Bekijk het origineel

„Opdat gij zijn moogt, waar ik ben.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Opdat gij zijn moogt, waar ik ben.”

6 minuten leestijd

„En «oo-wanceéf^^KÖi zal' •gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebljen, zoo kom ik weder, en zal u tot mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar ik ben. Joli. 14 : 3.

Jezus is niet van deze aarde. In deze wereld was zijn thuis niet. En al heeft hij uit goddelijk mededoogen ons vleesch en bloed aangenomen; zich naar deze wereld laten uitzenden; en in deze wereld ons leven geleefd en onzen strijd gestreden; toch bleef hij op aarde een vreemdeling. Zijn Vaderhuis was en bleef daarboven.

Het doel van Jezus' komst op aarde, was dan ook volstrekt niet, dat hij zich aan den hemel zou ontwennen, om zich allangs zoo meer in ons aardsche leven in te leven en in onzen levenstoestand over te gaan. Veeleer omgekeerd was en bleef het zijn eenig heilig bedoelen, ons uit de banden van dit aardsche leven los te maken en zulk een aanknoopingspunt in den hemel daarboven te geven, dat ook ons thuis voortaan niet meer in deze v/ereld, maar in den hemel zou zijn.

Niet hij wordt aardsch, maar hij komt om ons hemelsch te maken. Hemelsch niet enkel in onze gezindheid, maar naar geheel ons wezen en onze bestemming. Hemelsch wil hij onze ziel maken, eens hemelsch ook ons lichaam. In dien hemel zal ons vaderland zijn, en in dien heerlijken hemel al het ideaal van ons hart en het middenpunt van ons verlangen.

Ge raakt dus aanstonds van de ware lijn at, zoo ge de Vleeschwording van den Zone Gods op zich zelve neemt, als lage daarin het einddoel van Gods wegen.

Neen, ook die Vleeschwording van den Zone Gods, dat verschijnen van den Immanuël op aarde, is slechts een schakel in de keten, is slechts middel omeenhooger doeleinde te bereiken.

Hij daalt neder en leeit in ons leven in, niet om in dit aardsche leven zijn ruste te vinden, maar eeniglijk, om uit dit aardsche leven en uit deze wereld, die in het booze ligt, zelf weer uit te gaan en met zich Gods uitverkorenen op te trekken naar zijnen zaligen hemel.

En toch is dat komen van Jezus tot deze aarde iets heel anders en iets veel meerders dan een vluchtige, voorbijgaande verschijning.

Verschenen was de Christus ook onder het Oud Verbond en Abraham had zeer verlangd zijnen dag te zien en had hem gezien.

Maar toen Immanuël aan Abraham verschenen was en die verschijning ten einde liep, bleef er niets achter. Achter bleef, ja, het woord der belofte, en de diepe indruk, en de heilige herinnering, maar zakelijk niets. Het bleef de hemel hoog daarboven, en de aarde diep hier beneden, en tusschen die beide de ondempbare klove van een eeuwig on verzoend e schuld.

Maar zoo is het bij Jezus' Hemelvaart, na gjjn Vleeschwording niet.

Wat nu voor de heilige apostelen en voor al Gods uitverkorenen in zijn kerk aan alle einden der aarde achterblijft, is niet maar een indruk en een herinnering, maar een verzoening, die is aangebracht, een band die tusschen ons menschelijk geslacht en dien hemel gelegd is, een kracht in den hemel werkende, die ons van dag tot dag en van uur tot uur ten goede komt.

En juist dat is, wat ons, kinderen der menschen, van noode is.

Want wel ligt in den hemel ons vaderland en daarboven onze bestemming, me.ar die bestemming kon nooit worden bereikt, zoo we, om in dat vaderland in te gaan, op moesten houden mensck te zijn.

En dat nu juist is het, wat de Christus door zijn Vleeschwording en Opstanding en Hemelvaart voor ons heeft te weeg gebracht.

Hij heeft ons menschelijk leven aangenomen, dat menschelijk leven heeft hij geheiligd en verheerlijkt, en dat geheiligde en verheerlijkte menschelijk leven heeft hij in den hemel voor ons ingedragen.

Zoo is er dan nu in den hemel niet alleen een goddelijk leven, gelijk het Eenig en Drieëenig Wezen dit in ongestoorde zelfgenoegzaamheid doorleeft; en zoo is er dan nu in den hemel niet enkel een leven van Gods engelen, gelijk dit de Cherubijnen en Serafijnen voor zijn Troon genieten ; maar zoo is er dan nu in dien zelfden heerlijken hemel ook een menschelijk leven mogelijk geworden.

Er is thans in dien hemel, in dat Vaderhuis niet maar een woning voor het Goddelijk Wezen, en een woning voor zijn engelen. Neen er zijn in dat Vaderhuis vele woningen. Ook een woning voor het kind der menschen. Een menschelijke woning, die niet vanzelf bereid was, maar die Christus na zijn Vleeschwording en door zijn Hemelvaart en Koninklijke heerschappij ons bereid heeft en nóg bereidt.

En daarom is er naar dien hemel voor ons menschen maar één weg, en dien weg weet ge. Die weg is Jezus in eigen persoon.

Hij, in zijn eigen persoon, heeft het menschelijke van ons aangenomen. Hij, in zijn eigen persoon, heeft dat menschelijke door zijn Hemelvaart in den hemel ingedragen. Hij, in zijn eigen persoon, houdt dat menschilijke in den hemel in stand. En niemand, die niet persoonlijk aan dien Heiland verbonden is, kan in dien hemel ingaan, om als mensch in dien heerlijken hemel de goddelijke gelukzaligheid te genieten.

Vandaar Jezus' zeggen tot zijn jongeren:

„Gij lieden gelooft in God, gelooft ook in mij"; want metterdaad, in God te gelooven brengt wel tot het inzicht, dat het op deze aarde niet goed, en dat het in den hemel alleen zalig is, maar zonder meer is er naar dien hemel voor u als mensch nog geen weg ontsloten.

Dien weg ontsluit zich eerst in den Immanuël voor u. In hem, die als mensch u uit uw aardschen kring losmaakt, maar om u in den hemel een evenzeer waarachtiglijk menschelijk leven te vergewissen.

Maar dit moet dan ook het leven van Gods kinderen bepalen.

Voor hen is er tweeërlei menschelijk leven. Het ééne gelijk de ongeheiligde wereld het oplevert, met veel schoons, veel verleidelijks, veel liefs; maar al dat schoone, dat lieve, dat aantrekkelijke, vergiftigd in zijn geur en besmet door onheiligheden; en daarom krank en te niet gaande; straks een prooi van den dood.

Maar hier naast en hier tegenover staat nu voor Gods kind een ander, een tweede menschelijk leven, gelijk het bloeit in Immanuël, en van hem aistraalt op Gods uitverkorenen op aarde. ? ^n ander menschelijk leven, duizendmaal schooner, onovertroffen in heerlijkheid, boeiend met onweerstaanbare aantrekkelijkheden, en dat wel soms omfloersd wordt door veel lijden en veel bange verdrukking, maar, heilig in zijn levenswortel, geen dood en geen ondergang kent.

Van dat leven, dat hooge, echte menschelijk leven nu is het brandpunt en de fontein in den hemel, in Christus.

Daar schittert het.

Van daar stroomt het uit.

Daar trekt het henen.

En van dat leven zegt Immanuël: „Ik zal u tot mij nemen, opdat ook gij zijn moogt waar ik ben."

Zoo is dan de trek naar hemelsche gelukzaligheid van het zielsverlangen naar Immanuël niet te scheiden.

Wie Hem niet vindt, vindt ook dat leven niet.

Voor wifi Hem niet kent, bestaat het niet.

Maar dan ook, omgekeerd, wie Hem uit genade bezitten mag, diens is dat heerlijk menschelijk leven, nu reeds in voorsmaak, en straks eeuwig in volmaakte glorie.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 augustus 1890

De Heraut | 2 Pagina's

„Opdat gij zijn moogt, waar ik ben.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 augustus 1890

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken