Bekijk het origineel

„Smelten als een mot.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Smelten als een mot."

6 minuten leestijd

Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechliglieid, zoo doet Gij zijne bevalligheid smelten als eene mot; immers is een ieder mensch ijdelheid. Psalm 59 : j2.

sKastijdt Gij iemand met straffingen, " zoo roept David uit, »dan doet gij zijne bevalligheid smelten a's een rnot. Immers is elk mensch ijdelheid!"

David kon zoo spreken, omdat David blijkbaar veel ziek is geweest. Nergens minder dan in de Psalmen vindt ge gedurig toespelingen op allerlei krankheid. Soms zelfs is het bijna mogelijk den aard van Davids krankheid uit dezen of genen Psalm op te maken. Zoo b.v. uit Psalm 38, waaruit blijkt hoe na David aan den dood is geweest.

En nu is men wel gewoon tal van zulke zielsbetuigingen geestelijk te duiden; iets wat om den samenhang tusschen ziel en lichaam ook mag; maar toch blijft het f licht eerst te vragen wat David rechtstreeks bedoeld heeft.

Door dat te doen, zou ook het ziekbed meer zijn plaats in de predicatie des Woords vinden, en bij het krankenbezoek zou de Dienaar des Woords merken, hoe zijn taal, zijn spraak en zijn voorraad van heilige bestiering en vertroosting was verrijkt.

De krankheid is zulk een gewichtig element in het huislijk leven, en ook in het geloofsleven van Gods kinderen, zoo men dit breede terrein, waarop zooveel smarten en zooveel angst wordt uitgestaan, buiten het heilige sluit.

Ja, men mag zeggen, dat een aanmerkelijk deel van het doel, waarmee God de Heere ons allerlei krankheid toezendt, geheel teloor gaat, zoo de rijke onderwijzing van het Woord over het ziekbed, uit slordigheid ofdoorovergeestelijkheid niet tot haar reeht komt.

Sta daarom ook een oogenblik stil bij wat de Psalmist zegt van de snelle uitpi; tting van kracht, die den Igder door zoo menige krankheid overkomt.

Dan smelt, zoo roept David uit, onze bevalligheid ah een mot. Of liever nog, want ook hiervan is de Heere God de bewerker, dan doet Hij onze bevalligheid als een mot wegsmelten.

Vooral bij wie nog in de kracht zijns levens is, merkt ge dat. Dan was er eerst bloeiende, soms blozende gezondheid. Spieren die het uit konden houden. Krachtige polsslag in het bloed. Een frisch en bezield uiterlijk. Een oog dat door zijn glinstering u toesprak.

Maar nauwlijks begon de kiem der ziekte zich te ontwikkelen, en zette het kwaad door, of die kracht brak, die spieren werden slap, dat oog doffer, zwakker de stem, en al vrat nog voor kort bezielde en u toesprak is plotseling verdwenen.

Als ge bij het ziekbed komti, en ge hebt den overgang niet van dag tot dag meegemaakt, dan herkent ge den lijder ternauwernood. Zoo is alles veranderd.

Men zegt wel eens': versmolten als sneeuw voor de zon; maar de Psalmist gebruikt een nog aangrijpender beeld.

Zooals ge een mot vangt, en in de vingers stukwrijft, zoodat ge ternauwernood merkt, waar de mot blijft, zoo ook versmelt die bevalligheid en die manlijke kracht, die vóór de krankheid u zoo boeide.

Dan leert wie lijdt en wie om zijn ziekbed staan, hoe toch alle mensch ijdelheid is.

In gewone dagen kennen we tweeërlei soort menschen. Sterken en zwakken. En met die zwakken lijden we mee, omdat we zoo gevoe.

len hoe zwaar hun elke nieuwe stap op den levensweg valt. Maar bij die sterken ontvangen we veeleer een indruk van kracht, alsof de gewone menschelijke ijdelheid htm deel niet ware. Men lacht ze uit, als ze over iets klagen.

En door dat gevoel van kracht en dien spotlach verwend, gaan ze zich zalven maar al te licht inbeelden, dat er voor hen minder oorzaak is, om eiken morgen en eiken avond hun welstand telkens opnieuw te begeeren van den God huns levens.

Maar in de ziekenkamer heeft dit verschil uit. Dan is ook de sterke doodzwak geworden, en zelfs is het, of de ontzettende overgang van sterkte naar uitgeputheid, de zwakheid van den sterkere nog meer doet uitkomen.

den sterkere nog meer doet uitkomen. Dan ziet men eerst hoe bijna niets er noodig was, om dien krachtigen mensch als een hulpeloos kind neder te werpen.

Immers, zoo roept David uit, is alle mensch ijdelheid.

Zelf was David ongetwijfeld een sterk, krachtig man, en toch hij had het zelf ervaren, hoe God als in een oogenblik hem tot een bevende ziel had gemaakt, hem, die eens als een eik in het woud anderer jaloerschhcid had gaande gemaakt.

Dan kastijdt de Heere met bestraffingen om de ongerechtigheid, getuigt David.

Niet natuurlijk alsof wie gezond bleef niet gezondigd had, en alsof wie krank werd, in bijzondere ongerechtigheid was ver'C^allen.

Dit weet wie zijn zieke oppast wel beter, en althans de goede verpleger of verpleegster is altoos meer om eigen zonde bekommerd dan om de zonde van wie zoo doodelijk krank neerligt.

Ernstige krankheid spreekt altijd tot de conscientie van wie aan zijn ziekbed staat.

Maar nooit mag daarom vergeten, dat er zonder zonde geen krankheid en geen doodsangst zijn zou.

Alle krankheid is een voorspel op den dood, en is er dus alleen om der zonde wil.

Maar die kastijding van de krankheid rekent niet individueel, gaat niet per hoofd, en wordt niet man voor man naar de mate van een iegelijks zonde toegemeten.

Deze kastijding gaat over allen; ze wordt uitgestort over de massa, en God deelt krankheid uit naar zijn goddelijk bestel, juist opdat niet alleen eigene, maar ook anderer krankheid ons treffen en veroormoedigen zou.

Krankheid is een gemeenschappelijk lijden, dat hoogst ongelijk verdeeld is, waardoor God ons onderwijst, dat we niet alleen onze persoonlijke zonde, maar onze gemeenschappelijke zonde hebben, en dat zijn heiligheid niet het minst hiertegen toornt, o, Als er geen krankheid ware, hoeveel overmoediger zou de mensch staan.

En ook hoeveel liefde en hoeveel toewijding, die nu uitkomt, zou dan nimmer ontloken zijn.

Toch blijft de hoofdprediking van zulk een versmelten van de kracht van den lijder onze ijdelheid.

Niet het minst in zulke bange dagen moet de les onzer diepe afhankelijkheid geleerd.

Van diepe afhankelijkheid otider en buiten de medicijnen.

Want wie God pas aanroept, als er geen kruid voor gewassen is, die verstaat de hoogheid des Heeren niet, en miskent de vertroosting die Hij, en Hij alleen, ons in de medicijnen gaf.

o, Het is zoo ongerijmd, bij elk stuk brood dat ge neemt, om Gods zegen te vragen, en aan dien zegen geen behoefte te hebben, als ons leven aan een zijden draad hangt, en het medicijn al is wat we gebruiken.

Maar die les van onze diepe afhankelijkheid moet niet tot de ziekenkamer beperkt blijven.

Doel van uw krankheid is niet, dat ge eens voor eenige maanden van God zoudt afhangen, en straks, als ge weer een veer van den mond kunt blazen, uw God weer vergeten zoudt.

Het is een les voor het leven, die op de ziekenkamer moet geleerd worden.

Een herstelde kranke moest nooit weer zijn diepe afhankelijkoeid van zijn God vergeten kunnen. En wie om hem stonden moesten het aan hem geleerd hebben, hoe volstrekt niets ook zij buiten hun God zijn.

Op ziekte moet het geloof van Gods kind een eigen werking doen.

Zeker, om niet te morren, en niet te veel te klagen; maar ook en niet minder, om beter dan anders die moeilijke les te leeren verstaan, dat het alles ijdelheid is, en dat alleen wie in Gods hand rust, vrede van binnen heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 juli 1892

De Heraut | 4 Pagina's

„Smelten als een mot.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 juli 1892

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken