Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Alzoo lief heeft God de wereld gehad.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Alzoo lief heeft God de wereld gehad.”

16 minuten leestijd

[KERSTFEEST]

Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Joh, 3:16.

Wees ons gegroet, blijde dag van Bethlehems kribbe, die ons te midden van de koude der natuur, en van de koele bevrozenheid die over onze maatschappij ligt uitgepoten, weer een vriendelijken, koestC' renden lichtstraal doet opvangen van de liefde onzes Gods.

De tijden zijn zoo veranderd.

Nog geen halve eeuw geleden stond bijna heel het Christelijk Europa, en de overgroote meerderheid ook van de Nederlandschen natie, nog in de ongeschokte overtuiging, dat er geen feiten zoo reëel, geen gebeurtenissen zoo wel verzekerd waren, als de geboorte van het Kindeke te Bethlehem en de engelenglans, die de kribbe bestraald heeft.

Met kinderlijken eenvoud dronk een iegelijk in die dagen van ons schoone Kerstfeest nog den weldadigen geur in, die uit den heilige kring van Maria en haar goddelijk Kindeke ons tegenademde; en aller ziel zoog wellust in uit de hemelsche tonen, die eens ruischten door Efratha's velden.

Onze kinderkens jubelden en onze grijsaards lachten meê. Het was of één overstelpende menschelijke vreugde aller ziel ontvonkt had. Het stroomde naar onze bedehuizen. In die bedehuizen zwol de stem der gezangen met blijde volheid. En als die Kerstdagen weer genoten waren, ging men, gesterkt en bemoedigd en als met versche olie overgoten, den sombren ernst van den Oudejaarsavond te gemoet.

Het was een hooggetijde voor al wie gedoopt was; een heerlijk feest der Christenheid in haar breedste afmetingen; en voor al . die feestvierenden was en bleef het Kindeke van Bethlehem metterdaad het alles bezielend middelpunt, het voorwerp der lit f Je van hun weer warm geworden hart.

En thans?

o, Hoe is het goud verdonkerd, en hoe is de eere uit Israël weggevoerd!

Schier heel de tcongevende klasse van onze maatschappij aan de poëzie van Bethlehem afgestorven, en in de ziel afgevallen van onzen Heiland en Heere. Bijna al wat in den lande hoog staat, invloed oefent en gevierd is, tot de onzalige overtuiging gekomen, dat Jezus, ja, nog de Rabbi van Nazareth is, en onder Israels rabbi's een der uitnemendste, misschien de voortreffelijkste; maar overigens een raensch als wij, uit een aardschen vader geboren, geen heilige gestalte meer voor wie men zich, met een „Mijn Heere en mijn God !" op de lippen, in aanbidding nederwerpt.

En dus ook al wat van Bethlehem verhaald wordt louter verzinning. Verzinsel ook dat er engelen nederdaalden; en verzonnen die wegsleepende engelenzang met zijn hemelsche groetenisse van vrede aan deze aarde.

En dan viert men nog wel Kerstfeest. Een zoo eeuwenoude eik wordt niet met één en slag geveld.

Maar bij dat moderne Kerstfeest is niet meer de Leeuw uit Juda's stam, maar de Kerstboom het alles aantrekkend middelpunt geworden. En dan komt men saam, om zich te vermaken in de lichtjes die dien boom versieren, en in de kleine geschenken, die aan zijn takken gloren; maar van de groote gave van Gods ondoorgrondelijke liefde wordt in het versteende hart bijna niets meer gevoeld.

Zulk een Kerstavond is dan een avond van wereldsche genieting, waarbij men elkander geschenken vereert, en vooral de kleinen gedenkt; en voorts maaltijden viert; tot zelfs danspartijen toe.

En Jezus is vergeten, en aan de kribbe wordt niet meer gedacht.

Tot zelfs in het bedehuis moet allengs de kunst ons zalig Evangelie vervangen, en huiswaarts keerende, zijn de gemoederen vol, niet van de eeuwige liefde die God ons in die kribbe van Bethlehem betoond heeft, maar van het prachtig orgelspel en het kunstig gezongen lied. Ook wel van de bloemen die in het bedehuis waren aangedragen.

Zoo gaat het veelal in Engeland; zoo gaat het in Duitschland; en zoo begint het Ook in ons land te worden; al mag ook met dank aan God geroemd, dat ons strenger Calvinistisch leven dusver nog niet zoo stuitende storing der betamelijkheid heeft geduld.

Doch al vervult deze verdonkering van het goud, en deze voortgaande afval van de Christenheid, Gods volk onder die Christenheid met smartelijke droefenis, toch mag het ons niet verbazen.

Een historisc'u geloof kan, zoo het niet dieper gaat, en niet zaligmakend wordt, geen stand houden. Er school reeds voor een halve eeuw, en voor meer dan een eeuw, in die algemeene K-rstvreugde te veel innerlijke onwaarheid. Meer het sentiment en het ge voel werkte, dan de innerlijke warmte des geloofs. En waar men dat Kindeke zoo aanminnig, en die moeder zoo boeiend, en die engelenrei zoo roerend vond, besefte men reeds bijna niets meer van wat het is, in Jezus een Zaligmaker van zondaren en zondaressen te begroeten.

De Kerstvreugde ging wel niet buiten het hart, maar dan toch in dat hart buiten de conscientie om, en de profetie van den engel: „Deze zal zijn volk zaligmaken van zijn zonde" liet het zielsbesef koud.

Dat kon geen stand houden. Daar moest breking in komen. En God de Heere, dat spelen met het heilige moede, heeft toen ook dat naschijnsel van het licht teruggetrokken, en nu wandelen deze verdoolden in hun eigen duisternis.

Ja, wat nog banger is, zelfs in die nog Christelijke kringen, waar onze Heiland nog als God geopenbaard in het vleescli beleden wordt, zijn er reeds tal van predikers opgestaan, die het hun roeping achten, op allerlei manier aan de schare duidelijk te maken, dat ge toch vooral die Kerstverhalen niet als historische waarheid, in zoo letterlijken zin, verstaan moet. Dat hier meer mythe dan historie, of zoo al geen mythe dan toch sage is, en dat hetgeen Lukas en Mattheus u berichten, meer later gevormde voorstelling is, dan bericht van wat geschied is. Ook nog wel poëzie, maar nu geen poëzie van den Ontfermer meer, maar liefelijke poëzie van menschen.

Alzoo reeds een ontzettende afval om ons heen; een voorbode van naderenden afval in kringen, waarin de vreeae des Heeren nog leeft; en het aloud, kinderlijk stil geloot aan wat ons de Evangelisten van Bethlehems kribbe berichten, nog slechts overig in die enger kringen, waar het tornen aan de vastheid van het Woord nooit geduld is en de vraag: „Wat moet ik doen om zalig te worden.'" nog brandt op ieders conscientie.

Maar juist daarom is de Kerstvreugde in die enger kringen dan ook zooveel ernstiver geworden.

Veel meer nog dan vroeger een ernstig zich vastklemmen aan het Woord, wetende dat wie dddr eenmaal van afgaat, mét dat Woord ten slotte alles verliezen moet. Veel meer dan eertijds een ernstig indenken van de bange dagen, die voor de kerk van Christus naderende zijn, nu het schijnt alsof soms zelfs de uitverkorenen verleid zullen worden. Maar ook veel meer dan in vroeger dagen een zielsianig danken en loven bij het nogmaals herdenken en wederom indenken van de onuitsprekelijke gave, die onze God in die kribbe van Bethlehem aan de wereld geschonken heeft.

„Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eengeboren Zoon gezonden heeft, opdat een iegelijk die gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." Het aloude, maar altoos nieuwe en eeuwig jeugdige Evangelie voor elk kind des menschen, dat dorst naar redding en verzoening zijner zonde, en in dien dorst de liefde des medelijdens voor een zoo diepgezonken en van God afgevallen wereld niet verloor.

Want immers die liefde van God voor de wereld spreekt u nooit sterker toe, dan waar ge ziet, hoe zondig koud de wereld die liefde Gods bejegent.

Dat kwam niet zoo uit, zoolang het scheen of heel onze natie geloofde en God dankte voor de gifte zijns Zoons. Toen zou men gezegd hebben, dat die wereld toch de liefde van haar God waardig was. Maar nu het masker der innerlijke onwaarheid afviel, en de toongevende klasse van de maatschappij aan die liefde voor Jezus is afgestorven, en nu er ternauwernood nog iets meer gevoeld wordt van wat ons in den Christus geschonken is, nu komt die ijskoude ondankbaarheid, die koelheid van hart, die stuitende onaandoenlijkheid der wereld in zoo schelle tinten uit, dat ge bijna niet meer vat en niet meer verstaat, hoe God de Heere aan zulk een wereld zijn eigen lieven Zoon geschonken heeft.

Dat ze nog tegen God in opstand stond, zoolang de Christus nog niet verscheen ; en dat ze de profetie van den Messias die komen zou, als haast ongelooflijk verwierp, het was wel schriklijk en getuigde wel tegen haar; doch daar kunt ge nog inkomen. De heidenen wisten v^n rjiets en lagen gebonden in banden des 'doods en 'der' duisternis.

Maar dat een maatschappij als de onze, nu de Christus geboren is, . en nadat ze eeuwenlang den Christus de eere betoond heeft, nu voor zijn goddelijke majesteit de oogen sluit, en na al den zegen dien de Kribbe van Bethlehem onder de natiën en volken heeft gespreid, nog zoo onaandoenlijk van hart kan ? ijn, om, niettegenstaande deze hoogste betoor.ing van Gods liefde, toch de hoogste liefdedaad onzes Gods weg te cijferen, & i.i is een zoo bange uiting van innerlijk verderf, dat ge u bijna afvraagt, als zoo het zout zoute'oos is geworden, waarmee het nog gezouten worden kan.

Want wat zou God nog meer moeten doen? Wie ook na de Kribbe van Bethlehem nog niet aan Gods liefde gelooft, door welk hooger liefdebetoon zou hij overtuigd kunnen worden.'

Is er dan nog meer bij God, dat Hij ons zou kunnen geven en dusver niet gaf.'' Zou er dan een nóg hooger openbaring van zijn goddelijk mededoogen denkbaar zijn !

Ja, dat bleef mogelijk in de dagen van Noach en Mozes en David, toen de Christus nog niet gekomen was. Toen kon er althans nog meer komen, want God had zijn Zoon nog niet aan de aarde gegeven. En als de Christus kwam, dan zou die gifte zijns Zoons alles overtreffen en in de schaduw stellen, wat dusver tot redding van ons geslacht gedaan was.

Maar hoe zou er thans nog iets meerders geschieden kunnen.' Wie, als God zijn Zoon aan de wereld geeft, nog niet geroerd wordt, wat zou hem dan roeren kunnen? God geeft niet minder és^xi zijn Zoon. Die Zoon zijner liefde is het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid. Dien Zoon genereert God in zijn eigen Wezen. In dien Zoon zijns welbehagen is God zelf. Door dien Zoon heeft hij heel de v/ereld geschapen en in dien Zoon al zijn schatten van liefde, macht en wijsheid overgestort. En zoo kan er dus niets, noch in den hemel noch op de aarde gedacht worden, dat dien Immanuël in rijkdom en in waardij van majesteit zou te boven gaan.

Met die gifte des Zoons is de onuitputtelijke rijkdom van Gods ontferniing uitgeput.

Er is niet hooger. Er blijft niets meer te geven over.

En God die zijn eigen eengeboren Zoon aan de wereld gaf, heeft niet meer wat Hij die wereld, boven hem, zou kunnen geven. Meer en rijker en voller de wereld liefhebben kan Hij niet. In die gifte zijns Zoons aan de aard is de liefde Gods voor die wereld voleind.

„Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij haar zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft."

En nu kan God niet verder. En juist dat maakt de zonde van ongeloof en afval, die thans de wereld aangreep, zoo ontzettend. Dit dreigt zonde tegen den Heiligen Geest te worden; zonde der verharding testen Gods eeuwige liefde in.

God heeft de wereld lief.

Natuurlijk niet in haar zondig streven en onheilig woelen. Als zoodanig is vijand Gods al wie een vriend der wereld genaamd wordt. Maar om haar oorsprong; omdat God ze uitgedacht; omdat God ze geschapen heeft; omdat God ze in stand hielden houdt tot op dezen dag.

Niet wij hebben de wereld gemaakt, en alzoo in onze zonde ons eigen kunstproduct mishandeld. Neen die wereld was het uitdenksel, het gewrocht en de schepping van den Heere onzen God. Het was en \% zijn wereld, die Hem toebehoorde, die Hij geschapen had tot zijn glorie, en waarvoor wij met die wereld door Hem waren bestemd. Niet ons hoorde ze toe, maar Hem. Ze was zijns. En zijn goddelijke wereld hebben wij verdorven en verstoord.

En hierm wortelt nu de liefde Gods, dat Hij deze wereld, zijn eigen schepping, zijn eigen wijsheidsgewrocht, zijn eigen kunststuk, dat wij verstoord en gebroken hebben, herstellen en vernieuwen wil, en weer polijsten tot nieuwen glans.

En dat zal er toe komen. Gods bestel mislukt niet, en Hij voert met goddelijke zekerheid uit den raad zijner gedachten. Eens zal die wereld in een nieuwe aarde en een nieuwen hemel volhecrlijk voor God staan.

Maar de kinderen der menschen kunnen inmiddels uit die wereld uitraken. God kan ze, zoo ze niet ophouden willen, zijn wereld te verderven, onwaardig verklaren, om langer aan die wereld deel te hebben, en gelijk Hij ae eens bande uit het Paradijs, zoo ook in zijn jongste oordeel ze bannen uit de wereld, bannen uit dit aardrijk, en wegwerpen in de buitenste duisternis, waar weening zal zijn en knersing der tanden.

En daarom wie met die wereld, gelijk God ze liefheeft, wil behouden v/erden, die grijpe den Zoon aan, dien God aan die wereld gegeven heeft, om die wereld te behouden. Die blijve niet van verre staan, die aarzele niet, maar die vluchte naar Gods vrijsteden; en die vrijsteden zijn Bethlehem en Golgotha, waar God de Heere zijn ondoorgrondelijke barmhartigheden geepenbaard hefeft.

Zij er in dien zin, zij er in dien geest dan ook nu weer onder Gods volk een vieren van ons wonderbaar Kerstfeest.

Geen zich verheugen in uitwendigen jubel; geen zich vermeien ia wat de zenuwen prikkelt of het gevoel streelt; maar een doordringen tot die ondoorgrondelijke liefde Gods, om weer versch die liefde in te drinken, en, van die liefde dronken, zijn God voor zijn onuitsprekelijke gave te danken.

Ook met uw kinderen zult ge bij het Kerstfeest niet spelen. Ook zij zijn gedoopt, ook zij zijn tot bekeering geroepen, ook zij moeten gemeenschap hebben niet enkel met de kribbe en de herders en de engelenreien, maar gemeenschap, zielsgemeenschap van geloof en liefde, met den eengeboren Zoon van God.

De prediking der liefde Gods in Bethlehems kribbe mag r.iet over de hoofden heengaan. Ze moet het hart verwarmen, de ziel roeren, de conscientie wakker schudden, en ook ons met iets van die htili.^e liefde voor de wereld vervullen, waardoor God bewogen werd, om aan die wereld zijn Zoon te schenken.

God had niet maar Israël, neen, maar de wereld alzoo lief. Israël was slechts een tusschenschakel, in het leven der volkeren ingevoegd, om te weeg te brengen, dat uit Davids stam de Messias kon geboren worden. Israël is de halm, maar hij is de rijke volle aire, die door God aan de wereld als het Brood des levens geboden wordt.

En daarom kan ook de Heere niet wederkomen op de wolken, alvorens eerst zijn Evangelie aan alle volken en natiën gepredikt zij. Anders zou de liefde Gods zich niet tot keel de wereld uitstrekken; want in die wereld heeft elk volk zijn beteekenis, en moet elke natie een perelschelp zijn, waaruit vroeg of laat een perel toekomt aan de kroon van Jezus' glorie.

Wondere dingen doet de Heere. Zoo strekt Hij nu weer de hand zijner ontfermingen over Afrika uit. Heel een werelddeel, dat misschien vier duizend jaren in stikdonkeren nacht gehuld lag, en waarvan zelfs de Christenheid soms dacht, dat het buiten den kring van Gods ontfermingen lag gesloten. Maar nu daagt ook voor dat werelddeel het lichf En zoo ligt geen enkel stuk der wereld buiten den afglans zijner eeuwige liefde.

En daarom moet elk Kerstfeest ons ook weer een roeping zijn, om aan dat groote werk Gods in heel de wereld mede te arbeiden, opdat het kruis van Christus van pool tot pool gedragen worde, en de zang uit Efratha's velden een psalm des vredes doe ruischen voor het oor van alle volken over heel de aarde.

Mits ge om die vele volkeren daar buiten, uw eigen land en volk maar niet vergeet.

Hier vooral deed de Heere wondere daden. Zeer bijzonderlijk ontving Nederland een roeping, om een getuige voor den Zone Gods te zijn. En daarom klaagt uw Kerstfeest u aan, zoo ge u, somber en zelfgenoegzaam, om uw volk en land niet bekommert, en zoo het u niet aangaat, of dat Kindeke van Bethlehem ook die breede schare van uw eigen volk, die de wet niet kent, en nog minder het Evangelie kent, zal benedijen en bestralen met zijn lieflijk licht.

Zie toch bovenal op uw eigen vleesch en bloed, op uw zonen en dochteren toe; niet enkel op de jongere, maar ook vooral op de oudere. Ze hooren zooveel stemmen uit die wereld, die ze van God afleiden. De verleiding is zoo hoog geklommen. En wat wordt er dan van uw jonge mannen en jongedochters, zoo ze het oor dichtstoppen voor de engelentonen, die eens in Efratha's velden aan de wereld en in die wereld ook hun zijn toegezongen. Half, zoowat meegaan, baat niet. Heel moeten ze gewonnen worden. Ze moeten bekeerd worden tot den Heere hunnen God, om Hem Hef te hebben voor zijne onuitspr ekelijk liefde met heel hun hart en heel hun ziel en al hun zinnen. Alleen besliste keuze redt.

Wie nx^^^^oor Jezus is, wordt al meer tegem.

En dan zie op uzelven toe.

Ook gij moet Kerstfeest vieren. Niet alleen voor anderen, maar ooi< voor uzelven. Engelenvingren moeten op het Kerstfeest ook over de snaren uwer ziel wandelen. De hemelsche klank der liefde Gods in de gifte zijns Zoons moet een echo ook aan uw borst ontlokken. En ook gij moet in uw eigen diepe onwaardigheid den maatstaf vinden, om daarnaar af te meten de onmetelijke diepte der Goddelijke liefde, die ook voor u zijn eengeboren Zoon schonk, en zich ook naar u toebewoog, om u van het verderf te redden.

De lieflijkheid van J3ethlehem verstaat ge eerst, zoo ge daarttïgenover de ontzettende afschuwelijkheid van de hel plaatst. Want immers die hel zegt u, wat het is, waar Satan u heenlokt, wat de plaatse is die hij u bereid heeft, en wat het onzalig gezelschap der verlorenen is, waar hij u voor eeuwig henen roept.

En daartegenover stelt God u nu zijn Bethlehem. Dat is de plek waar Hij u henenroept. In die engelen toont Hij u, in wat heerlijke zalige omgeving Hij u wil overbrengen. En dat Kindeke van Bethlehem steil Hij tegenover den Verleider die u verlokt.

En als dan ook op uw Kersfeest Satan roepen blijft: „5A!? ^ voor mij de knie en ge zult als God zijnl"; en die engelen blijven roepen van Gods welbehagen in menschen en van eere voor God in de hoogste hemelen, en van vrede op aarde; — wete dan uw eigen ziel, aan wat stem zij gehoor geeft. En mag het dan ook in uw ziel voor den Christus jubelen, o, roem dan niet in uw eigen vroomheid, maar geef Gode en Gode alleen de eere, ja, dank dan uw Vader die in de hemelen is, dat ook gij waardig geacht zijt, het Lam te volgen, waar het ook henen gaat, en als tiW Verlosser dien Immanuël te begroeten, voor wien eens alle knie zich zal buigen en wien eens alle tong lof zal betuigen, omdat hij Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 december 1890

De Heraut | 4 Pagina's

„Alzoo lief heeft God de wereld gehad.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 december 1890

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken