Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Gezaaid in verderfelijkheid.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Gezaaid in verderfelijkheid.”

9 minuten leestijd

Alzoo zal ook de opstanding der dooden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opge wekt in onverderfelijkheid. I Cor. 15 : 42.

Een kundig geleerde, die uit het Synodaal genootschap naar de kerk van Rome was overgegaan, klaagde er onlangs over, dat onder ons Gereformeerden het lijk van onze afgestorvenen zoo achteloos pleegt behandeld te worden.

Hij onderstelde, dat de scheiding van ziel en lichaam in het sterven nog niet voltooid was, en dat de afgescheiden ziel dus nog zekeren tijd behoefde, om zich geheel van het lijk los te maken, of uit het vertrek en de woning, waar het lijk stond, weg te komen; en dat het deswege voor onze afgestorvenen zoo pijnlijk moest zijn, indien men hun lijk in het donker liet liggen, en er niet bij bleef, om te bidden en te waken.

Daarom trok Romes usantie hem zoo aan. Immers in Roomsche gezinnen laat men meestal kaarsen bij het lijk branden, en hetzij de familiebetrekkingen, hetzij liefdezusters, blijven er gemeenlijk tot aan de begrafenis, dag en nacht, bij, om op het lijk toezicht te houden, en bij het lijk te bidden.

Nu zij al aanstonds hiertegen opgemerkt, dat deze lijkbewaking meer een zaak van weelde is. Als er Protestantsche vorsten of vorstinnen sterven, blijft er evenzoo licht bij het lijk branden, en wordt op gelijke manier het vorstelijk lijk dag en nacht bewaakt; terwijl omgekeerd bij de armere gezinnen ook onder de Roomschen van dit bewaken van het lijk vaak zeer weinig komt.

Tot op zekere hoogte hangt deze schitterende lijkbewaking'meer met den dusgenaamden splendor ecclesiae saam, d. i. met de neiging in Romes kerk, om op elk terrein met zekeren praal op te treden.

Toch schuilt er meer in.

Er uit zich ook de Roomsche voorstelling in, dat de overgang uit dit leven in de zaligheid niet op eenmaal door den dood voltooid is; maar dat er zekere tusschentoestandna den dood komt, dien men het vagevuur noemt; en dat het de bemoeinis van de kerk op aarde is, waardoor de afgestorvene zielen uit dit vagevuur moeten verlost worden.

Daarom bidt Rome voor haar afgestorvenen. Daarom houdt het missen voor de dooden. En daarom doen de nabestaanden van den afgestorvene nog allerlei offeranden en goede werken, in stil vertrouwen dat die den afgestorvene ten goede komen, en zijn lijden verzachten.

Doch hoe aandoenlijk dit ook schijne, en welke nawerking der liefde er ook uit spreke, er ligt dan toch in, dat Rome zich haar dooden na den dood als in een toestand van lijden denkt, waaruit ze eerst van lieverlee kunnen verlost worden, terwijl wij, met onze ouden, belijden, dat wie zalig in zijn Heiland afsterft, eeuwige vretigde smaakt van den jongsten snik aan.

En vraagt ge nu, wat het menschelijk hart meer toespreekt, om na zijn sterven veel aandoenlijke liefde bij zijn lijk te ontwaren, maai: zelf dan ook in een vagevuur te zijn, of wel om terstond na zijn ontbinding met den Heere te wezen, dan draagt ook hier onze Gereformeerde belijdenis zeer stellig de kroon weg.

Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven, van nu aan!

Gerefor­ Hiermee is echter lang niet alle meerde practijk goedgekeurd.

Niet zelden toch heeft men zich aan een behandeling van het lijk gewend, die tegen de eischen der liefde en der piëteit geheel indruischt.

Dan laat men, zoodra de dood is ingetreden, al wat verder te doen is, aan vreemden over. Oudtijds waren dit dan nog de buren; maar thans meest gehuurde en betaalde personen. Bij deze mannen spreekt dan het hart niet; en zelfs het menschelijk gevoel is niet zelden^ door het altoos afleggen en altoos kisten, afgestompt.

Wat sterke drank is in sommige plaatsen bij dezen droeven arbeid dan ook regel. En dan, helaas, zijn de gevallen niet zoo zeldzaam, dat er met een lijk gespot, en het lijk op oneerbiedige wijs behandeld wordt.

En dit nu mag niet. Dit is schending van den eerbied, dien men ook aan een lijk, omdat het een menschenlijk is, schuldig blijft. Hierin spreekt gemis aan ontzag voor den dood. Een ruwheid, die kwetst en ergert.

Zelfs de gewoonte, om een lijk in een schuur of stal weg te zetten, en er niet meer naar om te zien, totdat het wordt uitgedragen, verraadt een gemis aan menschelijk medegevoel, dat we allerminst verontschuldigen.

Niets willen Gods kinderen weten van zekere lijkvereering. Een tentoonstelling van een lijk op een praalbed stuit hun tegen de borst.

Bloemen en kransen hooren bij de wieg en bij het bruidskleed, maar nooit bij de doodsbaar.

Dat gedurig aanraken en kussen van het lijk is een uiting van hartstocht, die bedwongen moet worden.

Heilige kalmte en stille ernst is de gemoedsstemming, die bij de lijkbaar onzer dooden voegt.

Maar juist die stille, ernstige stemming des gemoeds wil niet gekwetst zijn, door wat het gevoel deert of hindert.

En daarom weg bij het lijk met alle vertoon, maar ook bij het^ lijk voegzame eerbied voor den doode.

God zelf teekent het oogenblik, waarop ge van het lijk u zult afkeeren.

Terstond na het sterven heeft het lijk iets dat aantrekt. En vooral eenige uren na het sterven, als onze doode is afgelegd, kan een lijk, o, zoo schoon zijn, vooral in tegenstelling met den pijnlijken trek, die aan het sterven voorafging. Alleen bij de aanraking gevoelt ge dat de Isvenswarmte week, dat de kilte van den dood is ingetreden, en dat hetgeen daar voor u ligt, dood is en niet meer leeft. Maar overigens zoekt ge er den levenden persoon nog in. Het is of het gelaat u nog toespreekt. En het zou u niet vreemd zijn, zoo dat oog nog even wierd opgeslagen en die mond u nog een laatst vaarwel toesprak.

Zoolang nu die aandoenlijk schoone toestand nog aanhoudt, noodigt God zelf in en door het lijk u uit, om bij het lijk van uw doode te verwijlen. Het sloot u nog niet af; het boeit u nog; het kan u nog bekoren. Erin heilige stilte op te staren, doet u weldadig aan.

Er is dan nog geen bederf. En daarom denkt ge nog aan geen begraven; ook al was het maar om zeker te zijn, dat ge met geen schijndoode te doen hebt.

Dat schoone lijk is u nog lief.

Maar lang duurt dat niet. Bij ziekten die het bloed aangrepen, zelfs maar zeer'kort. En dan komt al spoedig op het vale marmer van het lijk de blauwe, straks de zwart-roode plek. Die ontbinding gaat voort en voort. Wat straks nog schoon was, wordt nu stuitend en afzichtelijk. En ook de doodslucht, die van het lijk u tegenademt, zegt u, dat dat lijk u niet meer toebehoort, dat het weg moet naar het graf.

Maar... en dat is bij het zoo aandoenlijk scheiden van het lijk onze roem en onze heerlijkheid, we weten, dat hoe diep dat lijk ook door bederf en ontbinding in verderfelijkheid ondergaat, het toch gezaaid wordt.

Het is niet een onooglijke massa, die wordt weggeworpen, om er van af te zijn. Begraven is zaaien op den doodenakker. Het toevertrouwen aan de aarde van een zich ontbindend lijk, dat vergaat, maar in dat lijk een kiem, die, gezaaid wordt, om als Christus op de wolken wederkomt, bij de wederopstanding des vleesches, ook die kiem te doen ontluiken.

De ziel van wie heenging lijdt onder het intreden van dat bederf en dat indalen in het graf, natuurlijk geen oogenblik.

Onze ziel heeft een eigen bestaan, dat wel in de schepping aan het lichaam gebonden is, en eens weer met een lichamelijk bestaan zal gepaard gaan; maar toch kan die ziel door God van het lichaam worden losgemaakt, gelijk Hij ze er eens aan verbond; en , zoodra de dood intrad en voleind wierd, deert wat met dit lijk geschiedt, de ziel niet meer. Of ze de lijken onzer martelaren al tot asch verbrand hebben, en of de lijken onzer schepelingen al door haaien verslonden worden, daar weet de ziel niets van. En God de Heere is machtig over de kiem van dat lijk te waken, geheel onverschillig of de zee het verslindt of dat het door vuur verteerd v/ordt. Ook in die diepte der zee, en ook in de knettering van de houtmijt wordt er altoos gezaaid.

Gezaaid in verderfelijkheid, gelijk elke tarwekorrel vergaan moet en ontbonden moet worden, om er den halm uit te doen oprijzen; maar toch in die verderfelijkheid gezaaid, zoodat er uit dat tarwezaad een nieuwe plant, en uit dat vergane lichaam van uw doode eens een nieuw lichaam voorkomt.

De ziel van wie heengaat, voleindt haar lot in het sterven zelf.

Voor die ziel hangt alles aan den Middelaar, het een en al voor eeuwig aan den Zone Gods.

Bond, eer ze uit het lichaam scheidde, een levens-en geloofsband haar aan den Man van sraarte, den Koning der heerlijkheid, dan snijdt de dood zelf voor haar alle gemeenschap met de zonde af, en kan geen vallei * der schaduwe des doods, en geen Satan die ons verderven wil, ons van de liefde Christi scheiden. Dan is het ontbonden, om eeuwig met den Heiland te zijn.

Over het andere geval zwijgen we liefst. Het is zoo ontzettend. Een ziel die los van Jezus sterft. Haar bindt in eeuwigheid niets meer aanden volzaligen Middelaar. En geen gebeden of smeekingen van wie achterbleven kunnen die ziel meer redden van het eeuwig verderf.

Hier, vóór het sterven, moet het voor eeuwig beslist zijn.

Maar stierf, wie heenging, in Jezus, 't zij het kind door nog onbev/uste genade, 't zij de volwassene door bewust geloof, dat uit die genade ontkiemd was, dan waakt diezelfde Heiland, die uw ziel houdt, ook over uw stof, dat aan de aarde wordt toevertrouwd, en moogt ge het stoffelijk overschot van uw doode aan uw Heiland aanbevelen.

Immers wat in verderfelijkheid moet ondergaan, om gezaaid te kunnen worden, het wordt eens opgewekt in onverderfelijkheid.

En dat gaat niet toe als een proces, dat vanzelf loopt. Ook de tarwekorel schiet niet vanzelf uit, maar God brengt dat tarwezaad uit zijn graf te voorschijn.

En zoo zal het ook hier wezen.

Vleesch en bloed zullen het Koninkrijk van God niet beërven, en zoo mag ook vrij al wat vergankelijk is aan het lijk van uw doode vergaan, en, in zijn deelen ontleed, door de aarde worden opgezogen.

Stof zijt ge, en tot stof zult ge wederkeeren.

Maar wat in dat lijk de kiem des lichaams is, en alzoo in dat graf gezaaid wordt, dat wekt Christus eens op.

Aldus toch luidt het heerlijk woord der belofte, dat hij door zijn apostel aan al Gods kinderen liet toeroepen:

»Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan zijn heerlyk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen zich zelven onderwerpen kan" (Phil. 3 : IS).

KuYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 11 September 1892

De Heraut | 4 Pagina's

„Gezaaid in verderfelijkheid.”

Bekijk de hele uitgave van Sunday 11 September 1892

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken