Bekijk het origineel

Het Utr.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het Utr.

4 minuten leestijd

Het Utr. Dagblad bracht ons de vorige week deze niet onbelangrijke mededeeling.

Er is aan de Utrechtsche Universiteit een gezelschap van juridische studenten, waarin stellingen worden verdedigd en bestreden, en waarin na het debat bij stemming wordt uitgemaakt, hoe de opgekomenen over de zaak denken.

In een der samenkomsten nu van deze Debatingclub had de heer W. C. A. van Vredenburch de volgende stellingen aan het oordeel zijner medeleden onderworpen :

1. Hoogescholen met eigen fondsen, door lichamen of particulieren gesticht, verdienen de voorkeur boven die, welke staats-of gemeenteinstellingen zijn.

2. De effectus civilis behoort aan geen enkelen wetenschappelijken titel verbonden te zijn.

Omtrent de toelichting nu van deze stellingen zegt het Utr, Dagblad dit:

Bij de toelichting van zijne eerste stelling zeide defendens, blijkens htt verslag, dat de Vox daarvan bevat, dat hij met opzet woorden in zijne formuleering had vermeden, die in het spraakgebruik algemeen in zwang zijn, zooals ┬╗Vrij Hooger Onderwijs" en ┬╗Vrije Universi teiten", omdat deze daar niet passen, hoewel het toch zijne bedoeling is, dit stelsel te ver dedigen. Na te hebben gewezen op de nadeden der staatuniversiteiten somde defendens de voordeden op aan vrije universiteiten verbonden. Hij wees er op, hoe daar meer een streven naar wetenschap is, hoe er eerder geldelijke steun door particulieren aan verleend wordt, het werken niet alleen op examens, maar veeleer op goede methode gericht is, terwijl de hoogleeraren vrijer, werkelijk priesters der wetenschap, geene staatsambtenaren zijn.

De taak van den staat tegenover de wetenschap besprekende, meende defendens, dat algemeen aangenomen wordt, dat het op den weg van den staat ligt, inrichtingen, die aan gestelde eischen voldoen, te steunen en zoo indirect de wetenschap te bevorderen. De vraag blijft, of de staat geroepen is de wetenschap geheel onder zijne vleugels te nemen, welke vraag door defendens ontkennend werd beantwoord.

Overgaande tot de verdediging der 2 stelling wees hij er o. a. op dat, indien de effectus civilis aan geen wetenschappelijken titel verbonden was, toch de vrije universiteiten er voor zouden zorgen dat de doctorstitel moeilijk was te verkrijgen omdat daardoor hun naam een goeden klank zou krijgen.

Bestreden werden deze stellingen door de heeren studenten Fruin, Rahder, Besier en Van der Nette, en nadat de heer Van Vredenburch gedupliceerd hadden, namen de pro fessoren De Geer en Louter het woord, die zich ongeveer aldus uitlieten:

Prof. De Geer acht de eerste stelling te onbepaald; immers de vraag is alleen of de hoogescholen goed of slecht, niet of zij Staatsol vrije Universiteiten zijn. De deugdelijkheid hangt af van de volledigheid van't onderwijs, van de geschiktheid der professoren en van de hulpmiddelen die ten dienste staan. Vreemd is defendens' bewering dat de Vrije Universiteiten meer onafhankelijk zijn, want zij zijn juist af hankelijk van de personen, die ze hebben opgericht en geldelijk steunen. Evenzoo is het onwaarschijnlijk, dat aan vrije hoogescholen meer de wetenschap dan de praktijk zou worden beoefend. Praktijk is de vrucht van wetenschap en ware theorie en ware praktijk zijn onscheidbaar.

Ook heeft prof. De Geer bezwaar tegen de 2. stelling. De Staat toch moet een waarborg hebben voor de geschiktheid der personen, aan wie hij een staatsambt wil verleenen. Wordt de effectus civilis aan eiken wetenschappelijken titel onthouden dan moet de staat e^n anderen waarborg zoeken nl-een Staatsexamen, welks inrichting eigenaardige moeielijkheden met zich brengt.

Als prof. de Louter opponeert, dan doet hij dit omdat hij de moeite van den heer van Vredenburch apprecieert. Het verheugt hem, dat defendens idealist is, welk idealisme zich vooral openbaart in zijne verwachtingen omtrent de maatschappij, maar dit zijn idealisme gaat gepaard met een wantrouwen jegens den Staat. En dit is ongemotiveerd, want defendens heeft zich geen rekenschap gegeven van de beteekenis van den Staat in zijne verhouding tot wetenschap en onderwijs. Evenmin heeft defendens aangetoond, dat er aan onze universiteiten niet die onpartijdigheid heerschte en die onaf hankelijl^heid, die gewenscht zijn. Vrije universiteiten geven echter daarvoor nog mindere waarborgen.

Al is het optreden van Prof. De Geer hierbij raadselachtig, toch is dit debat verblijdend.

Vooreerst, omdat het reeds veel gevorderd is, dat zulk een diepingrijpende quaestie besproken wordt.

Maar niet minder, omdat men metterdaad verbaasd staat over het onbeduidende der critiek, zelfs door twee hoogleeraren op deze stellingen geleverd.

Althans wie eenigszins van naderbij de gedachtenwisseling over deze quaestie gevolgd is, merkt terstond, dat in dit debat, de beginselen waarop het aankomt, nauwlijks zijn aangeroerd, en dat zoomin de defendens als zijn opponenten genoegzaam op de hoogte der zaak waren, om een eenigszins afdoend debat mogelijk te maken.

Toen heeft men dan ook maar gestemd en beide stellingen dood ver aard, de eerste met 14 tegen 3, de tweede met 11 tegen I stem.

Een stemmental dat tevens geen zeer hoogen dunk geeft van het aantal opgekomenen.

Op honderden juristen stemden over de tweede stelling slechts een dozijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Het Utr.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1891

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken