Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de Pers.

6 minuten leestijd

Goede wenken geeft Ds. Gispen in de Macedoniër over het kerkelijk karakter der echte zending.

Hij zegt er van:

Ia de Zendingsgenootschappen oefenen de geloovigen een ambt of eene roeping en verplichting uit, om als getuigen van Jezus Christus in de wereld op te treden, in onze dagen, ^4; aarin zooveel van het ambt der geloovigen gesproken wordt in betrekking tot de kerkelijke organisatie, en aan de geloovigen de bevoegdheid wordt toegekend om van kerkorde te veranderen, ook al zijn ze maar met twee of drie vergaderd, ea dat voorts deze hunne daad kracht en rechtsgeldigheid heeft voor de gansche kerkelijke gemeente; in onze dagen zal men moeilijk het recht hun kunnen betwisten om, waar de Kerken nalatig zijn het bevel des Meeren, om het Evangelie allen creaturen te prediken, uit te voeren, zelven de handen aan den ploeg te slaan en te doen hetgeen de Kerken in haar geheel moesten doen maar niet doen.

De vraag, of de oprichters en leden der verschillende Zendingsgenootschappen van deze bevoegdheid ot van deze roeping en verplichting der geloovigen zich (vol komen bewust zijn, en uit overtuiging handelen, kan hier buiten bespreking blijven. Zij staat in het nauwst verband met heel het kerkelijk vraagstuk enmet de meerdere of mindere getrouwheid aan het historisch geloof en de belijdenisschriften, met de leer der Kerk, uit de tijden der groote reformatie en de opvatting van de leer over het a^lbt der geloovigen. Daaruit laat zich grootendeels verklaren het bestaan van zoovele genootschappen of vereenigingen, die het Zendingswerk hebben ter hand genomen. Er liggen, be wust of onbewust, aan die verscheidenheid der genootschappen verscheidene leerbegrippen ten grondslag. De Kerkelijke en Theologische richtingen onder de Ned Hervormden, spiegelen zich ook, in een of ander op zicht, in de verschillende Zendingsgenootschappen af. Met openbare loochenaars van de godheid van Chris' tus en pertinente bestrijders van het bovennatuurlijke, in ééne Kerk den dood des Heeren te verkondigenen onder kerkelijk verband saam te leven, acht men plichtmatig. Maar voor geen geld van de wereld zou men met zulke lieden van éèn Zendingsgenootschap lid zijn! Op het gebied der Zending ziet men tegen eene scheuring meer of minder niet op.

De arbeid nu van zulke geloovigen is geen Kerkekelijke Zending. Hij gaat niet uit van het lichaam der Kerk. De opzieners der gemeente hebben, in qualiteit van opziener, met deze Zending niets te maken. De Zendelingen zijn uit dit oogpunt bezien geen wettige dienaren des Woords en missen de bevoegjdheid om in de kerken van het moederland met autoriteit op te treden en het Woord en de Sacramenten te bedienen. Hier te lande zijn zij van den dienst der kerken, anders dan als behulpsels, uitgesloten, evenals de godsdienstonderwijzers en de oefenaars

En verder:

De vraag nu:0/ de geloovigen bevoegdheid heb om als geloovigen en als leden van georganiseerde ken, buiten dat georganiseerde lichaam der kerh om Zendelingen naar de heidenwereld te zenden, moet een theoretisch oogpunt, ontkennend beantwoord worden

Door theoretisch oogpunt bedoel ik eigenlijk lejrstellig en kerkrechterlijk oogpunt.

Er is toch in al de schriften des N. T. geen enkel voorbeeld aan te wijzen, dat, waar reeds een georga niseerde kerk bestaat, op zich zelf staande geloovigen alleen op grond dat zij geloovigen en leden van het verborgen lichaam van Christus zijn, de bediening des Woords en der Sacramenten onder joden of heidenen hebben vervuld-Het waren ambtdragers die hetzij als Apostelen of Evangelisten het Woord predikten, ambten die met het diakenambt zeer goed vereenigbaar zijn en ook wel vereenigd waren. Het bevel dat Christus vóór zijne hemelvaart gaf om allen creaturen het Evangelie te verkondigen, de volken te onderwijzen en te doopen, zal toch wel zoo verstaan moeten worden, dat het gegeven is aan de geheele gemeente, niet los en onafhankelijk van de Apostelen en hun gezag, maar onder hunne autoriteit en naar de bepalingen die zij als lasthebbers van Christus, daarvoor zouden stellen Zoo vermaant Paulus Tiraotheus dat hij het goede pand moest toevertrouwen aan .getrouwe menschen, die bekwaam zijn om ook andere te leeren.

Zoo heeft de kerk in alle eeuwen het Woord des Heeren ook opgevat. Want het is iets anders of een geloovige in zijn omgeving, op reis. of ook onder heidenen en mohammedanen, getuigenis aflegt van zijn eigen geloof , en anderen opwekt ook in Christus te gelooven; daii of hij zelf thuis blijft en anderen heen zendt met last en macht om het Woord te prediken en de sacramenten te bedienen.

En dit is toch wat de Zendingsgenootschappen in den grond der zaak doen. De z.g ordening der zendelingen geschiedt wel doorgaans door een of meer predikanten en, in den laatsten tijd, ook wel in een officieel kerkgebouw, maar dat alles geeft nog aan deze handeling geen kerkelijk of gemeentelijk karakter. De predikant heeft voor deze handeling geen opdracht van de gemeente wier dienaar hij is, en de kerk wordt eenvoudig door de kerkvoogden voor dit doel geleend of beschikbaar gesteld, gelijk dit ook wel geschiedt voor een orgelconcert, de inhuldiging des Konings, of iets anders.

Het kerkelijk kleurtje, dat de ordening der zendelingen hierdoor krijgt, is, dus niets anders dan schijn. De kerk zelve zendt niet. Zij erkent de dus geordende broeders ni-; t als dienaren des Woords en verbiedt hun de bediening der Sacramenten in de kerken van he moederland.

Hiermee vereenigen we ons van harte.

En wel volgt dan een critiek op wat schrijver dezes op het Geref. Zendingscongres over het revolutionair karakter der Zendingsgenootschappen sprak, maar een critiek die ten deele op misverstand rust.

Althans in de conclusie waartoe Ds. Gispen komt, gaan we geheel mede:

AI kunnen wij dus uit een theoretisch oogpunt de onkerkelijke zending niet goedkeuren, toch willen we baar ook niet beschouwen als een uitvloeisel van de revolutie. Gedachtig aan het bekende gezegde: dat God met een krommen stok wel eens een rechten slag doet, en dat er wel eens iets geschiedt hetwelk niet behoorde te geschieden, maar dat geschied zijnde toch niet ongedaan kan of behoeft gemaakt te worden, bovenal lettende op het ambt der geloovigen in ver valschte kerken en tegenover slapende en ontrouwe ambtsdragers, willen wij ook acht geven op de lessen der practijk. En dan aarzelen we niet te zeggen dat ook hier het Woord des Heeren geldt: verderf het niet; want er is een zegen in.

Natuurlijk.

Hoe zou ooit zondereen aandrijving van den Heiligen Geest zoo machtige Zendingsarbeid ontstaan zijn; en hebben voortbestaan?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 26 October 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 26 October 1890

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken