onze school, die uit de belofte, den zegen des Verbonds, is voortgekomen. Maar dan moeten de harten tot God ook opgeheven. En daarin ging de leeraar voor, nadat Ps. 27:5 was gezongen, en droeg in een vurig gebed alle nooden en behoeften, en ook eigen schuld en zonde, tot den troon der genade. Met het zingen van het bekende laatste vers uit den twee en zeventigsten psalm werd de dank-en bedestond besloten.

Na afloop vereenigden zich in e: n der zalen van Plancius, op uitnoodiging van heeren directeuren der Vereeniging, tal van agenten en leden, waar ze een uur van gezellig en broederlijk samenzijn doorbrachten.

De tiende Jaarverg'adering'

werd gehouden op den dag van Donderdag 19 Juni.

Reeds des morgens vóór 9 ure was een groote schare mannen en vrouwen uit alle oorden des lands — leden en begunstigers der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag — in de groote zaal van Maison Stroucken bijeen, welke schare allengs breeder werd, zoodat de zaal weldra geheel was gevuld. De leiding dezer samenkomst was door heeren Directeuren aan Prof. Dr. J. Woltj er opgedragen.

Krachtig klonk het Psalmlied omhoog:

»'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên."

Daarop las de voorzitter Jerem. 31 voor; om vervolgens de werkzaamheden van dezen gewichtigen dag den Heere op te dragen.

De aanwezigen toesprekend, herinnerde Prof. Woltjer aan het woord van Bildad tot Job: »Wij zijn van gisteren en weten niet, dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn". En toch, wij verlangen te weten. God heeft in onze harten de eeuwigheid gelegd.

Vandaar de benajswdheid, die ons dikwerf bevangt, als wij, het heden niet verstaande, ten troost voor onze zielsn aan dat verstaan behoefte gevoelen, die zich uitspreekt zoowel in het persoonlijk leven, als in dat van het Huisgezin, der Vereeniging, der Kerk, van den Staat. Maar, niettegenstaande die benauwdheid, staat vast en zeker hij, die, naar het woord van Jesaja, betrouwt op den Naam des Heeren en steunt op zijnen God.

Maar door Gods eindelooze ontferming straalt ook uit het verleden een ' licht, dat kracht schenkt en troost; de geschiedenis van Israël, de geschiedenis van Gods kerk ook onder 't Nieuwe Verbond, ze zijn ons daartoe gegeven en de profetie uit Jeremia roept het ons toe: »Zoo zegt de Heere: Staat op de wegen en ziet toe en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij en wandelt daarin, zoo zult gij rust vinden voor uwe zielen"

Dat licht, uit het verleden vaagt menigmaal de nevelen, waarin het heden gehuld is, weg voor ons oog, en getroost en bemoedigd juichen we:

k Zal gedenken hoe voor dezen Ons de Heer heeft gunst bewezen".

Maar zelfs ook met dit licht wijkt nog wel eens de duisternis niet geheel; kan het der ziele zijn, alsof God zijn, genade vergeten had, en wordt de klaagtoon vernomen: »De Heere is mij verschenen van verred En ziet, in plaats dat op dezen wankelmoedigen toon een bestraffing volgt, komt dan de Heere zijn moedeloos volk als een moeder troosten: »Ja, ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb ik u getrokken uit goedertierenheid." Die vertroosting richt den blik ook naar de toekomst henen, waarin Gods volk komt en op de hoogten van Zion juichen zal en met goederen zal verzadigd worden; dan wordt de vermoeide ziel getroost en de treurige ziel met goederen vervuld; dan worden hunne ongerechtigheden vergeven; aan hun zouden wc-dt niet meer gedacht.

Dat is Israels troost in de dagen zijner ballingschap geweest. God blijft dezelfde tot in alle eeuwigheid; zijn raad wordt uitgevoerd van het begin der schepping tot aan den nieuwen hemel en de nieuwe aarde-

Steeds hebben wij te overwegen, of wij ons op den rechten weg bevinden tusschen die beide eindpunten, een overweging die ook heden ons bezig houden zal.

Laat ons zien of, met een blik op de tien levensjaren onzer vereeniging, kan worden aangewezen, dat zij zich bevindt en voortbeweegt op dezen vftg, die van het aardsche paradijs naar het hemelsche loopt.

Die vraag, van het hoogste gewicht, kanht.' antwoord worden, de geschiedenis onzer vereeniging is daartoe rijk genoeg.

Tot uitgangspunt van zijn beantwoording koos spreker zich nu de rectorale oratie van den eersten Rector: Souvereiniteit m eigen kring, om in de eerste plaats te vragen!

Is de nationale beteekenis der Vrije Universiteit in de tien jaren van haar bestaan gebleken te beantwoorden aan de verwachting, bij haar opening uitgesproken; heeft zij voor onze natie reeds beginnen te toonen, wat zij is, en wat zij kan worden ?

Met ootmoedigen dank aan God, kan die vraag bevestigend worden beantwoord.

Herinnerend aan het »eeresaluut", waarmede vóór tien jaren, het Handelsblad de oprichting der Vrije Universiteit begroette ; aan hét woord van waardeering waarmede de x^d^ciiXt Amsterdam mer deze stichting besprak; aan den fieren moed der stichters, door de Hervorming gehuldigd ; aan de toekomst, door de Sprokkelaar aan deze Universiteit voorspeld; wees spr. er op, dat reeds bij het eerste optreden dezer vereeniging, de beteekenis daarvan door allen in den lande in meerdere of mindere mate werd gevoeld; de strijd zou worden gestreden tusschen de Souvereiniteit in eigen kring onder de Oppersouvereiniteit des Heeren en de Volksen Staatssouvereiniteit der revolutionaire theorie.

En nu, na tien jaar, is de tegenstelling tusschen deze twee beginselen scherper dan ooit afgeteekend.

Het socialisme trad op, het radicalisme wint aan invloed, het conservatisme verdween bijna geheel, maar daartegenover wint ook het beginsel, waarop de Vrije Universiteit steunt, aan invloed, de practisctie bruikbaarheid daarvan is zegevierend aangetoond.

Of ging niet de Tweede Kamer om; trad niet een ministerie op, waarin Mr. Keuchenius, een curator der Vrije Universiteit, zitting had; werd in de gewijzigde onderwijswet ons beginsel niet gehuldigd, en zit, na den val van Mr. Keuchenius, niet een onzer hoogleeraren, Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman in het Kabinet? En al wordt zijn arbeid aan de Vrije Universiteit niet dan noode gemist, toch staan wij hem gaarne af als drager van ons begin sel op de hoogste plaats der eere, waar God hem de gelegenheid geve de Souvereiniteit in eigen kring in ons nationale leven tot haar recht te doen komen.

Het Christelijk onderwijs werd uitgebreid, de Schoolraad kwam tot stand, een tweede Gereformeerd gymnasium werd opgericht; alle verschijnselen, waaruit blijkt, dat onze strijd met zegen is gekroond. Wij wenschen dien strijd voort te zetten; ieder met eigen wapenen, maar wij wenschen den tegenstander niet het geld te geven, waarvoor hij zich wapenen koopt, om die tegen ons te keeren. En dat gebeurt op onderwijsgebied. Daaraan moet een einde komen.

Dat beginnen ook onze tegenstanders in te zien, en vandaar een verschijnsel, niet minder merkwaardig dan wat boven werd aangehaald, namelijk de oprichting dtx Amsterdamsche Universiteitsvereeniging, bijna een zustery& ittmgvog van de onze, die ten doel heeft de uitgaven der gemeente voor de stedelijke universiteit te beperken en wat noodig is uit particuliere bijdragen te vinden. Haar oprichting begroeten we met blijdschap, als neemt ze, hooghartig, van ons geen notitie.

Wij zullen tegenover haar 250 leden en begunstigers niet stellen onze dertigmaal zoo velen.

Ook zullen we er niets op afdingen, dat haar ideaal ons uitgangspunt is, wij verheugen ons slechts in het feit, dat ook uit deze vereeniging de doorwerking van ons beginsel blijkt, ev.enals uit de oprichting van een dergelijke vereeniging te Leiden; zij mogen groeien en bloeien, want arbeiden zij in de goede richting, dan komen we gemakkelijk tot de oplossing der quaestie van het Hooger Onderwijs.

Dit alles ziende, mogen we het uitspreken, dat de nationale beteekenis van de' Vrije Universiteit gebleken is; wij zijn op den goeden weg, wij zijn vooruitgegaan.

In de tweede plaats zij gevraagd: Is de beteekenis der Vrije Universiteit op het gebied der wetenschap in de 10 jaar van haar bestaan gebleken ?

Die vraag is moeilijker te beantwoorden. De door de hoogleeraren uitgegeven geschriften — hoewel niet zooveel als zij wenschten, toch, in verhouding, niet minder dan die van de hoogleeraren van andere Universiteiten — leveren voor de beantwoording van deze vraag geen goeden maatstaf. De resultaten van het onderwijs aan de studenten verstrekt geven eveneens een onvoldoenden maatstaf ter beoordeeling ; want die resultaten zijn te veel verspreid en bovendien, aan de Universiteit is gezaaid, maar al het gezaaide ontkiemde nog niet of kwam nog niet tot vollen wasdom.

Neen, de juiste, meest zeggende maatstaf zou deze zijn, wanneer was waar te nemen, dat er een verandering kwam in de wetenschappelijke wereld, een verandering in haar beginselen en wijze van beschouwing terwijl de feiten dezelfde blijven. Die beginselen nu staan heel de geschiedenis der wetenschap door van tweeërlei aard en karakter tegenover elkander. De vraag is namelijk, of ge al of niet, ook op het gebied der wetenschap, uw uitgangspunt neemt bij den Schepper of bij het schepsel, bij de openbaring van den levenden, persoonlijken God, of bij de menschelijke rede. Waar nu in ons vaderland helaas! het laatste uitgangspunt bij schier al de mannen der wetenschap is aangenomen, mag niet vergeten, dat een geheele ommekeer, als noodig is, slechts zeer langzaam tot stand komt, te langzaam, dan dat het te verwachten zou zijn, dat deze stichting, in de tien jaar van haar bestaan, reeds een beslissenden keer zou hebben te weeg gebracht.

Doch ook in dit opzicht hebben we goeden moed, invloed is te merken; een zeker conservatisme op wetenschappelijk ge'bied is waar te nemen, en er wordt, naar wat wij op het terrein der wetenschap willen, gevraagd; de overtuiging rijst hier en daar, dat ons beginsel groote drijfkracht bezit, dat het niet aan de oppervlakte maar in de diepte ligt; en dit alles bewijst dat er werking is, waarvan eenmaal de gevolgen zullen worden aanschouwd. Wij zaaien in hope. God geeft den v/asdom. Hij geve ons kracht, om goed doende niet te vertragen.

Is, zoo vroeg spreker, in de derde plaats, van het Gereformeerd karakter onzer Hoogeschool in deze tien jaren werking uitgegaan ?

Reeds bij de opening der Universiteit werd die werking o. a. door de Amsterdammer verwacht, die den spotters de les las, welke beweerden, dat, op enkele uitzonderingen na, de studievakken aan de Universiteit met het geloofsbeginsel niets te maken hebben; een beweren, dat trouwens volkomen onjuist is. En waar het hier een geloofsbeginsel geldt, zoo diep en scherp geteekend als het Gereformeerde, kan de invloed er van op het gebied van geene wetenschap buiten werking blijven; vandaar ook, dat niet gerust mag worden, eer we een geneeskundige en een wis-en natuurkundige faculteit hebben.

Daaruit vloeien vanzelf gevolgen voort voor het Kerkelijk, Burgerlijk en Maatschappelijk leven. Dit zag vóór tien jaar, de Hervorming in, toen zij schreef, dat de Vrije Universiteit, zou zij beteekenis hebben, leiden moest tot de stichting eener Vrije Gereformeerde kerk, die, de Staatshulp prijs gevende, souvereiniteit in eigen kring op eigen wieken zou gaan drijven. Dat was juist gezien, en trouwens onzerzijds duidelijk genoeg uitgesproken. De wijze, waarop de vrijmaking der kerk is belemmerd, laat spreker voor rel^erang der tegenstanders, dankbaar erkennend het goede, dat God ook ten dezen wrocht.

Ook in dit opzicht is vooruitgang te be­ speuren, en betreurende dat zoovelen, misleid, zich van ons afwenden, blijft de hoop leven, dat zij eenmaal tot ons zullen terugkeeren.

Laat ons, ons beginsel zuiver houdend, onze school trachten te houden buiten wat de zonen van eenzelfde huis nu nog scheidt en trachten voor allen ten zegen te zijn of te worden!

Niet vergeten voorts mag worden de oprichting van Veldwijk, van de Idiotenschool en het gesticht voor Ongeneeslijke Zieken, die getuigen van de behoefte aan een medische en natuurkundige faculteit aan de Vrije Universiteit. Hoe luider en dringender deze behoeften spreken, hoe meer daaruit de doorwerking van ons beginsel blijkt, en hoe meer wij zullen leeren verstaan, dat onder alle omstandigheden, in Huisgezin, Kerk, Staat en Maatschappij wij zonder God niets vermogen, en dat Hij in de vervulling van al onze nooden tot zijne eere komen moet.

Heeft deze terugblik aangetoond, dat wij ons voortbewogen in de richting vóór tien jaar aangegeven, wij mogen daaruit kracht en troost putten voor de toekomst, want die zijn ons noodig.

Ons past het woord van den psalmdichter:

Zoo ik niet had geloofd dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven, Ik was vergaan in al mijn smart en rouw "

Hoe dikwerf vervulde rouw ons hart! Van de 38 oprichters der Vrije Universiteit betraden reeds 15 de donkere doodsvallei. God zegene hun werk! Wij vergeten hen niet, hunne namen blijven bij die der oprichters vermeld.

Maar ook met smart is ons hart vervuld over hem, die, hoewel een medeoprichter, thans als vgand optreedt, niet omdat wij veranderd zijn, maar omdat hij een anderen weg verkoos dan wij. Ook zijn naam zal daar blijven staan om hem toe te roepen : »Zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt, keer weder, keer weder, tot deze uwe plaats!"

Onder hen, die door den dood ons zijn ontrukt, gedacht spr. ook Dr, Mr. W. van den Bergh, den trouwen broeder, die de Universiteit en hare belangen bracht voor den troon der genade.

Hoe, had men niet van zijne groote gaven, ijver, kennis, heiligen ernst, reeds lang de schoonste vruchten voor onze school verwacht? Eindelijk scheen de tijd ddir, dat onze wenschen in vervulling zouden gaan, wat ook door hem werd begeerd.

Te midden van die blijde verwachtingen kwam de mare van zijn ziekte, straks die van zijn dood. Daar ginds, op Zwitserlands Alpengrond, heeft zijne ziel deze aarde verlaten, is zijn lichaam neergedaald in het graf. De strijd is volstreden; zijn vrijgekochte ziel juicht voor den troon van Hem, die hem liefgehad heeft met een eeuwige liefde en daarom getrokken heeft uit goedertierenheid.

Zonder den steun van dezen trouwen broeder moet nu de strijd voortgezet, o. God, ondoorgrondelijk zijn uw oordeelen, onnaspeurlijk uwe wegen! Geef ons, dat we steeds het hoofd vertrouwend opwaarts mogen heffen, in 't vaste geloof, dat Gij ons nimmermeer zult begeven noch verlaten.

Hoeveel vragen zouden ten slotte kunnen gedaan worden! Vanwaar de mannen, van waar de middelen om den strijd voort te zetten; hoe wordt onzen jongelieden een weg gebaand? Maar zóó mogen deze vragen niet worden gesteld. Zoo we letten op den weg die achter ons ligt en op Gods beloften, die voor ons liggen, dan betaamt het ons met ootmoedig vertrouwen voorwaarts te gaan.

Niet onze kracht, niet onze wijsheid zal bestaan, maar de raad des Heeren. Die raad is van eeuwigheid en is liefde voor zijn volk: »Ja ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde!'' En voor wie door genade die liefde mag kennen, geldt dan ook het woord van den Apostel: »In deze allen zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons liefgehad heeft."

Met de diepste aandacht was door de vergadering aangehoord. deze rede

Nadat de vergadering vervolgens Psalm 36 : 3 had gezongen, had de voorlezing der presentielijst en het onderzoek van de geloofsbrieven der afgevaardigden en corporatiën plaats.

Onder de ingekomen brieven was ook een schrijven, waarin Jhr. Mr. P. J. Elout van Socterwoude te 's-Gravenhage zijn broederlijke sympathie uitsprak en zijn niet-verschijnen ter vergadering met zijn hoogen leeftijd verontschuldigde.

Nadat de notulen der vorige jaarvergadering waren voorgelezen en goedgekeurd, werd het jaarverslag over 1889 in bespreking gebracht.

De heer G. Milo uit Haarlem meende een verschil te kunnen aanwijzen tusschen wat door Dr. Kuyper volgens het jaarverslag op de meeting te Dordrecht was gezegd over het verband van het Hooger onderwijs met de drie Formulieren van Eenigheid en wat deze Hoogleeraar over dat verband geschreven \iz.& va. de Heraut.

Prof. Fdbius had bezwaren van anderen aard. In de rste plaats meende Z.Hooggel. te moeten doen opmerken, dat de titel van het verslag niet juist was: het was niet het ^/««< 5? « jaarverslag, want de Vereeniging was ouder dan tien jaar, het eerste verslag was buiten rekening gelaten.

Een tweede opmerking gold de volgorde, waarin de faculteiten in het verslag hier en daar worden gerangschikt. Immer gaat de theologische voorop. Waarom? De faculteit der rechten heeft toch ook haar beteekenis. Zij ook heeft candidaten, en zelfs zijn twee harer discipelen gepromoveerd, wat aan de theologische faculteit nog niet geschiedde.

Deze opmerkingen werden door den heer Hovy beantwoord met de mededeeling, dat er, voorzoover spr. wist, geen ouder jaarverslagbestond, en dat, wat de volgorde der faculteiten betrof, deze overal zooals hier werden gerangschikt.

Prof. Kuyper wees er op, dat de historische volgorde deze is, waarbij de theologische faculteit voorop gaat; slechts dan wordt daarvan afgeweken, wanneer de Rector niet is uit de theologische faculteit. Dan komt op de Series Lectionem die faculteit bovenaan, waaruit de Rector genomen is.

Prof. Fabius handhaaft zijn gevoelen, dat er nog een jaarverslag aan de tien bekende vooraf gaat. Het staat in dat nummer van de Heraut. waarin de openingsplechtigheid der Vrije Universiteit is beschreven.

Thans wordt het jaarverslag goedgekeurd. Het rapport der commissie tot onderzoek der rekening over 1889 wordt bij monde van den heer M, J-Chevallier uitgebracht, die, er op wijzende dat de contributiën verminderen, voorstelt de rekeningen goed te keviren. Dienovereenkomstig wordt besloten.

Prof. F. L. Rutgers wijst op den post, die in uitgaaf onder het hoofd Studiefonds geboekt is ten bedrage van ƒ 44os.o8\ Dat geld is verkregen voor een goed deel door vrijgevallen

hoogleeraarstractementen, wat een zeer ongewenschte en hoogst onzekere bron van inkomsten is. Aan versterking van het Studiefonds is dan ook dringend behoefte. Het is niet voldoende, dat er »een kamer open is in het Hospitium, de bewoner van zulk een kamer heeft ook levensonderhoud noodig.

Prof. De Hartog wijst er op, dat men wel eens aan het Studiefonds denken mag, om te voorkomen, dat er, zooals men op de Betuwe zegt, een gat in de maan moet geschoten worden; hij hoopt op krachtige werkzaamheid ten behoeve van het Studiefonds.

De heer Van Oversteeg doet opmerken, dat het zeer wenschelijk is, dat men, vóór aan het Studiefonds te denken, de vereenigmg steunt; als het haar goed gaat, profiteert het Studiefonds er vanzelf bij.

Door den heer W. N. de Zwaaf uit Den Haag wordt naar het verband tusschen het Studiefonds en de Vereeniging gevraagd, ter wijl de heer Ter Weeme uit Rotterdam een krachtig woord van opwekking tot het schenken van meerderen steun uitspreekt, en erop wijst, dat er vooral in vele groote steden nog veld ter bearbeiding over is.

Ds. B. van Schelven meent, dat het geschil over het Studiefonds gemakkelijk op te lossen is, wanneer men bedenkt, dat dit fonds geboren is uit het bestaan der Universiteit; deze laatste dient dus eerst geholpen. Voorts zou het niet kwaad zijn, indien men voor 't vervolg niet alleen de vergadering in kennis bracht met het financieel verleden, maar haar ook de financieele toekomst eens liet zien; dat zou een krachtige prikkel kunnen zijn tot verdubbeling van ijver.

De heer Hovy antwoordt den heer De Zwaaf, dat er wel geen direct verband bestaat tusschen de Vereeniging en het Studiefonds, maar er is toch wel een verband. De financieele zorgen zijn groot, maar ook in dezen past ons geen klagen, onze verwachting is van de hulpe des Heeren.

Op voorstel van Prof. De Hartog wordt besloten een collecte voor het Studiefonds te houden, die ƒ 213.15 opbrengt. (De collecte, bij den Bidstond gehouden, bracht de som van ƒ 406 op).

Thans worden de verschillende benoemingen gedaan, en terwijl de commissie voor het opnemen der stemmen haar arbeid verricht, vangt Professor Rutgers zijn rede aan over De practische oefening en opleiding van de studenten in de Godgeleerdheid.

Spreker doet opmerken, dat dit punt door heeren Directeuren niet aan de orde gesteld is, om de vergadering een resolutie in dezen te laten uitspreken en daardoor propaganda te maken voor eene of andere meening op dit gebied. Neen, want hoeveel ook over dit onderwerp is geschreven, een communis opinio daarover bestaat nog niet, en het vraagstuk is nog niet genoeg behandeld, om tot een vaste overtuiging te komen.

De behandeling dezer vraag is thans zeer zeker in deze Vereeniging op haar plaats. De katheder voor de practische Godgeleerdheid was vacant, en het gelukte Dr. Van den Bergh daarvoor te vinden.

Zoo hij nog leefde, gewis, hij zou dit punt voor de vergadering hebben ingeleid. Spreker heeft over deze practische oefening en opleiding herhaaldelijk met den nu ontslapen broeder gesproken, die er zich in verblijdde, dat hij, tot het hoogleeraarambt geroepen, aan deze dingen eens zes maanden rustige studie zou kunnen wijden, teneinde zich daardoor over deze zaak een vaste overtuiging te vormen.

De Universiteit als zoodanig geeft die practische oefening en vorming niet; zij schenkt studie, kennis, welgeordende kennis, maar zij geeft die kennis slechts theoretisch. Daarom echter is het onderwijs nu weder nietonpractisch, integendeel, er is geen goede practijk denkbaar zonder een gezonden theorethischen grondslag. Het is niet voldoende zonder theo rethische opleiding zich gewoon te oefenen, de practijk veroordeelde deze wijze van doen immer, en in de i6e eeuw heeft men van het gemis van theoretische opleiding leergeld be taald. Daardoor was het o. a. mogelijk dat het Arminianisme zooveel aanhangers won, daardoor, dat men op het stuk der kerkregeering zoo ten achteren was.

De universitaire opleiding is noodig, doch ^iet voldoende; men moet de verkregen kennis practisch kunnen gebruiken, haar te bezitten is slechts een deel van wat moet worden vereischt.

Daarom heeft men een overgangstijdperk noodig, zooals bijv. de medische studenten hebben, die, vóór zij als zelfstandig geneesheer optreden, gelegenheid vinden, om bijv. in gasthuizen de noodige ervaring op te doen. Ook andere faculteiten bieden zulk een voordeel, alleen de theologische niet.

Voor de aanstaande Bedienaars des Woords nil is zulk een practische voorbereiding zekerlijk zeer gewenscht; maar wat gewenscht is, is daarom nog niet altijd onontbeerlijk, daar sommige practische naturen vaak aan eenige wenken genoeg hebben en in zeer vele gevallen de eerste gemeente, waar een leeraar optreedt, hem de gelegenheid tot practische vorming biedt.

Maar toch is oefening en opleiding voor de practijk gewenscht; hoe vreemd zal het iemand vaak zijn, wanneer hij onvoorbereid voor 't eerst wordt geroepen bij een ziekbed, of hoe moeilijk is in 't eerst het huisbezoek, de catechisatiearbeid enz.

En om nu die moeielijkheden te boven te komen, is er een overgangstijdperk noodig, waarin door den toekomstigen leeraar de wetenschappelijke studie wordt aangehouden, en de volle nadruk op de practijk wordt gelegd. Practisch optreden dus, maar niet onder eigen verantwoordelijkheid.

Hoe kan men nu den candidaat zulk een practische vorming schenken ? Want na het candidaatsexamen moet eigenlijk nog een jaar van practische voorbereiding volgen; de gewoonte om candidaten reeds aanstonds te beroepen, is niet goed, en mag alleen verschoond met het oog op het groot gebrek aan leeraars.

Voor die practische oefening en opleiding nu is tweeërlei weg aangewezen:

ie. Het hulppredikerschap of vicariaat.

2e. Een practische kweekschool of seminarium.

Tegen beide deze wegen bestaan bezwaren.

Tegen beide deze wegen bestaan bezwaren. Tegen het hulppredikerschap deze, dat het lang niet altijd zeker is, dat de hulppredikers door de kerken — van welke de practische vorming moet uitgaan — onder goede leiding zullen worden geplaatst. Het is noodig dat de mentor, die den aanstaanden leeraar leiden zal, een voorbeeld zij en voor zijn taak ten volle is berekend. Maar de kerken vragen in den regel naar gemeenten, waar een hulpprediker noodig is, en dat zijn natuurlijk meest zulke, waar de herderlijke werkzaamheden nu juist niet uitnemend worden verricht J De practijk heeft dit middel dan ook veroordeeld, en met het oog op den huldigen toestand onzer kerken is de toepassing er van nu trouwens geheel onmogelijk.

De genoemde bezwaren bestaan, zooals van zelf spreekt tegen een Seminarium niet; doch op dezen weg liggen weder andere struikelblokken

Wel werken hier de candidaten onder een weldadige critiek, maar hoe zal men voor deze mannen altijd ernstige werkzaamheden vinden. Een leerrede toch, uitgesproken met de bewustheid, dat zij slechts dient ter beoordeeling, mist het ernstig karakter en de hooger wijding, die zij ontvangt, indien zij wordt uitgesproken met haar wezenlijke beteekenis. En zoo gaat het met de catechisatie, met het huisbezoek enz. Er dient ernstig tegen gewaakt, dat die arbeid geen vertooning worde; waarvoor veel gevaar bestaat.

Spreker wees er voorts op, dat, ware de vereeniging van alle Gereformeerden tot stand gekomen, er misschien krachten en middelen zouden wezen om voor die practische vorming iets te doen.

Hoe zich nu te helpen? Spreker meent, dat de kerken zich kunnen wenden tot den kerkeraad van Amsterdam, met de opdracht om in dezen te handelen. Dan zouden de aanstaande Bedienaren des Woords wellicht de catechisatiën onzer predikanten kunnen bijwonen; aan huisbezoek, bijbellezingen enz. zou kunnen worden gedaan onder behoorlijk toezicht en wanneer de studenten dezen eisch onvoorwaardelijk inwilligden, dat zij niet komen in de«en arbeid om wat mee te deelen, doch om te keren.

Wanneer men dan voorts weet, hoe in vele gemeenten eenvoudige, vrome Christenen zijn, die den tact hebben om den jeugdigen leeraar in dezen 'met bescheidenheid te dienen, dan is daarmede aangetoond, dat ook nu de practische oefening en opleiding niet geheel ontbreekt.

In het debat, dat op dit belangrijk referaat volgde, maakte Dr. Kuyper de opmerking, dat hij gaarne zou zien, dat de inleider toelichtte waarom voor de practische oefening en opleiding van candidaten 'm d^Jheologie de kerken hebben te zorgen, terwijl bijv. voor de medische studenten de medische faculteit zorgt, dat zij ook praclisch kunnen optreden.

Prof. De Hartog meent, dat de vraag niet ruim genoeg gesteld is. Er wordt toch gesproken van de practische oefening en opleiding, en dit beperkende »^«'' geeft den indruk, dat hier de theorie — die de inleider intusschen tot haar recht deed komen-— is over 't hopfd gezien. Voorts is oefening en opleiding niet hetzelfde, waaruit dan weer volgt dat er ook verschil komt in de beteekenis van 't woord practische, dat de inleider echter heeft doen uitkomen.

Door den heer A. Meijer wordt opgemerkt, dat de lagere school b. v. zou kunnen worden dienstbaar gemaakt aan de practische oefening van aanstaande predikanten in het geven van godsdienstonderwijs.

Met deze laatste opmerking is de inleider het in zooverre eens, dat deze weg kan wor den ingeslagen, doch niet geheel vrij van practische moeilijkheden is. Het bezwaar van Prof, de Hartog deelt hij niet, het t> de'\ door hem gewraakt, sluit niet uit, doch wijst juist op alles, wat tot deze opleiding en oefening behoort. En wat ten slotte de opmerking van Dr. Kuyper aangaat, mag niet worden vergeten, dat de theologische faculteit verband heeft te houden met de gezamenlijke kerken, en haar verhouding tegenover die kerken dus een heel andere is als de verhouding der medische faculteit tegenover de enkele Maatschappij., en die van de juridische faculteit tegenover den enkelen Staat. Het verband dat tusschen de theologische faculteit en de kerken moet bestaan, kan niet worden ontbeerd, terwijl zulk een verband bij de medische en juridische faculteit niet noodig is.

Reeds was onder deze belangrijke besprekingen de tijd, voor de vergadering bestemd, verstreken, en nog moesten verschillende punten van de agenda worden afgehandeld.

ten van de agenda worden afgehandeld. Allereerst werd medegedeeld, dat tot lid des bestuurs was herkozen de heer S. J. Seefat, met 98 stemmen; op den heer H. W. van Marie werden 6 stemmen uitgebracht.

Als eerste plaatsvervanger van bestuursleden werd herkozen de heer C. M. E. von Löben Sels met 89 stemmen, op den heer H. Seret werden ii stemmen uitgebracht.

Tot leden der commissie tot onderzoek van de rekening over i8go werden gekozen de heeren G. de Leeuw, van Utrecht; f. A. ter Wolde, van Amsterdam, en C. J. de Bordes, van Velp.

Als twee plaatsvervangers der leden van die commissie werden aangewezen de heeren H. A. Ilöweler, van Amsterdam, en H. van Dijk, van Utrecht.

Aan heeren Directeuren werd overgelaten de plaats te bepalen, waar de volgende algemeene vergadering zal worden gehouden.

Nadat door S. baron van Heemstra de korte notulen dezer vergadering waren voorgelezen, werden zij vastgesteld.

Daarna werd de jaarvergadering door Ds. B. van Schelven met dank aan den Heere gesloten en eindigde een samenkomst, waarop van rijken zegen kon worden gewaagd en waarvan de grondtoon wordt weergegeven door deze woorden uit het feestnummer van de Heraut van vóór 10 jaar.

o, Volk van God, dat zonkt in smaad door trouw , , ... , verbreking; Maar, m dien smaad gezift, weer boete doend, met Aanriept der vadren God: »o God, %tuit de ontwnchtiug Van zielevastheid, van uw Kerk, van 't vaste Woord I" God heeft gehoord 1

DE MEETIIVG.

Meer dan vol was de groote zaal van »Stroucken, ' toen des middags de meeting een aanvang nam. Dicht aaneengesloten stonden de breede rijen stoelen, waarop een overtalrijk publiek had plaatsgenomen, 't Was even over twee ure toen Prof. Woltjer, nadat directeuren, curatoren en hoogleeraren der Vrije Universiteit op de tribune hadden plaats genomen, naar voren trad en met een enkel woord Prof. Kuyper inleidde, die een referaat zou houden over de vraag; »Is er aar) de publieke Universiteit ten onzent plaats voor een faculteit der theologie? "

Deze vraag— dus begon ongeveer de hoogleeraar, wiens redevoering we slechts in groote trekken mededeelen, — deze vraag vindt haar aanleiding in hetgeen in het afgeloopen jaar buiten den kring der vereeniging inzake het Hooger Onderwijs voorviel. Zoowel in de pers als op de vergadering van moderne theologen in den gemeenteraad van Amsterdam, op politieke vergaderingen enz. is, rakende deze materie, schier uitsluitend over het bestaansrecht van de theologische faculteit aan onze Staatshoogescholen gesproken. Spreker herinnerde aan J de feiten, die in 1876, toen minister Heemskerk zijn wetsontwerp op het Hooger Onderwijs indiende, en waarbij de Regeering voorstelde de theologische faculteit te doen vervallen, hadden plaats gehad.

De Minister boog toen voor de liberalen het hoofd, en onder deze parlementaire pressie is toen een regeling tot stand gekomen, die voor de Overheidsscholen de oprichting eener faculteit van zeer partijdige godsdienstwetenschap onder den vermomden naam van theologische faculteit, verplicht heeft gesteld.

De stad Amsterdam meende toen niet te mogen achterblijven. In niets wilde het, dat haar Stichting zou achterstaan bij Leiden of Utrecht, en dus moest ook Amsterdam kerkelijke hoogleeraren hebben. Tengevolge van dien wensch nam de toenmalige Gemeenteraad het noodlottig besluii, waarbij de stad zich voor een reeks van jaren verbond om telken jare f io, ooo aan de Haagsche Synode te betalen Een besluit, waarbij die Gemeenteraad, om de Vrije Universiteit den voet dwars te zetten, tevens als clausule bedong, dat de Haagsche Synode geen andere studenten dan die van de Overheldshoogescholen kwamen, tot haar examina zou toelaten. En zoo zijnde Professoren Gunning en Knappert naar Amsterdam getogen, en het eenige oogmerk, om nl. ook te Amsterdam een theologische faculteit met een draaglijk aantal studenten te hebben, was bereikt.

Kort na de verkiezing van 1888 echter kwam de beweging tegen de Amsterdamsche theologische faculteit in gang Zij werd vooral in de hand gewerkt door de verplaatsing van Prof. Gunning naar Leiden; en door de cordaatheid en beginselvastheid van een kleine, echt-liberale groep is er toen een voorstel ter tafel gebracht, eerst om geen geld meer voor een nieuwen kerkdijken hoogleeraar te geven, en toen dit geen bijval vond, om zich tot de hooge Regeering te wenden met het verzoek, dat de instandhouding der Theologische faculteit aan de O verheidsuniversiteiten facultatief mocht gesteld worden. En zulks met den openlijken toeleg, om, won men dit pleit, de Theologische faculteit althans aan de stedelijke Universiteit te doen vervallen. De strijd hierover woedt nog voort, en het is op verre na nog niet te zeggen tot welk besluit de Regeering in deze materie komen zal. Dat vroeg of laat de Theologische faculteit van onze publieke Universiteiten wegvalt, is een even zekere als goedgeefsche profetie, maar hoelang ze haar leven nog rekken zal, is zelfs van verre niet te gissen. Kwijnende zieken zijn soms taai.

Het was juist daarom goed en billijk, dat de quaestie, die door dezen strijd aan de orde is gesteld, van verschillend standpunt op onder scheidene wijze worde toegelicht. Die plicht rust ook op de mannen der Vrije Universiteit. Ook zij nemen tegenover deze quaestie een eigen standpunt in en gaan noch met de »groote Protestantsche partij", ditmaal door Mr. Levy aangevoerd, noch met de Radicalen mede.

Over dit standpunt nu leverde Prof. Kuyper vervolgens in het referaat zijn beschouwingen. Protesteerende tegen een uitdrukking van Prof. Tiele in een referaat over dezelfde zaak, deze nl. »aan namen hecht ik niet veel'' en een kort en krachtig pleidooi leverend voor waarheid in de taal, ging de hoogleeraar over tot het voeren van een principieel debat, en wel door den zin en beteekenis vast te stellen van wat een faculteit zij, wat een theologische faculteit en wat de publieke universiteit ten onzent.

Wat historisch onder het woord faculteit verstaan moet, is niet twijfelachtig; het moet genomen in den zin van bevoegdheid om zeker vak van studie publiek te doceeren. Genomen naar haar historischen oorsprong zou men dus de faculteit kunnen omschrijven als een gilde van geleerde mannen, die het recht bezaten om collegialiter, d. i. saam, een zelfde vak van wetenschap te doceeren en daarin graden te verleenen. Dat in de faculteit alleen de leeraren van één bepaald vak van studie waren opgenomen, had weer tengevolge, dat de leden der faculteit in solidaire gemeenschap doceerden, saam eenzelfde wetenschap onderwezen, en alzoo onderling voor elkanders onderwijs aansprakelijk waren. Eenheid van beginsel was van het verleden der facultas dus onafscheidelijk. De idéé der faculteit wordt echter vervalscht als men haar, evenals de universiteit, als instellingen voor de beoefening der wetenschap voorstelt. Een faculteit studeert niet en ontleent zijn recht van bestaan in het minst niet aan de eischen der wetenschap, maar aan de eischen van het practische leven. Nog geldt en gold ook voortijds de formule: de faculteit als zoodanig studeert niet, maar doceert en gradueert alleen.

Wat nu de Theologische faculteit aangaat, hiervan staat vast, dat er nooit een faculteit van godsdienstwetenschappen onder verstaan kan worden. Wil ze haar naam naar waarheid dragen, dan moet ze beantwoorden aan de volgende eischen: ie. haar doel moet zijn, niet om aan eenige geleerden de gelegenheid tot onbezorgde studie te bieden, maar om te doceeren en te gradueeren; 2e, ze moet een vereeniging . zijn van mannen, die niet elk op eigen risico doceeren, maar saam doceeren als faculteit, evenals ze saam als faculteit e.xamineeren en gradueeren; 3e. de inhoud van wat ze doceeren moet niet zijn »de.godsdienst", noch ook »God zelf", maar de geopendaarde kennisse Gods; en wel ter onderscheiding van de philosophie, die elders thuis hoort, die kenniss? Gpds, die geopenbaard is op bovennatuurlijke wijze; 4e. om dit te kunnen doen moet ze als uitganspunt voor haar doceeren een belijdenis bezitten; 5e. moet deze belijdenis, zal ze doceeren voor de practijk des levens, saamvallen met de belijdenis der kerken, op de vorming van wier dienaren ze oog heeft i en 6e. kan ze in geen uriiversitair verband staan met andere faculteiten, die haar bovennatuurlijk uitgangspunt en het bestaansrecht der boven de natuur uitgaande openbaring, principieel of feitelijk, bij hetgeen ze zelve doceeren, loochenen.

Voor wat het derde punt van onderzoek, de pubHeke Universiteit ten onzent, betrof, vergeleek de hoogleeraar zijn genomen conclusiën in zake de theologische faculteit met ons universitair onderwijs hier te lande, dat volslagen beginselloos is, en niet den minsten waarborg biedt voor den geest van hetgeen gedoceerd' wordt. Zijn slotsom was, dat de vraag, of aan de Rijks-Universiteiten hier te lande plaats is voor een theologische faculteit, ontkennend moet beantwoord worden. En wel op de drie navolgende gronden: Een faculteit is ondenkbaar, tenzij ze iri eeijheid van belijdenis haar uitgangspunt hebbe; anders kan ze geen Theologie doceeren, dan voorzoover deze deels onder de Philosophie, deels onder de Letterkundige studiën thuis hoort. Zulk een waarborg nu voor eenheid van belijdenis is bij de inrichting onzer Universiteiten ondenkbaar. Atquv ergo kan ze aam onze publieke Universiteiten niet bestaan. Ten tweede: een faculteit der Theologie eischt correspondentie met de kerken, aan de wetenschappelijke vorming van wier doctores en pastores ze arbeiden wil. Onze wet daarentegen snijdt elk stilzwijgend of officieus verband tusschen de faculteit en de belijders der kerken af, en kan diensvolgens geen theologische faculteit onder haar faculteiten opnemen. En ten derde: Een theologische faculteit kan in geen universitair verband staan met andere faculteiten, die principieel het onderwerp van haar onderzoek ignoreeren of loochenen. Dat doen de overige faculteiten aan de publieke Hoogescholen, die geen ander richtsnoer dan de Rede erkennen; en hieruit volgt, dat geen theologische faculteit in het verband van zulke Universiteiten bestaan kan. De «gedienstigheden van de practijk, '' d'e het kwaad temperen, hebben niet plaats krachtens, maar in strijd met het beginsel onzer Hooger Onderwijswet.

Nu bleef nog over de beantwoording der vraag, of er aan de publieke Universiteit plaats is voor een theologische faculteit met het oog op die opvatting van het wezen onzer Universiteiten, gelijk die in de publieke opinie resultaat is van het compromis, dat tusschen de idealisten ert practici sinds 1876 wierd gesloten. Daarbij werd teruggegaan tot de beginselen van ons staatsrecht. En wat nu is hiervan het primordiaal beginsel, door alle partijen als haar overtuiging beleden? Dit, dat de Staat als zoodanig onbekwaam en onbevoegd is om bij de geestelijke worsteling de wet te stellen. Vroeger was dit niet zoo ; toen was wie eensdenkend was met de Overheid, de echte burger, en die van haar in zienswijze verschilde, werd slechts als bijwoner geduld.

Maar thans oordeelen in het afgetrokkene alle partijen, dat alle burgers voor de wet gelijk moeten staan. Edoch, hieruit vloeit voor ons Hooger Onderwijs de consequentie voort, dat de Overheid dan alleen gerechtigd is de wetenschap te propageeren, zoo ze absoluut is. Maar zulke wetenschap, de lagere der natuurkunde uitgenomen, is er niet; en daarom behoorde Staat zich van nagenoeg alle bemoeiing met de wetenschap te onthouden, of wel te zorgen dat elke richting gelijk recht ontvange. Hij kan volgens het beginsel van ons staats rechts slechts één dezer drie wegen inslaan : Of geheel het Hooger Onderwijs uit handen geven en aan de belangstelling van de minnaars der wetenschap zelve overlaten; hoogstens geldelijken steun biedend aan elke universiteit, die aan zekeren eisch in het aantal van katheders enz. voldoet; of wel hij kan, aangenomen dat zich in hoofdzaak drie richtingen op wetenschappelijk gebied vertoonen, voor elk dezer drie een zijner universiteiten beschikbaar stellen, onder toekenning van het recht van benoeming der hoogleeraren aan deze universiteiten zelve; of eindelijk, hij kan de rol op zich nemen om enkel een tente voor de wetenschap te spannen, waarin ze alle hulpmiddelen gereed vindt, en aan elke particuliere vereeniging voor Hooger Onderwijs hiervan het vrije gebruik afstaan.

Ten slotte omschreef Prof. Kuyper het door ons ingenomen standpunt. Naar onze overtuiging behoort de Staat te breken met zijn stelsel van officieele staatsorthodoxie op geheel het terrein der wetenschap, en op dien grond over te gaan tot volledige afschaffing van de dusgenaamde theologische faculteit aan zijn publieke Universiteiten. Doch daarbij kan hij niet blijven staan. Hij moet dan tevens ernst maken met het beginsel van vrij Hooger Onderwijs, dat nu een doode letter is. Wint dit in kracht, dan komt de Overheid voor het dilemma, om een positie in te nemen die met den gebiedenden eisch van ons Staatsrecht strookt, of geheel het Hooger onderwijs aan de minnaars der wetenschap over te laten. En dan zal zijn uit te maken, of ze in de publieke universiteiten inrichtingen van onderwijs wil blijven zien, of wel ze zal omstempelen tot een inrichting voor den bloei der wetenschappen. Dit laatste nu zou ons het meest aanstaan; de wetenschap als »souvereine in eigen kring" zou dan eiken teugel van den Staat afwerpen en de inmenging van de Overheid zou zich slechts tot het materieele bepalen. Edoch, van de bereiking van dit ideaal zijn we nog zeer ver af; de tegenwoordige bezitters van zoo machtig privilege zullen zoo spoedig geen afstand doen van hun ongerechtig instrumenfum regni. Het zij ons voorshands genoeg, dat èn staatsrechtelijk, èn uit historisch èn uit wetenschappelijk oogpunt alleen de positie van de Vrije Universiteit onberispelijk is.

Met de meeste aandacht was dat referaat, dat circa anderhalf uur in beslag nam, door de vergadering aangehoord. Aangekondigd was, dat er een «meeting" met debat zou zijn, en dus verwachtte ieder, dat een der vele voorstanders van de publieke universiteit en haar aankleve — dat ze er waren bleef niet onopgemerkt — met den referent een lans zou breken over de quaestie van den dag-Maar niemand daagde op. Tot driemaal toe noodigde Prof. Woltjer ze uit, maar ze hielden zich schuil. En zoo had dan de voorzitter volkomen gelijk, met te verklaren, dat ze of overtuigd waren hï om hun zwakheid het debat niet aandurfden.

Vermelden we nu nog, dat na afloop der »meeting" een maaltijd werd gehouden in het Paviljoen, waar zéér velen aan deelnamen en een gulle, broederlijke toon heerschte, en ons verslag van de samenkomsten bij het tienjarig bestaan der Vrije Universiteit is ten einde. Allen die waren opgekomen, zoo ver van buiten als uit de hoofdstad, zullen ongetwijfeld meer dan voldaan huiswaarts zijn gekeerd. Schoone, hartverhelTende oogenblikken zijn op de samenkomsten doorleefd, en Prof. Woltjer was aller tolk, toeri hij in zijn kort slotwoord op de smeeting' den Heere God vóór alles dank bracht voor den zegen dien Hij schonk. Den Heere de eer van alles, en niet ons, — dat was de toon die in aller harten leefde, bij het zien op de blijken van Gods trouw; van Hem — zoo was aller smeeking, — dale ook kracht en sterkte nee? : , om den moeilijken strijd te strijden, dien wij in Zijn naam hebben ondernomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 juni 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Ye Samenkomsten

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 juni 1890

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken