Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het zesde Gebod.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het zesde Gebod.

17 minuten leestijd

ZOIVDAGSAFDEELING XL.

III,

Verklaar hen schuldig, o God, iaat hen verv.illen van hunne raadslagen ; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannjg tegen U. Ps. 5:11,

Na in onze twee eerste artikelen te hebben toegelicht, vi^at Gods ordinantie, naar luid van dit zesde Gebod, voor het inner' lijk leven van ons hart is, als ^^biedende lie liefde en als wrbiedende deti haat, zelfs dan als er van onzen vijand sprake is, komen we thans tot de daden. In dit derde artikel tot de daden, die, als uit den haat voortkomende, verboden; en in het volgende artikel tot de daden, die, krachtens den eisch der liefde, ons allen geboden zijn.

Onder de daden, die uit den haat voortkomen, is de moord het schrikkelijkst; maar toch wijst de Catechismus er te recht op, dat ge ook zonder moord en doodslag velerlei doen en uitrichten kunt, waardoor ge uw haat of weerzin in daden laat uitkomen, Leelijke gezichten tegen iemand trekken en hem uitlachen; Iemand beschimpen en uitschelden; iemand plagen, sarren, tergen; iemand duwen ol stooten; hem met iets werpen of slaan en kwetsen; hem in boosheid te liji gaan, voor den grond werpen en doodsangst aanjagen; en zooveel meer, zijn al te gader vormen van zonde, die aan den doodslag verwant zijn; en v/aarbij ge evengoed als bij den doodslag niet door den Heerè uw God, maar door den Duivel geïnspireerd wordt. Zelfs ontziet men zich vaak niet, om den Naam des Heeren als wapen te bezigen tegen wien men haat, en hoort men maar al te vaak hoe de een den ander door harde, vreeslijke vloeken schrik zoekt aan te jagen. In dit alles nu spreekt de lust en zucht, om iemand zeer te doen, hem te krenken, uw wraak op hem te verhalen, hem terug te dringen, te vernederen en achteruit te zetten ^ en zelf te genieten in zijn uitdrukking van angst, of opgekropte, maar machtelooze woede.

Toch komen alle deze vormen van zonde slechts voor zooverre onder dit zesde Gebod, als ze de strekking hebben, om iemand in zijn existentie als persoon' aan te randen. Alles toch wat er op uitgaat, om hem In zijn naam te schenden, hoort thuis onder het negende Gebod, en komt voort uit een geheel andere zondige neiging in ons hart. Zoo is er een schelden en schimpen, dat door het negende Gebod wordt verboden, maar ook een ander schelden en schimpen, dat bij dit Gebod moet opgenomen. Het onderscheid tusschen dit tweeërlei schelden ligt voor de hand. Zijt ge alleen met iemand, en scheldt ge hem dan uit, zoo is het er u niet om te doen, om zijn goed gerucht bij anderen te schenden, maar om hem zelven zeer te doen. Staan er daarentegen anderen bij, en spreekt ge uw scheldwoorden uit, opdat anderen ze hooren zouden, zoo zijt ge er op uit, om zijn naam te bevlekken; ook al loopt er tegelijk bitterheid tegen den persoon en lust om hem zeer te doen, onder door.

Het uitsliepen, uitlachen, gezichten tegen iemand trekken, verachtelijke gebaren tegen hem maken, alle plagen, sarren, tergen of „treiteren", zoo als ons volk het noemt, draagt een nóg demonischer karakter dan het schelden, .Alle schelden is. nog een worstf'es i.-, et büoze woorden, en dan vindt in die booze woorden de bitterheid van het hart lucht. Er zijn van die driftkoppen, die als ze maar eens eersl; een paar leelijke woorden gezegd hebben, zelf uitroepen: „nu is het er uit en is betover." Maar bij het sarren en tergen op allerlei manier is dit niet het geval. Wie sart, vlijmt zoo diep hij kan in iemands persoonlijke eere, in zijn persoonlijk gevoel, in zijn persoonlijke positie in. Wie sart, beschouwt iemand als een overwonneiing. Hij worstelt niet meer, maar koelt wreedelijk zijn boozen, demonischen lust in zijnpoglng om u te krenken, en geniet er te meer in, naarmate blijkt, dat gij er te gevoeliger voor zijt.

< Dit sarren en tergen verraadt dan ook èen satanischen trek in iemands karakter. Wie moedig en rondborstig van aard is, komt tot zoo Iets niet. Maar nijdige, sluipende karakters zijn daar meest sterk In, En vooral het vrouwenhart schijnt voor deze zonde open te staan. Bij den man welt dat kwaad eerst op, zoo cynische gemeenheid over hem komt, en dan metfname als hij zijn woede bot kan vieren tegen jonge mannen, die nog van deugd en godsvrucht houden. Tal van spotprenten hadden dan ook vaak geen ander doel, dan om te sarren en te plagen, en in dat plagen lucht te geven aan de demonische vijandschap tegen al wat „fijn" was of tegen den banalen levenstoon dorst reageeren. Men lette er intusschen op, hoe dit kwaad er soms reeds bij kleine kinderen Inzit. Soms nog eer ze naar school gaan; maar vooral als ze hun schoolkoninkrijkje zijn binnengetogen; en het Is niet te zeggen, wat er niet soms reeds in die schoolwereld geplaagd en getergd wordt. Van school komt dit dan naar huis over. Diezelfde booze plaagzucht wordt dan ook onder zusjes en broertjes in practijk gebracht. Vooral zoo er dan een bij is, die wat driftig uitviel, munt men meest op hem. En als de zwakke driftigert dan opvliegt, en in zijn machtelooze woede zich verzet, lachen de anderen en drinken met volle teugen hun demonisch genot in.

Want natuurlijk, tusschen dat sarren en |wat men vechten noemt, bestaat verband. Niet bij een ieder. Er zijn nijdige personen, die zwak van vuist maar giftig van tong zijn, en daarom aan vechten niet denken, maar hun kracht zoeken in het geniepige. Is daarentegen de booze veerkracht van het lichaam evenredig aan de booze veerkracht van hun sarrende tong, dan hangt het slechts aan plaats of gelegenheid; maar zijn die gunstig dan gaat dat sarren en kwetsen ten slotte altoos in vechten over. Hieruit lelde men echter niet af, dat alle vechten zóó booze bron in het hart zou hebben. Onder ftissche jongens is er ook een vechten om elkanders kracht te meten; en als het hart bij zulke jongens op de rechte plaats zit, heeft dat worstelen eerlijk en zonder vinnigheid plaats, en straks staat wie onder lag weer op, en lachend en stoeiend vervolgen ze dan hun weg. Maar wel zij men met dat stoeien en vechten, ook van kinderen, altoos op zijn hoede. Zoo licht mengt er zich booze zin onder; en als men merkt dat een jongen er niet tegen kan als hij verliest, moet ge hem van al zulk stoeien aihojiden; en ook er van afhouden, als ge merVt dat hij altoos zwakkeren aanvalt. Lichaam'^ .'^fening is uitstellend, ., en ook he; - vvarsi'cit#iiu'.rft da&amp; rtoe; maar zie wel toe, datnooft onder dien speelschen vorm een ernstig kwaad insluipe. Zoo vaak is het gezien, dat dit reeds op een leeftijd van 12, 13 jaar tot kwaadaardig vechten leidt. En wia zich zoo eenmaal aan dit booze kwaad wendde, werd later zoo vaak een wilde deugniet, die er lust in had, om te slaan en te kwetsen. Eerst alleen mannen, die zich verzetten konden, maar dan ten laatste ook ïijn eigen vrouw of kinderen; tot zulk een woestaard de schrik van heel de buurt werd, en de vechtersbaas met geweld moest bedwongen worden. En laat men nu niet zeggen, dat zulke dingen alleen bij min beschaafde standen voorkomen; altlians hier te Amsterdam vechten de kinderen van zeer deftige scholen op straat vaak even vinnig; en het duel, dat nog steeds bij de hoogste jklasse in eere blijft, biedt u in verfijnden vorm toch eigenlijk een nog bloediger bedoelde vertooning van denzelfden boozen hartstocht. l s l

En zoo Raderen we juist met het duel reeds ongemerkt de vrèeselijkste uiting van den hartstocht, waar dit gebod tegen strijdt, tot den eigenlijken doodslag; want wel heeft het eigenlijke vechten, ook zonder mes of ponjaard, door schoppen, trappen en keeltoeicnijpen meer dan eens tot moord gevoerd; niaar dit blijft toch meer uitzondering. God heeft den mensch niet als een wild dier geschapen, dat hij de doodende instrumenten als baktanden in zijn eigen mond, of als klauwen aan zijn eigen hand zou dragen. Als de mensch moorden wil, moet Jhij naar een wapen grijpen. Niet God heeft hem vcor den moord tc^Jgerust; hij rust er zich zelf voor toe. En daarom vinden we den overgang van het vechten tot den moord in het eigenlijke duel. Immers een duel is op de wapenen, en de grondgedachte van het duel is en Ijlijft, dat een van de twee den ander doode. Nu wordt er eiken dag gemoord; en als 'men een statistiek kon opmaken van het aantal mensehen, dat in alle landen van Europa saam, en voorts in Amerika, Azië, Afrika en Australië op éénen dag door moord of doodslag om het leven komt, zou .men schrikken van het hooge cijfer. Reeds in ons kleine landje gaat er bijna geen week voorbij, dat ge niet van doodslag leest; en van poging tot doodslag leest ge bijna dagelijks. En wat is dan ons kleine landje bij de 1400 millioen menschen, die op deze aarde leven; vooral zoo ge daarbij let op het flegmatische van onzen volksaard, en op den veiligen toestand van ons publiek leven. In streken, waar het bloed heeter door de aderen vloeit, wordt veel meer gemoord, en in landen v/aar de veiligheid veel meer te wenschen overlaat, waar, bij dunner bevolking meer bosch is en meer geïsoleerde woningen zijn, is naar evenredigheid het cijfer van gepleegde moorden veel aanzienlijker. En hoe het met dat moorden zou toegaan, zoo God de Heere niet, over ons menschelijk leven wakende, geroepen had in het hart en geroepen had van den Sinaï, en geroepen had in alle wetgeving; Gij zult niet dooden, — zie dat maar aan toestanden als In Afrika, waar het regel is, dat de eene stam er in het najaar op uitgaat, om een anderen stam uit te moorden; en het zich sieren met de doodskoppen van zijn slachtofïers, een welust voor den %voeste]ing'is. Men klage in dit opxjcijt daarom nooit te sterk over den tegenwoordigen toestand van onze Europeesche taten, want al is het waai", dat vooral de uitvinding van het revolverpistool het aantal moorden heeft doen klimmen, toch dient dankbaar erkend, dat we thans In onze West-Europeesche staten een veiligheid voor ons even genieten, zooals die bijna nooit gekend was. De snellere communicatie, de uitroeiing van bosschen, de betere organisatie der politie, heeft, alles saamgenomen, het ontdekken en achterhalen van den moordenaar zooveel gemakkelijker gemaakt. Ook scheelt het zooveel, dat het gewapend over straat loepen uit de wereld raakte; terwijl ook dient gerekend met het feit, dat men In vroeger eeuwen, meer dan thans, zijn uitnemendheid in de stetkte van zijn spieren ea de hardheid van zijn vuisten zocht.

Maar ook, al is er deswege oorzaak tot dank, toch heeft onze eeuw moordenaars voortgebracht, zoo uitgezocht wreed en vreeselijk, als ze bijna vroeger niet gekend zijn. Mannen, die op laaghartige wijze een reeks vrouwen ten huwelijk vragen, om ze één voor één om heJs te brengen. Moordgeschledenissen als de vreeselijke moord van Pantin, en zoovele anderen, zijn in haar vormen negentiende-eeuwsch. En als men er op let, hoe deze moorden meestal niet ten laste komen van de lagere ruwe menschenklasse, maar hoe juist deze opzienbarende, geruchtmakende] moorden bijna altijd gepleegd zijn door „fïjnbeschaafde" en „welopgevoede" heeren, dan bevestigt dit droeve feit, helaas, maar al te wreed de bittere waarheid, dat een zondaar een moordenaar van nature Is, en dat geen polijsting, hoe fijn ook, dien doodelijken trek uit zijn boozen aard doet wegslijten. Jezus zelf heeft het ons ge^egd dat Satan een menschenmoorder van den beginne is, en dat wie Satans inspiratie volgt, de begeerte van Satan wil doen. E

En nu is het v/el waar, dat lang niet alle moord eenzelfde drift verraadt. Moord uit jalousie is heel iets anders dan moord uit roofzucht. Moord in drift draagt een ander karakter dan moord uit stille wraak, na kalm overleg, met voorbedachten rade, in koelen bloede gepleegd. De moord enkel uit moordzucht komt zelfs zeer zelden voor. Enkel bloeddorst is bijna nooit de drijvende beweegreden. Maar uit wat motief ook de prikkel kome, die het rad onzer geboorte uit de hel aansteekt, gelijk Jacobus het uitdrukt, tot het in het vergiftigde menschenhart zoo stormen en razen gaat, dat de boQzé mensch niets meer ontziet, en ten slotte naar dolk of revolver grijpt, om het leven van een mensch dien God schiep uit te blusschen, altoos is en blijft de doodslag toch een der vreeslijkste gevolgen waarmee God de zonde in de menschheid straft. De zonde teelt den dood, en rust daarom niet eer ze ook in doodslag haar demonischen triomf kan vieren. Hoevelen zijn er niet, die, zoo God ze niet bewaard had, In die vreeslijke zonde zouden uitgebroken zijn, en hoe voegt het daarom niet aan een Iegelijk die daartoe geroepen is, om altoos weer dat „Cy zult niet dooden" uit te roepen, mits er altoos aan toevoegend: Om­ dat God den mensch naar sijn beeld gemaakt heeft." (Gen. 9:6).'

De man ligt, wijl hij sterker is, mser dan de vrouw voor die vrees^yke |Gnde bloot, en de vrouw wordt eer het slachtoffer. Toch herinnert men zich nog wel die vreeslijke vrouw uit Leiden, die om de premiën van begrafenisfondsen te trekken, achtereenvolgens een kleine twintig personen vergiftigd had. En ook, men las wel telkens in de bladen het droef bericht van het opvisschen van kinderlijkjes, of, van het voor den rechter verschijnen van ongehuwde moeders, die haar eigen kind hadden g; eworgd. Een dierlijke wreedheid, die In Engeland en Rusland ten toppunt steeg in het dusgenaamde „engehjes maken, " als moeders haar eigen kinderen aan een duivelsche vrouw overgaven, opdat die duivelin ze zou vermoorden. Helaas, ook het vrouwenhart ligt wel terdege voor de vreeselijke zonde van den moord bloot, en het bedrijft ook tegen dit zesde gebod de zonde op bijna nog vreeslijkcr wijze dan de man. Want al weten we, dat zulk moorden, of het moorden van het eigen kind, uit angst en schrik voortkomt, en niet uit, bloeddorst, toch mag dit daarom nooit als verontschuldiging gelden, wijl er immers de sterke stem van de moederliefde tegenover staat. Reeds bij het dier Ia die trek voor zijn jongen zoo sterk; en wat is ze dan niet In de vrouw, die met zelfbewustheid haar eigen kind gebaard heeft. En wat moet er dan niet in het hart overwonnen, terneergeworpen en onderdrukt worden, eer een, meest jong, meisje er toe komen kan, om het kind van haar eigen schoot, stil en in het geheim, terwijl het weerloos wicht er niets tegen doen kan, met haar eigen vingers te vermoorden. Het is daarom zoo slecht, als de publieke opinie zoo vreeselijken kiivdermoord nog wel vergoelijkt, en bij de rechtbank soms meer deernis met de schuldige moeder, dan met het vermoorde kind uitkomt. Of begrijpt men dan niet, hoe men daardoor juist aan een jong meisje dat ia den angst van haar zonde zit, dea zedelijken steun van onder haar ziel wegslaat en ze tot de booze daad prikkelt. Alsof God niet ook het bloed van die hulpeloos vermoorde wichtjes tot Zich hoorde roepen van den aardbodem, en alsof het oordeel Gods niet vreeslijk zou zijn voor de moeder die haar moederaard op zoo vreeslijke wijze verkrachtte en weg wierp. En nu denke toch niemand dat een ongehuwde vrouw, die het kind, dat ze in haar schoot draagt, wegmaakt, eer het geboren kon worden, minder schuldig vcor God zou staan. Moord blijft moord; en een moeder die moord In haar eigen ingewand kan plegen, staat bijna nóg schuldiger voor God.

Ten slotte nog een ernstig woord over den zelfmoord. De Catechismus wijst bij dit gebod zeer terecht er op, dat men ook zich zeliifn niet mag kwetsen of dooden^ en dringender nog dan in de l6e eeuw is het in onze 19e eeuw elsch, dat dit protest in den Naam des Heeren tegen den boozen zelfmoord telkens luider uitga. In geen eeuw toch is de zelfmoord op zoo schriklijke wijze toegenomen. Toegenomen onder alle standen. Zoo bij mannen a's bij viouwen. En het ergst van al Is, dat in zeif« moord bijna geen schande, althans gsen

kwaad, allera-inst zonde wordt gezien. In Frankrijk riep nog onlangs een minister in de Kamer uit, dat zelfmoord immers geen misdaad is.

Ben ik dan mijn eigen meester niet.' vraagt de van God afgedoolde wereld. Ben ik geen baas over mijn eigen lichaam en over mijn eigen leven ? Wat gaat het een ander aan, als ik niet langer wensch te leven ? En door die goddelooze gedachte worden vooral de gevallen van dubbelen moord al menigvuldiger, dat men eerst een ander vermoordt en dan de hand aan zichzelf slaat. Veelvuldig ook de gevallen, dat men allerlei booze speculatie "waagt, en als het dan mis gaat en het uit zou komen, zich zelf voor den kop schiet. En wat voedt nu dien boozen hartstocht ? Wat anders, wat meer dan de onzalige en onware gedachte, alsof men door zichzelf te vermoorden, uit zija angst en uit zijn lijden uit zou zijn. Men is opgevoed in de voorstelling, alsof er na den dood geen eeuwigheid is. Men stelt zich voor, dat met den dood alles uit is. Van een oordeel dat komt, gelooft men niets meer. En alle gepraat van een buitenste duisternis, waar weening zal zijn en knersing der tanden, houdt men voor sprookjes van kinderlijke verbeelding. En natuurlijk, dan is zelfmoord iets zeer verkieslijks. Als ik diep ongelukkig ben, en het leven mij een ondrs^islijke last wordt, en ik kan door mijn leven af te snijden, uit dat schriklijke bange lijden uitkomen, en er is dan geen God voor Wien ik verschijnen moet, en geen eeuwigheid waarin mijn lijden meegaat en door het oordeel nog verergerd wordt, dan is heengaan en verdwijnen het vanzelf gebodene, het natuurlijke redmiddel, dat juist daarom, en op grond van die overlegging, door zoo duizendai bij duizenden wordt aangegrepen.

En nu oordeelen we niet hard, We weten zeer wel, dat er behalve de schuldigen, die zich zelf verdoen om aan de gevolgen van een schrikkelijke zonde te ontkomen, ook, o, zoovelen zijn, die hard door hun lot vervolgd, in bittere jammer geworpen, ten leste het leven niet meer konden uithouden. De Seine te Parijs weet er van; en in bijna al onze groote steden, waarde menschelijke ellende vaak het ontzettendst tegenover de bovenmenschelijke v^eelde afsteekt, komt zelfmoord uit broodsgebrek ^ telkens voor. Maar heft de diepste deernis met ; dit voorafgegane lijden daarom de schuld op? Mag daarom de heerlijke waarheid verdraaid, dat niet gij, maar God alleen recht op uwleven en op uw persoon heeft? Mag het daarom verzwegen, dat zelfmoord altoos mo(yrd is en blijft, en dat God schriklijk tegen deze aanranding van zijn gebod en van zijn creatuur toornt? En ook, voelt ge dan niet, hoe ge door uw vergoelijkend spreken over den zelfmoord, den ellendige, die niet meer kan, beroofd van den laatsten zedelijken steun, die hem zou hebben teruggehouden, en ge u zelven, alzoo doende, aan zijn zelfmoord medeplichtig hebt gemaakt ? h a n t e g d

En bovendien, heel dat stelsel van zelfmoord, waarop anders berust het dan op leugen en gruwelijke zelfmisleiding ? o, Als alle zelfmoordenaars éen oogenblik in het leven konden terugkeeren, om u te zeggen, wat hun na hun zelfmoord overkomen is, hoe zou opeens alle lust in den zelfmoord vergaan zijn. Waarvan anders toch zouden ze u verhalen, dan van nog veel banger benauwdheid en waarlijk helschen| angst, waarin ze na hun zelfmoord ontwaakt zijn in de eeuwigheid. Niet één is er, die terstond na zijn dood niet alles zou geven, zoo hij maar weer naar de wereld, te midden van zijn vroegere ellende, terug koü; o, als hij zijn zelfmoord maar ongedaan kon maken. Want wat ook de één den ander voorliege, daarom blijft de werkel^kheid toch wat ze is. En in de ontzettende werkelijkheid is het niet waar, dat ge door zelfmoord uit uw lijden uit, zijt, maar is dit alleen waar, dat ge door zelfmoord, zooveel aan u hangt, u zelven voor eeuwig stort in een nog veel vreeslijker doodsangst enhelscher zielsbenauwing, tienmaal banger en erger dan de bangste zielbenauwdheid, waarin ge op aarde ooit geworsteld hadt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 11 December 1892

De Heraut | 4 Pagina's

Het zesde Gebod.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 11 December 1892

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken