Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

6 minuten leestijd

Een vervolgd dier.

II.

Hoewel de bever zeker nooit op een bouwschool is geweest, zal toch de knapste dijkgraaf 't hem niet verbeceren, wat betreft het aanleggen van den dijk in den stroom, 't Is als weet het beest op 't nauwkeurigst hoeveel kracht het water bezit, en hoe sterk de dam daartegen dient gemaakt.

Nooit b V. ligt die dijk recht door het water, dat er dan met volle kracht tegen zou drukken, maar altijd schuin of bochtig. Ook is de kant tegen het water hellend en de andere steil.

De dijk wordt vervaardigd uit rijs en takken, die van een halve el tot twee el lang zijn en soms wel een arm dik. Die stukken hout worden dan dicht naast elkaar diep in den grond gestoken. Dan zet de bouwmeester er kleine, buigzame takken tusschen, en om den dijk waterdicht te maken, wordt alles aangevuld met leem of klei. De takken bijt de bever met zijn scherpe tanden af. Op 't laatst is de dijk zoo stevig, dat een mensch er gerust over kan loopen

Zeer wijs is 't dat aan het einde van den dijk een opening gelaten wordt, waardoor het water kan afvloeien. Rijst het water, na zware regenbuien, dan maakt de bever dat gat grooter en in tijden van droogte verkleint hij het. Maar altijd weet hij het water zoo hoog op te stuwen, dat het minstens een el boven de ingangen der holen of buiten van zijn woning staat. Anders toch kon in den winter het ijs eens zoo diep komen en hem den weg naar of van huis afsluiten. Wij bouwen dijken om 't water buiten te houden; de bever doet net andersom.

Is nu echter de dijk ook al af, dan kan de bever nog alles behalve van zijn renten gaan leven, gesteld dat het goede dier die had-Neen, hij moet toch ook wonen. Boven den dam toch naar den kant waar het water vandaan komt, bouwt hij dan zijn zoogenaamde burgt, zijn huis.

Eerst maakt hij een gang, schuins oploopend van den oever naar den grond wat verder, en bouwt dan dicht bij den hoogeren rand aan het water een heuvel, die veel op een oven lijkt en. zeer dikke muren heeft. Zoo'n heuvel is een a twee el hoog en in doorsnee ruim 3 el breed, dus niet klein

el breed, dus niet klein De wanden van het huis zijn net zoo min sierlijk als de bouwlieden, maar heel stevig. Afgeschilde takken en stukken van wilgen, essen en popels zijn de grondstof en worden bijeengehouden door riet, zand en modder, zoodat het een dikken muur vormt. Van binnen is dat gebouw in tweeën verdeeld. Eerst vindt men een gewelfd huisvertrek (maar geen meubelen) en daarnaast een voorraadkamer, waarin de spijs wordt opgezameld, die de bevers in den winter eten. Er is echter niet veel bij, waar gij van snoepen zoudt.

Die vertrekken liggen hoog boven het water. Als dit sterk rijst vlucht de b-^ver in zijn huis en zit daar »hoog en droog" evenal de. boeren bij watersnood op een vluchtheuvel, maar, wel zoo rustig, al heet hij ook »bever".

Lezen en verstaan.

Een vriend die zeker gelezen heeft wat we schreven over de dingen waarop men bij 't maken van een vers te letten heeft, zegt dat het niet weinig lezers van verzen ook aan het goede begrip van 't geen zij lezen ontbreekt. Tot bewijs daarvan verhaalt hij dit: Er is een versje dat luidt:

«Schaapje, 'kzie u nimmer aan Of ik word bewogen; 'k Zie u naar de slachtbank gaan Met een traan in de oogen."

En nu had zeker lezer daaruit begrepen, dat de schapen tranen weenen, doch met alle mogelijke moeite had isog niemand ooit zoo'n huilend schaap gezien.

Wat die vriend opmerkt is volkomen waar, en ook dat men zich zoo vergissen kan. Ik herinner mij dat versje uit vroeger dagen nog zeer goed, vooral omdat het zulk een nare wiis had, dat men daar ook haast »een traan in de oogen" van kreeg, een wijs zeker voor de begrafenis van een schaap gemaakt. Doch ook herinner ik mij, hoe ik die woorden niet begrijpen, kon.

Natuurlijk is de bedoeling dat die laatste regel bij, nk" behoort en dus de man weent die 't ziet, en niet het schaap. De onduidelijkheid zit hierin, dat de woorden niet op hun plaats staan, net b. v. als wanneer ik zei: »Ik heb een peer gekregen van mijn nicht, die ik voor mijn ontbijt bewaar." Dit beduidt dan voor die nicht niet veel goeds : haar wacht dan het lot om tot ontbijt te dienen.

In gewone taal echter kunnen we dat onduidelijke meestal best vermijden, maar hét gedicht heet terecht ook in gebonden stijl te zijn geschreven; het staat onder wetten qn regels. Vooral om het rijm, of om de maat moesten soms woorden omgezet.

Er is een vers waarin iemand vertelt, hoe hij eens van Amsterdam naar Haarlem zou varen in de trekschuit, die toen nog bestond en in werking was.

«Plaats in 't roefje" — riep de schipper, die (verheugd mij nadren zag."

Zoo luidt de eerste regel van dat vers en vele lezers hebben daaruit zeker begrepen dat de schipper verheugd was, omdat er weer eens een reiziger kwam. Maar dat is de bedoeling niet. Want de schippers tusschen Amsterdam en Haarlem hadden het veel te druk om zich over de komst van éên reiziger te verheugen. De dichter bedoelt dat de man zelf blij was, die op reis ging. »Verheugd" moet achter xmij" staan. Maar plaatst men 't zoo dan is de maat verbroken en dat mag niet.

«Dichterlijke vrijheden" noemt men zulke omzettingen en meer dingen van dien aard, die in alle verzen kuunen voorkomen, doch hoe minder hoe beter. Doch dichterlijke vrijheid wil daarom niet zeggen vrijheid om er maar op los te dichten en te schrijven al wat men wil. Neen, wie dat doen wil moet liever nooit een vers maken. Beter geen vers dan ! een slecht. I

AAV VRAGERS.

De jonge vriend die vraagt waarom men voor den naam van een predikant Ds. schrijft, daar toch ieder zegt dominee, heeft zeker wel op school geleerd dat door de verbuiging de woorden veranderen: de en hij worden b. v. in den 4en naamval den en hem.

In 't Latijn nu heet een heer of gebieder Dominus in den len naamval; maar in den sen (want die taal heeft er 6) welke dient om iemand aan te spreken, wordt het Domine i). Dat laatste is dus eigenlijk alleen goed als men tot den leeraar spreekt en niet over hem. Ik zou echter raden maar altijd domine te blijven zeggen, want dit woord beteekent bij ons toch heel wat anders dan in 't Latijn, en wie de 4 andere naamvallen niet weet en evenmin de 6 van 't meervoud, zou toch nog altijd van de 12 keer het ro keer fout kunnen zeggen.

i) Spreek uit Domin«.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1891

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1891

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken