Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De martelaren.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De martelaren.

6 minuten leestijd

LXXXVII.

Het vonnis der vier pastoors.

In den vroegen morgen van den 3oen Mei 1570 werden de vier pastoors naar het hof gebracht, om daar hun vonnis te hooren. Aan palen zouden zij geworgd worden en daarna verbrand, zoo luidde de uitspraak, waarover niemand der veroordeelden zich verwonderd zal hebben. Integendeel, want op het hooren der sententie dankten zij God en omhelsden elkander met eenen kus des vredes. Daarna werden zij weder naar de gevangenis teruggebracht, om ieder op zijn beurt er weer uitgehaald enten aanschouwc van eene groote schare, die uit de stad zelve en van de omliggende plaatsen gekomen was, naar het schavot geleid, üe eerste aan wien het vonnis voltrokken werd, was de grijze pastoor van Lier, Arend Dirksz, die met groote vreugde het bevel, om het schavot te betreden volgde. Daarop sprak hij het volk toe; »Mijne lieve broeders en zusters, bidt den Heere uit den grond uws harten, mij al mijne zonden te vergeven, waaronder ik zoolang verzonken lag; want het is mij van harte leed, dat ik zoolang in deze gruwelijke afgoderij vertoefd heb, en niet vroeger nagelaten heb wat ik nu nagelaten en niet eerder gedaan heb, wat nu door mij verricht is." (Hij herinnerde hen aan het beeld van St. Joris in de Liersche kerk, door hem gebroken.) Daarna voortgaande sprak hij: „Voor den doop heb ik steeds vermaand, volgens het oude gebruik van de gemeente van Christus, en met de Schrift bewezen, ook tegen de Doopsgezinden, dat onzen kinderen de doop toekomt. Hierop wil ik mijn leven verliezen, eamij geheel vrijwillig aan den dood overgeven, om mijn Heere en Meester Jezus Christus te volgen." Dat gezegd hebbende begaf de martelaar zich naar den paal, viel op zijne knieën en bad vuriglijk: »o Heere Jezus Christus, Gij, die, toen Gij u zoudt opofferen en sterven voor onze zonden, uwen geest in de handen van uwen hemelschen vader hebt overgegeven, ik bid u, door uw bitter lijden, mij in uwe genade op te nemen, mijne geest te sterken door uwen Geest, en mijn geest in uwe handen aan te nemen. Amen." Dit gebed werd door het volk, dat diep in de ziel bewogen was, met ontbloot hoofd aangehoord en met Amen beantwoord. Toen stond Vos op, plaatste zich willig aan den paal en riep; »o. Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest, o Jezus Christus, wees mij genadig.'' Daar voelde hij den strop om den hals en hij riep met luider stemme in het latijn: »Onze vader, die in de hemelen zijt. Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op aarde, Geef ons heden ons dagelijksch brood. Vergeef ons onze schulden".... aan deze woorden gekomen, werd de strik aangetrokken, en de martelaar ontsliep in den Heere.

Na Vos kwam de Scheveningsche leeraar Sybrand Jansz. Zijn gelaat vertoont nog iets van ouden blos der ge­ zondheid, dien zelfs het lijden van de laatste weken niet geheel heeft kunnen wegvagen. Nadat hij het schavot betreden had, ontdeed hij zich van zijn mantel en begaf zich naar den paal. Toen den blik richtende naar het lijk van zijn ambtgenoot, die hem voorgegaan was in den dood, zeide hij: »Vaarwel mijn lieve broeder Arend Dirksz." Tegelijk viel hij op zijne knieën en dacht alleen aan den Heere, dien hij lief mocht hebben boven zijn vrouw en kind. Hoort hem bidden: o Genadige Heere en Vader! ik belijd, dat ik zwaar tot op dezen oogen • blik heb gezondigd, en niet waardig ben mijne oogen op te slaan naar den hemel. Ik bid U door de verdiensten van Christus, uwen eenigen Zoon. Amen." »Amen" klonk het over de geheele plaats uit den mond des volks. Toen begaf zich de martelaar naar den paal en liet zich binden. Met de bede: »Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest, " scheidde hij uit deze wereld.

Indrukwekkend was ook het sterven van den pastoor van IJsselmonde. Terwijl hij het schavot betrad, drong zijn vader tot hem door en zeide: »Mijn lieve zoon, strijd nu vroom, want de kroon des eeuwigen levens is u bereid " Hij wilde voortgaan, maar de dienaren des gerichts beletten dit. Terstond daarop kwam zijne zuster om hem te zeggen : »Lieve broeder, strijd vroom; het zal niet lang meer duren ; het eeuwige leven staat voor u open." Deze tooneelen en de kalmte waarmede hij den marteldood tegenging, bewogen de schare tot tranen toe. Intusschen viel Adriaan Jansz op de knieën en bad: »o Jezus Christus, Onze broeder, Gij hebt u voor het oordeel des hemelschen Vaders gesteld om onzentwil. Geef dat nu alle vervloekingen van ons worden wegge­ nomen. Wij verwachten U uit den hemel als onzen Verlosser; verander nu onze vernederde lichamen, waarin wij U geheiligd hebben door den Geest; laat hen aan uw verheerlijkt lichaam gelijk worden, door de kracht, waarmede Gij alle dingen aan U onderwerpt. Sterk ook al onze medebroeders, die nu nog in lijden verkeeren, met de kracht van uwen Heiligen Geest. Amen." »Amen" was ook ditmaal het antwoord van het ontroerde volk. Toen hij aan den paal stond, kuste hij hem en liet zich binden. Nog eene waarschuwing tegen het pausdom, en de strik werd nauwer aangehaald. Zoo stierf Adriaan Jansz. als getuige des Heeren.

De laatste, die naar het schavot gebracht werd, was Wouter Simonsz. Ofschoon zwak naar het lichaam door ziekte, was hij sterk in den Heere, toen hij op het schavot stond. »Ik dank U, lieve hemelsche Vader, dat Gij mij daartoe uitverkoren hebt om medegenoot te zijn des lijdens van Jezus, om met Hem verheerlijkt te worden. Laat toch onze daad goed en kostelijk zijn voor U. Niet dat hij eene voldoening is voor onze zonden, want dat is alleen de dood van uwen e enigen Zoon Jezus Christus, maar dat hij zij de afsterving onzer zonden en alzoo de toegang tot het eeuwige leven, opdat wij van den tweeden dood verlost worden, Amen." »Amen, " zoo bad het volk meê. Daarna stierf hij aan den paal, den naam des Heeren aanroepende.

Zoo verheerlijkten vier pastoors God den Heere in hunnen marteldood, waarvan de herinnering tot onze tijden is blijven leven in Christus' kerk.

DE GAAY FORTMAN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 maart 1892

De Heraut | 4 Pagina's

De martelaren.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 maart 1892

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken