Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het vijfde Gebod.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het vijfde Gebod.

17 minuten leestijd

ZONDAGSAFDEËLIIVG! XXXIX.

Alla ziel zij de machten, | 'óver haar gesteld, onderworpen ; want er is geene macht 1 dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God verordend. Rom. 13:1.

IV.

Zoo is dan het vijfde Gebod de band der menschelijke saamleving, zoowel in het huisgezin als in den Staat. Ter instandhouding van de menschelijke saamleving schuilt in dit vijfde Gebod tienmaal meer kracht dan in bajonet of sabel. En hoe meer het ongeloof er in slaagt, otn ook dit vijfde Gebod van zijn Goddelijke sanctie te berooven, hoe dreigender het losser worden van dien band der saamleving zich zal vertoonen. Daarom worde ook bij dat: „Eer uw vader en uw moeder" nooit een oogenblik vergeten, dat het de almachtige God, de Schepper van hemel en aarde, is, die u ook deze ordinantie als gebod oplegt. Ouders die om zich zelfs wille eerbjed van hun kinderen eischen, slaan dus den bal geheel mis, en misbruiken het gebod des Heeren ten eigen profijt. Üp zichzelf is vader, en is evenzoo moeder, niets dan een creatuur, en onder de creaturen in zonde vervallen. In hen zelven is dus niets, waarom ze te eeren zouden zijn. Immers ook van hen geldt wat Jesaia uitroept: „Vrees niet voor den mensch, wiens adem in zijne neusgaten is, want waarin is hij ie achtenf' Over zulke uitspraken in de Schrift moet ge nu nooit heenlezen, evenmin ze als exclamatie dienst laten doen, maar ze toepassen, eerst, let daar wei op, op tizelven, en voorts op alle personen in uw omgeving, dus ook op uwe ouders. En wees niet beducht, dat dit afbreuk aan uw eerbied zal doen; mits ge maar let op het beding, dat ge het woord van Jesaia eerst op u zelven hebt te laten slaan, en indien voorts de majesteit Gods u maar toespreke in het ouderlijk gezag.

Die majesteit Gods is en blijft dan ook bij dit gebod het vaste uitgangspunt. Hij is de Heere en gij zijt niets voor Hem. Ge zijt een druppel aan den emmer en een stofke aan de weegschaal, en alle volkeren zijn als niets voor Hem geacht. Tegen Hem heeft niemand iets te zeggen, maar Hij heeft in den meest volstrekten zin alles te zeggen over allen. Immers Hij schiep ze, ze zijn creaturen, en deswege doet Hij met alle schepsel naar zijn welgevallen. Onderwerping van den éénen mensch aan den anderen komt dus nooit tepas, tenzij Hij, de Heere uw God, dien andere over u stelt. Zoo is dus Gods souverein zeggenschap over alle creatuur de eènige bron van alle zeggenschap van den éénen mensch over den anderen, en elke macht die niet , in Gods souvereiniteit gegrond is, mist elk ' gezag.

Dit gezag van mensch over mensch hee-t God de Heere nu, gelijk we zagen, in twee dingen gefundeerd, én in het lichaam én ia de ziel. Het »Eer uw vader en uw moeder" is in ons lichaam gefundeerd door onze geboorte uit hen, zoodal we vleesch van hun vleesch zijn; en gefundeerd in de ziel door zijn gebod. Dit laatste wil niet zeggen, dat pas op Sinaï deze ordinance ontstond; want ook hier geldt, dat op Sinaï nists betuigd is, dat niet oorspronkelijk, potentieel, den mensch als gebod Gods in zijn ziel was ingeprent. Zoo ziet ge dan ook, Loe bij taï van ilei'densche volken, die nooit van Sinaï hoorden, toch dit gebod van het eeren der ouders een macht wierd. Nu nog, na den zondeval, werkt dit natuurlijk besef, door Gods algemeene genade, zóó machtig na, dat het over heel de wereld de saambindende macht der samenleving is, zij het ook in veelszins vervalschten vorm. En gelijk nu de saambinding van het huisgezin door de geboorte in h.Q'é^lichaavi, en door het qebod m de ziel, ligt verzekerd, evenzoo ligt de saambinding van een volk gefundeerd in lichaam en ziel beide. In het lichaam door de opkomst van elk volk uit stamverwantschap, en in de ziel door het: »Alle ziele zij alle macht die over haar gesteld Is, onderdanig." Terwijl eindelijk de zedelijke macht, waardoor deze band zijn klem oefent, niet is] de liefde, noch ook het dankbaar gevoel, maar. de gehoorzaamheid. Wei toch wordt deze band door dank en liefde gesterkt en geheiligd; maar de eigenlijke natuur van dezen band mag nooit ter wille van het teedsr gevoel vervalschi: worden; en daarom moet de eisch blijven gelden, dat de tucht der gehoorzaamheid beide én het huisgezin én het leven der volkeren saambinde.

Dit geldt dus ook van de Overheden; want hoe groot ook het geluk van een volk zij, waaraan het mocht te beurt vallen, om in een Willem den Zwijger den stamvader van zijn koninklijke dynastie te begroeten, toch mag nooit gezegd, dat onze toewijding aan de zaak van ons vaderland rust in de liefde die \ve aan het Huis van Oranje toedragen, noch oukinde traditiën van de groote Oranjes, die de 16de e», 17de eeuw heeit aanschouwd. Die innige verkleefdheid aan onze Oranjedynastie i-! wel een heerlijk iets, dat er bijkomt, en die glorieuse herinneringen spreken ons v/el toe; maar toch is dat nooit de grond, en ma^ het nietzijn, v/aarom we onzen koning of onze koningin hebben te eeren. Grond van onze onderworpenheid aan de macht die over ons regeert, is en blijfc altoos Gods heilig gebod, en ook wat tegenover koning of koningin van ons gevraagd wordt, is niet in de eerste plaats liefde, maar gehoorzaamheid, In dit opzicht staat dit gebod tegenover ouders of overheden volkomen gelijk. De eere die we hun hebben toe te brengen, komt hun toe, noch omdat ze zoo voortreffelijk noch omdat ze ons zoo lief zija, maar omdat ze door God over ons gesteld zijn. Nu mag dit bij een vader of vorst, die in sterke mate u liefde afdwingt, meer vanzelf en gemakkelijk gaan, maar toch ook een vader, die u bedroeft, of een vorst, die door zijn wetten en maatregelen uhet leven bemoeielijkt, moet, wat de gehoorzaamheid aan zijnebevelen betreft, even stipt en willig door u geëerbiedigd worden; want goed of kwaad, de vader en de vorst blijven bekleed met de autoriteit, die God op hen gelegd heeft. Ze zijn zijn instrumenten; de organen van zijn wil.

En werpt ge nu tegen, dat toch gedurig allerlei vaders ea moeders, en zoo ook allerlei vorsten en vorstinnen, dit gezag misbruikt hebben, de opvoeding van kroost en volk hebben verwaarloosd, en alzoo oor­ .^^mm zaak zijn geworden, dat lun gezin te gronde, of het volk zedelijk en sociaal achteruitging, dan is dit volkomen waar, saaar dit verzwakt het vijfde G.: ? bod/e.'s - vat hieruit voort-j vloeit, in het minste niet. Waren er menschen zonder zonde beschikbaar, dan zou God de Heere de zoodanigen met macht over de volken bekleed hebben; doch ze ziJQ er niet. Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. God kon dus niet anders dan zondaren of zondaressen over de volken stellen, en kon ook u niet anders dan uit een zondigen vader en moeder laten geboren worden. Het is dus niet Gods schuld, m.aar de schuld van ons zondig geslacht, dat er over een zondig geslacht alleen zondige personen met macht kunnen bekleed worden. En als ge nu indenkt, hoe alle zonde uit geestelijken hoogmoed én van Satan én van Adam opkwam, dan spreekt het toch wel vanzelf, dat ge een zondig mensch nooit met zulk een macht bekleeden kunt, of die macht .^elve brengt de verleiding mede, om haar te misbruikers. Het is dus volstrekt niets vreemds, zoo die macht misbruikt wordt, maar eer te verwonderen, zoo ze niet wordt m.isbruikt. En uit dien hoofde kunt ge veilig zeggen, dat het een stuk van Gods algemeene genade is, als Hij aan een volk vorsten schenkt, geüjk Engeland er een in Willem III, onzen Prins van Oranje, ostving; en dat het evenzoo een teeken van Gods gunste is, zoo een kind zeggen mag een vader te bezitten, die hoog in zijn schatting staat, of een moeder, die beseft hoe de van God ontvangen macht ten best? van haar kroost moet aangewend.

Bovendien zijn het op staatkundig.gebied niet zelden de volken, die de vorsten slecht maken. Terwijl toch reeds in de macht die ze ontvingen, zulk een gevaarlijke verleiding voor hen ligt, omringt nien toch de troneii niet zelden met een kring van laffe vleiers, die de vorste.rs bejegenen, alsof ze goden waren. Men baadt de vorsten in een weelde, zoo overstelpend, dat geen menschenhart er gezond en frisch in kan blijven. En het gevolg is, dat de meeste vorsten nist in de wezenlijke v/ereld, maar in een schijnwereld leven, gelijk die door den kring der hovelingen voor hen getooverd v/ordt. In dit alles nu is de leugen, is een vergeten, dat de vorst een creatuur blijft, en is een te kort doen aan de eere Gods, die ook van de vorsten zelven eere wil ontvangen. Daardoor ontstaan dan die valsche toestanden, die, gelijk onder Lodewijk XIV en XV in Frankrijk, het leven van het volk geheel van het levea van het hof scheiden. Tot dan eindelijk de vreeselijke Nemesis in den hartstocht van het oproer uitbreekt, en den vorst dien men eerst te sterk opzijn troon, als ware bij een god, bewierookt had, op het schavot laat sterven, als ware hij een verrader. Ge ondermijnt daarom juist het gezag der vorsten, zoo ge den moed mist om ook tegenover het vorstelijk gezag de eere Gods in het vijfde Gebod te handhaven. Wie wierook voor de vorsten ontsteekt, vergiftigt hun hart. En wie door valschen schijn ze uit de wezenlijke wereld ia een ingebeelde wereld van eigen heerlijkheid overzet, zaagt de stutten weg, waar hun troon op rust.

Had men het vijfde Gebod in goede eere gehouden, dan zou allicht de gsheele tegenstelling tusschen het vorstelijk gezag en de volkssouvereiniteit nooit zijn opgekomen. Beide toch worden bij die tegenstelling zóó opgevat, alsof hetzij in den Vorst, hetzij in het Volk de bron zou schuilen voor een absoluut gezag. En dit nu juist is te eenenmale onwaar. Uit eigen hoofde souverein is noch de vorst noch het volk, en men zou heel wat valsche begrippen gestuit hebben, , indien men het v/oord van souvereiniteit nooit anders dan van de Oppermacht des Heeren gebezigd had. Souverein beteekent nu eenmaal, dat ik niemand boven mij heb. En nu kan men dat wel zoo uitleggen, dat men een vorst souverein noemt, omdat hij in zijn rijk, — onder de menschen, niemand boven zich heeft, maar in den grond is toch dit zeggen onjuist. Ook in zijn rijk toch is de vorst slechts plaatsbekleeder, en ook in zijn rijk heeft hij wel terdege God den Heere boven zich. God, niet hij, is de souverein ook over ^ryw volk. De uitkomst heeft dan ook getoond, hoe men begonnen is met een vorst „souverein" te noemen, om daarna de religie uit den Staat te bannen, en het standpunt in te nemen, dat de Staat als zoodanig autonoom in eigen kring was, en met God niet kan rekenen. Nu nog is dit feitelijk het standpunt van onze liberalisten, zoo hier te lande als in geheel de wereld. Er mag wel religie onder het volk zijn, maar het rijk als zoodanig is niet onderhoorig; de regeering heeft zich niet naar de geboden Gods te voegen; van een verantwoording, die de Overheid aan God schuldig zou zijn, mag geen sprake komen. En op dat standpunt nu was het volkomen natuurlijk, dat tegenover het absolutisme der vorsten de demon van de volkssouvereiniteit het hoofd opstak. Nu toch werd zulk een vorstelijke souvereiniteit de oppermacht van één man of van één huis over heel de natie; en zoodra hiervan de schadelijke gevolgen tot het volksbesef doordrongen, was het slechts natuurlijk, dat men dit heerschen van één huis over alle huisgezinnen, van één persoon over alle personen, als ongerijmd en onzinnig opzij wierp, en er de stelling voor in de plaats schoof, dat alle huisgezinnen of alle personen saam de zaak beslissen zouden. Deze gedachte kan niet opkomen, zoolang allen saam God als souverein verecren, en de Overheid optreedt als door Hem aangesteld. Maar als de Overheid de souvereiniteit Gods opzij zet, om haar eigen souvereiniteit op te richten, heeft het volk tegenover den eenling, de natie tegenover de dynastie gelijk, en moet wel, openlijk of in bedekten vorm, de volkssouvereiniteit veld v/innen. Daarom schuilt in dat „bij de gratie Gods" een zoo alles beheerschend beginsel, en is het zulk een doorslaand teeken van zedelijk verval, als deze formule doodliep, en nog slechts_als ziellooze klank gebezigd wordt. Dat „bij de gratie Gods" is thans evenals het „God zij met ons" om onze munt, en het rpppen van „de zegen Gods" in onze troon rede, niets dan een vrome phraseologie, die men bezigt, om tegenover het volk zekeren plechtigen vorm aan te nemen; maar al wat in deze heerlijke formule ligt uitgedrukt, valt buiten ons staatsrecht, en staatsrechtelijk wordt door de Overheid met deze beginselen in het minst niet meer gerekend. En dit is natuurlijk; want men verstaat deze formule zelfs niet meer. Als een vorst zich „bij de gratie Gods" keizer of koning noemde, wierd dit allengs zóó opgevat, alsof zijn huis een bijzondere gunste van God had ontvangen, een soort privilege, en alsof nu dit Huis zich krachtens deze bijzondere gun.ste, uc heerschappij oveif zulk een volk kon aanmatigen. Dat' „bij de gratie Gods" zeggen wilde: „Ik regeer niet om mijne voortreffelijkheid, noch ter oorzake van de grootheid van mijn Huis, maar alleen omdat God mij gebruikt als verantwoordelijk instrument om dat volk te regeeren, " werd niet meer ingezien. En tegen dit valsch bedoelde en valsch begrepen droit divin der koningen is toen de woede van het tot wanhoop gedreven volk toornend ingegaan, en heef t een ontzettend Godsoordeel aan de dynastieë.i, die Hem verzaakt hadden, voltrokken.

Er is geen s droit divin" der dynastieën, maar een bij de gratie Gods regeeren van alle Overheid, in Huisgezin en Staat. Vader j en moeder regeeren precies evenzoo bij de f gratie Gods als de vorst op zijn troon. | Dat is de souvereiniteit in eigen kring, die ' van God uitgaat, en in eiken kring door God op hem gelegd wordt, die in dien kring het hoofd is. De vader in zijn gezin, de schipper op zijn schip, de Overheid in de landsregeering. Daarom geldt dit „bij degratie Gods, " ook volstrekt niet alleen dan, als de Overheid gekroond is, maar precies evenzoo als de Overheid, gelijk ia onze „Republiek der Geünieerde Provinciën, " een veelhoofdige macht is, ofwanneei, gelijk inde Vereenigde Staten van Noord-Amerika, de uitoefening der hoogste macht berust bij een president. Altoos toch wordt, onder welken vorm ook, door dat „bij de gratie Gods" dit uitgedrukt, dat het gezag door dezen vorst, dezen president of dit college niet wordt uitgeoefend, omdat ze zelf die macht bezitten, of omdat het volk hun die gaf, maar eeniglijk, omdat die macht door God op hen gelegd is. Hiermee kan het natuurlijk uitnemend wel saamgaan, dat een vorst, gelijk de vroegere keizers vaa Duitschland, door keurvorsten gekozen v/ordt, of, gelijk de president, in Amerika en in Transvaal, bij volksstemming wordt aangewezen, mits men maar altoos wel ia het oog houde, dat het volk de macht om deze keuze te doen, van God ontving, en dat de man die in het ambt komt, zijn gezag om te heerschen, niet van keurvorstea of kiezers, maar alleen van God ontvangt. Het demonisch beginsel van volkssouvereiniteit zit dus volstrekt niet daarin, dat desnoods heel het volk zijn vorst of hoogsten overheidspersoon kiest, en in den meest democratischen zin geregeerd wordt; het onheilige en goddelooze beginsel begint dan eerst te woelen, als het volk, en de personen in dat volk, zich gaan inbeelden, dat ze de macht om alzoo te handelen, buiten God om, uit eigen hoofde bezitten, en er alzoo naar wilkeur over vervoegen kunnen. Napoleon de derde heeft jarenlang in l'rankrijk als caesar en despoot geregeerd, niettegenstaande hij zich door „den wil van het volk" liet kronen; en omgekeerd is de Engelsche staatsregeling bijna geheel democratisch, ook al regeert Victoria er als afstammelinge van haar vorstelijk Huis. De zonde der volkssouvereiniteit kan nooit in den regeeri gsvorm liggen, maar ligt altoos uitsluitend ia de theorie, die men predikt, en ia het beginsel, waaruit men handelt. Ge slaat den bal dan

ook mis, zoo ge de volkssouvereiaiteit bestrijdf, wijl ze tegen de Overheid ingaat; ge moogt ze alleen bestrijden, omdat ze God opzij zet en zijn majesteit hoont. En juist deswege is het even diep zondig, als een caesar, buiten God om, zijn macht over een volk vestigt, als dat het volk in opstand tegen God komt, en de souvereiniteit, die alleen Godes is, voor zich zelf rooft.

Hierbij lette men er op, dat God de Heere op den Sinaï, ter bevestiging van zijn Goddelijke souvereiniteit, in den vorm van het gebod, niet van de Overheid spreekt, maar van vader en moeder. In elk gebod, hier wezen we telkens op, wordt altoos uit heel een reeks van zonden, alleen die bepaalde zonde genoemd, die het beginsel het sterkst aanrandt. Ge zult niet doodslaan, niet echtbreken, geen valsch getuigenis geven, niet stelen, enz. Zoo zoudt ge ook bier dus allicht verwacht hébben, dat er zou gestaan hebben: „Gij zult niet tegen uw koning opstaan", overmits naar onze schatting, oproer veel erger is dan het niet eeren van vader en moeder. Toch luidt het vijfde Gebod zoo niet, maar staat er: „Eer uwen vader en uwe moeder." V\/'el een teeken, dat het eeren van de souvereiniteit Gods, en dus ook de raenschelijke saamleving dis op het eeren van die sauveresniteit moet gefundeerd zijn, veel dieper schade lijdt, door ondermijning van hst ouderlijk-gezag, dan door een uitbreken van het volk tegen zijn Overheid. Zoolang een volk in het huislijk leven den eerbied voor vader en moeder heilig keurt, kan er van verzet tegen de Overheid zelfs geen sprake komen, dan waar de Overheid bet volk tot het uiterste getergd heeft, ea in zondige opwelling van hartstocht dat volk zichzelf doet vergeten. Metterdaad rust dan ook het ouderlijk gezag niet op het Burgerlijk Wetboek, maar omgekeerd is het Overheidsgezag buiten machte zich te handhaven, zoo de eerbied voor vader en moeder uit de harten wijkt.

Nog twee andere aanwijzingen liggen hierin, die we niet uit het oog mogen verliezen. Klimt het O \? erheJdsgezag op uit het Oudeilijk gezag, dan volgt hier vanzelf liit dat y, vader des vaderlands" de hoogste eeretitel is, waar een vorst naar dingen kan. Het karakter van het Overheidsgezag v/ordt er door gequaüficeerd als een gezag dat vaderlijk van aard moet zijn, en dus volstrekt niet aan den legerbevelhebber, maar aan den vader in zijn gezin zijn signatuur heeft te ontleenen. Vorst te ? ijn is niet het vosren vati een militair commando, maar het bekleed zijn met de leidende en besturende macht in het ééne groote volksgezin.

En ten andere lette men er ook op, dat de moeder er bij staat. De recbtsontwïkkeling buiten de Schrift gevoelt hier niets van. Vooral in het Romeinsche recht heerscht uitsluitend de patria potestas, d. w. z. de vaderlijke macht, era wordt van de tnoeder als zoodanig nauwelijks gerept. Maar zoo is het op den Sinaï niet. Daar heet het met nadruk: „Eer uwen vsAz: enuwe moeder." Dit nu strekt niet alleen, om de kinderen van elk gezin er aan te herinneren, dat ze laf zijn, zoo ze vader omdat hij machtiger is eeren, maar moeder omdat ze zwakker is, minder achten. Mst laf of niet lat toch hebben we bij Gods geboden niets te maken; en de zaak is derhalve, dat eenidnd van Godswege zijn moeder evengoed als zijn vader te gehoorzamen heeft, en haar in die gehoorzaamheid de haar toekomende ^^^c? moet bieden. Niet vader vieezenen moeder lief hebben, maar beiden vader en moeder eeren om Gods wil. En hierin nu ligt voer de Overheid tevens de vingerwijzing, dat in het gezag ook van den Staat beide én het vaderlijk, én het moederlijk element tot zijn recht moet komen; dat er dua een, middel moet gevonden, om de strengheid van het vaderlijk gezag door moederlijke teederheïd te temperen; en het is juist deze schoone gedachte, die aan de getemperde monarchie, aan den constitutioneelen regeeringsvorm ten groadslag ligt; mits opgevat niet in revolutionairen, maar in Christel ijken sin.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 oktober 1892

De Heraut | 4 Pagina's

Het vijfde Gebod.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 oktober 1892

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken