Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het zevende Gebod.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het zevende Gebod.

16 minuten leestijd

ZOSDAGSAFDEEJLÏiSG XL.

Mijae rechten zult gij doen, en niijae iuzetlingon zuil gij houden, om ia die te wandelen : Ik ben de Heere uw God! Lev. i8:4.

III.

Ons bestek gedoogt ia de verte niet, dat we het rijke onderwerp van het huwelijk ook maar eenigermate volledig behandelen. Over een onderwerp als het huwelijk schrijft men een boek, en niet een klein aantal hoofdstukken. We moeten ons dus wel bepalen tot het bespreken van de beginselen. Hieronder nu behoort ook de uiterst ingewikkelde vraap, wie met wie maq Jmwen. Het is toch niet genoeg te zeggen, dat het huwelijk eea man met een vrouw verbindl; overmits er tal van gevallen zijn, waarin tusschen eea man en een vrouw geen huwelijk mag gesloten worden.

Dit is dan ook onder alle volken zoo ingezien, en al staat in den aanhef van Leviticus 18, dat Israël niet doen mocht naar de inzettingen der Egyptenaars, zoo volgt hieruit nog geenszins, dat ia Egypte, laat staan dat onder alle heidenen, alle huwelijken geoorloofd waren, die asn Israël werden verbodets. Zoo eenvoudig echter als het is, om te erkennen, dat ciet alle huwelijken geoorloofd zijn, zoo moeilijk is |het uit te maken, welke wel en welke niet. Ja, ze'fs de vraag, hoe ge dit hebt uit te maken, levert bezwaar op. Gelijk men weet eischt de Roomsche kerk ook deze beslissing inzake het huwelijk voor zich op; en op Rome's voetspoor hebben ook onderscheidene Protestantsche kerken zicli verplicht gevoeld, om inzake de iiuweiijksverhinderingen uitspraak te doen. Het burgerlijk recht schikte zich dan hiernaar, of liet ook wel heel de zaak aan de kerk over. Onder de Gereformeerden daarentegen openbaarde zich van meet af de neiging, om zich als kerk uit dehuwelijksaangelegenheden tot op zekere hoogte terug te trekken, en de |burgerlijke Overheid te laten beslissen. Dit .laatste denkbeeld schoot dan ook hier te laads reeds vroegtijdig wortel, en is sinds, zij het ook uit ander beginsel, in de meeste overige landen van Europa regel geworden. Zelfs wordt thans het burgerlijk huwelijk door de revolutionairen als strijdmiddel gebruikt om de kerk tegen te staan en haar invloed te knakken.

Al is het dus dat onze Gereformeerden vaderen practisch evenzoo tot het burgerlijk huwelijk concludeerden, zoo mag toch niet uit het oog verloren, dat zij hierbij geleid werden door geheel andere overwegingen. Zij waren van oordeel dat in de Heilige Schrift geaoegzame aanwijzing ook voor het huwelijk gegeven was, en dat de van God aangestelde Overheid, in overeenstemming niet deze aanwijzing, het huwelijk had te regelen. Thans, nu we te doen hebben met een Overheid, die als zoodanig zich niet meer om Gods Woord bekreunt, en die óók de saak van het huv/elijk geheel naar eigen goedvinden regelt, staan we dus feitelijk voor een geheel ander iets, dan onze vaderen gewild of beoogd hebben. Onze vadsrea hadden caderscheidene bedenkingen tegen de wijze waarop het Roomsche canonieke recht allerlei huwelijks-aangelegenheid verordend had, en meenden toch dat het daarom nog niet noodig was, een nieuwe regeling uit te .denken, overmits in het huwelijksrecht der latere Romeinsche keizers, naar ze meenden, alles gegeven was, v/at mess verlangen kon. De Romeinen haddan reeds la hun Heidensche periode met name over de huwelijksverhinderingen zeer uitvoerige I en der.ls s'eer strenge bepaJiagen geo-i^nVsen toen later de keizers tot het Christendom overgingen, waren deze bepalingen bovendien nog, zooveel noodig, in overeenstemming gebracht met de regelen der Heilige Schrift, Zoo bezat men dus, naar men oordeelde, ia deze bepalingen van de Christelijke Romeinsche Overheid, een rechtsordening voor het huwelijk, die van mersschelijke zijde het hoogste bood, dat te verkrijgen was, en die bovendien den Christelijke doop ondergaan had. Op dien grond achte men dan ook, dat onze Christelijke overheden het veiligst gingen, door die degelijke eeuwenoude rechtsordening weer vaa kracht te maken. Gelijk mea in het dogma en het kerkelijk gebruik er toe neigde ora de usantiën der oude Christelijke kerk te doen opleven, zoo wilde men ook ia het Burgerlijk leven de oude Ghristelijke rechtsorde weer in eere brengen.

Thans echter helpt die vingerwijzing ons niet meer, e-snvoud!g wijl de Christelijke Overheid ontbreekt, die met Gods Woord rekent. Althans in ons land isgeenOrerhsid meer aanwezig, die feitelijk in haar wetgeving zich grondt op Gods Woord. Veel minder nog kan de kerk thans de huv/elijks-materie weer aan de Overheid uit handen nemen; en ze behoort dit ook niet te doen. Verwarring en wanorde op dit stuk is dus voor de toekomst volstrekt niet uitgesloten. Het is zeer wel denkbaar dat de Overheid in de toekomst regelingen inzake het huwelijk zal maken, die tegen de conscientie der Christenheid en het oordeel der kerken indruischen. Hieruit ktmnen zeer wel conflicten geboren worden. En dat dit thans nog zoo weinig het geval was, is alisea te danken aan de gelukkige omstandigheid, dat de Christelijke traditie nog zoo machtig nawerkte en, dank zij dien invloed, de Overheid dusver nog ten deele ia het goede spoor bleef. Reeds nu echter is raeds lang siet alle corflict te ixiijdeji. S3ms toch worden nu reeds echtscheidingen uitgesproken, die met den eisch van Gods Woord in flagranten strijd zijn. Wordt nu door een d.^t aldus gescheidenen daarna een tweede huwelijk met een ander aangegaan, dan kan dit onder Christenen niet als een wettig huwelijk gelden, overmits de eene voor God nog gehuwd was, en mag dus de kerk zuikeea huwelijk niet sanctioneeren.Hetis uit dien hoofde van hoog belang, dat de kerk ook de zaak vaa het huwelijk steeds klaarder ontwikkele, opdat er door de belijders des Heeren zeker tegenwicht in de publieke opinie worde gebade.i tegaa hetgeen in de burgerkringen het huwelijksrecht afbreekt.

Intusschea kan dit aaa de zaak zelve niets veranderen. Het huwelijk is ea blijft een zaak van burgerlijke regeling, wijl het tot da natuur en niet tot de genade behoort, en het veiligst gaat ge derhalve door vast te stellen:1". dat de belijders des Heerea zlch^naar de/egeling van de Overheid, waaronder ze leven, hebben te «chikken, voor zoover deze niet ingaat tegen, de stellige uitspraak van hst recht Gods, gelijk dit ia zijn Woord geopenbaard is; 2". dat men bij het aangaan of toestaan vati eea huwelijk zich niet vrij achte, ona al dal gene te doen wat de Overheid toelaat, maar zich hierbij allereerst binde aan Gods Woord; en 3". dat de kerkea slechts dan een huwelijk sanctioneeren, als dit naar eisch van Gods Woord een huwelijk zijn kan; ea anders haar sanctie onthouden.

Die regelende leidk.? ^ dgr Overheid zal r' !i.; , oitder het > , ; ..''.'''•'. •••ing, ookmoetetj lijksveshinderingen, en de O/erheïd sal het' voor God te verantwoorden hebban, ïadiea ze hierbij de genoegzame aanwijzingen der Heilige Schrift uit het oog verliest. Want ge kunt wel zeggen: a Leviticus 18 en elders is deze zaak door God zelf geregeld, en dus heeft de Overheid niets meer uit te maken; maar wie zoo spreekt, vergist zich. Lang toch niet alles wat hier in aanmerking komt, is in Lev. 18 geregeld, zoodat de Overheid, ook al nam ze deze regeling letterlijk over, toch nog ook zelve allerlei te regelen zou hebben. Maar bovendien, geheel dit standpunt is onhoudbaar. Ge kunt noch moogt de burgerrechtelijke bepalingen van het Oude Testament, zoo als ze daar staan, beschouwen als de wet Gods voor alle landen en volken. Ook niet in volstrekten zin wat in Leviticus 18 staat. Daar toch wordt in vs. 29 de doodstraf gesteld op elke overtreding, ojk in zake het huwelijk; en wie heeft nu ooit staande gehouden, dat wie tegen een dezer Jbepaiingen zondigt, ook nu nog door de Overheid moet worden ter dood veroordeeld en ter dood gebracht.'' Zelfs bij Leviticus 18 dient er daarom op gewezen, dat ook deze wetten in de eerste plaats door God aan het volk van Israël in den toenmaligentijd gegeven zijn, en dat ze dus wel wat haar onderscheidelijkea inhoud, maarniet v/at haar letterlijke bepalingen aangaat, voor allé eeuwen en laadea gelden. Vooral bij het huwelijk springt dit duidelijk ia het oo; ^', zoo ge maar denkt aan het l, eviraat-huv/elijk. Eea man, wiens gehuwde broeder stierf, ea eea weduwe zonder kinderea naliït, moest met die achtergelatera weduwe van zijn broeder trouwen; maar als hij met haar trouwde, zoo zij wel kinderen had, was hij des doods schuldig (Lev, 18 : 16). Zegt ge nu dat één van deze bepalingen voor alle tijden en landen geldt, dan natuurlijk ook de andere. Nu beweert intusschea niemand, dat ge ook thans nog bij de kïnderlooze weduwe van uw broeder zaad moet verwekken. Die bepaling beschouwt men algemeen als verouderd ea thans niet meer geldead. Goed, maar dan is hiermee ook uitgemaakt, dat niet alle bepalingen meer als zoodanig gelde»; dat ge hierbij dus met oordcel des onderscheids moet te werk gaan; en dat derhalve de letter van de aan Israël gegeven bepaling de zaak nog niet uitmaakt. Ge moet dan onderscheiden tusschen hetgeen da onderscheidelijke inhoud is, en den nationalen vorm voor dien tijd. Dat moet daa ook de Overheid doen, die God vreest, en eerst alzoo voorgelicht kan zij voor haar onderdanen de regelen vaststellen, die uitmaken wie met wie mag huwen.

Die regelende leiding der Overheid is hier te meer onontbeerlijk, omdat letterlijk niet één der bepalingen absoluut doorgaat. Niets staat thans meer algemeen vast, daa dat het huwelijk tusschen vleeschelijke broeders en zusters, van God gevloekt en gruwelijke blocdschande is; ea toch, reeds een vorig maal wezen v/e er op, is in Adams gexin alleen door zoodanig, ons tegen de borst stuitend huwelijk, de voortplanting van ons geslacht mogelijk geweest. Huwsiijkea tusschea broeders« kinderen verfoeit ge, ea toch, toen Noach uit de Arke kwam, is alleen door zoodanig huwelijk ons geslacht ia stand gehouden, en blijkbaar zijn deze huv/elijken^ ii^ strijd met wat ge thans ervaart, zeer vruchtbaar geweest. Een absolute, altoos en onveranderlijke wet geldt hier dus niet. Wel heerschea ook hier vaste beginselen, maar die liggen achter deze wetsbepalingen en staan er riet in uitgedrukt. Het is niet twijfelacE-iiJgof het beginsel, dat Mer héersdiJi, is de o^-ganische eenheid van ons menschslijk geslacht, en het is uit dit ééne beginsel dat zoowel de huwelijkea onder Adam's kinderen ea Noachs kleinkinderen voortvloeiden, als anderzijds het latere verbod van huwelijk tusschen bloed-en te nauwe aanverwanten. Immers zou ons menschelijk geslacht als organisch geheel bestaan, dan moest het in wel zijn oorsprong uit kinderen van één menschenpaar voortkomen, en omgekeerd, om niet ia brokstukken uiteen te vallen, maar dooreengestrengeld als één geheel te blijven bestaan, moesten de familiën met elkander ia gemeenschap treden, ea moest alzoo het huwelijk met personen uit andere familiën, door het verbod vaa huwelijk ia de eigen familiën, worden geboden. Oak de schijnbare tegenstrijdigheid tusschen hel; Leviraat huwelijk ea Lev. 18:16 lost zich op gelijke v/ijze op. Israël moest als organisch volk geheel naar zijn stamindeeling in stand blijkerj. E« daartoe nu strekte éa het Leviraat huwelijk, wijl attders het organismeder stammen gevaar liep, éa het verbod va» huwelijk met een broedersweduwe die kinderea had, - wijl an'Jers de familie zich te zeer in zich zelve opsloot.

Toch is er nog eea diepere reden, die het huwelijk onder bloedverwanten uitsluit, een redea die in het huwelijk als zoodanig is gelegen. Alle huwelijk bedoelt, dat de mcnsch zijn onvolkomenheid bekennc, zijn inbeelding vaa zelfgenoegzaamheid opgeve, en in een ander persoon de noodzakelijke aanvulling van zich zelvea zoeken, tegelijk met de roeping om het oagenoegzame ia die andere persoon op zija beurt te vervulieE. Dit nu ware ondenkbaar zoo niet maa ea vrouv/ verschilden. Omdat een vrouw geheel anders is een man heel anders dan eea man, ea daa een vrouw, daarom kan de een den ander geven wat een van zich zelf niet heeft. Het verschil is dus veronderstelling. De liefde komt niet uit de overeenstemming noch uic de gelijkheid, maar juist uit de ^«gelijkheid en uit het verschil. Wie mst u huwen zal, most anders zija dan gij, en waar twee huwen die te veel op elkaar gelijken, zijn ze over ea weer onmachtig om den scheidenden factor tot ontwikkeling te brengen. Ze hebben saam te veel van wat aan beide gemeen is, ea aan beiden blijft ontbrekea dat andere menschelijke, dat ze missen. Of liever, het schuilt wel in hen, maar het kaa niet tot onlwikkeiing komen. Geestelijk blijven ze voor elkaar, onvruchtbaar. En juist ditzelfde nu verbiedt het huwelijk onder bloedverwanten. Bloedverwanten zija te gelijk, loopen te weinig uiteen, zija te veel hetzelfde soort, hebben te veel ééa bloed, en missen daardoor juist és.t verschil, dat grondslag van alle huwelijk moet zijn. Beider bloed gelijkt te veel op elkaar. Vandaar de onvruchtbaarheid ïn hun geslacht. De zegen ontbreekt er aan. God geeft hua geen kroost. Ze leiden wel in schijn eea huwelijksleven, maar een huwelijk voor God is het niet.

Het algemeene standpunt is hier dus niet oazekcr. Maar hiermede zijt ge er nog niet. Nu toch rijst de vraag, hoever gaat dit.? Tot in & zn hoeveelsten graad? Ia de Middeneeuwen bracht mea dit op den zevenden graad. En dat niet alleen; maar doordien j men deze zeven graden, dia oorspronkelijk gerekend waren naar de graden van het Romeinsche recht, nu naar de Germaansche rekening der graden ging teilen, werd de bloedverwantschap feitelijk nog verder uitgebreid. Dit nu ging veel te ver, en noodaaakte tot eindelooze dispensation, die £«.lf, ; tot in dan dsrden graad konden gs^even worden; niet in den eersten ea tweeucn, tenzij bij vorsten of uit hoofde van publiek belang. Het was daarom volkomen juist gezien, dat men later deze grenzen enger trok. Maar vooral nu de kerken geen vaste lij a meer aangeven, is op dit punt vaste regeliag van de zijde der Overheid aoodzakelijk; al blijft voor wie aaa Gods Woord vasthoudt ook zoo nog altoos het beginsel gelden, om huwelijken tusschen bloedverwanten in de eerste drie graden te mijden. Vooral bij het huwelijk geldt het, dat een iegelijk in zijn eigen conscientie ten volle verzekerd zij.

Een korte bespreking van LeviticuK 18 : 16 en 18 mag hier niet achterwege blijven. Oudtijds is op grond van deze bijbelteksten elk huwelijk ook met de zuster van de overledea vrouw voor bloedschaade verklaard; en zoo dikwijls dit punt in de i6e eeuw ter sprake kwam, heeft men ook op Syaodale vergaderingen, edoch aanvankelijk zonder nader onderzoek, deze quaestie steeds beschouwd zooals de Roomsche ksrk die had leeren beschouwen. En toch is de zaak hiermede niet uitgemaakt. Ja zelfs al had men ia dei 6e eeuw de zaak wel opzettelijk onderzocht, zoo zou toch altoos zulk een uitspraak aan Gods Woord appellabel blijven, en vallen moeten, indien het bleek dat men zich vergist had.

Nu geldt in de eerste plaats tea deela ook hier, wat we boven opmerkten over het speciaal karakter van de door God aan Israël gegeven wetten. Ten deele, zeggen we, want we zijn niet onkundig van de brcede vertoogen waana de Leidsche faculteit, a Marck en De Moor, tea deele vroeger eok Voetius e. a. staaade hielden, dat Leviticus 18 tot de zcdewet behoort, ea niet tot het burgerlijk recht vaa Israël; ea stemmen zonder aarzelen toe, dat de hoofdiahoud van Lev. 18 metterdaad een generaal karakter draagt. Maar toch neemt dit niet weg, dat wat de letter aangaat, ook hier wel degelijk op dit onderscheid moet gelet worden. Ds doodstraf, die in dit hoofdstuk op al zulke verontreiniging van het huwelijk gesteld was, zal niemand ais thans in disa £ia nog geldeade beschouwen; en vs. 18 onderstelt nog de mogelijkheid van polygamie. Ook toont de inleiding over de Egyptenarea, dat de preciese vorm van deze wet v/el ter dege Israëlitisch is.

In de tv/cede plaats lette men er op, dat in vs, 16 wel het huwelijk met de vrouw van een overled-sn broeder wordt verboden, maar niet met de zuster van een overleden vrouw. Dit is er v/el bij analogie uit afgeleid, ca er ligt in deze redeneering ook zekere grond van waarheid. Maar dit is toch niet hetzelfde alsof het er letterlijk ."stond, Vi^at in vs, 16 als motief staat, dat de weduwe „de schaamte van haar overleden man" is, kan men niet ia gelijken zin vaa dea overgebleven maa zeggen, alsof hij „de schaamte vaa zija overleden vrouv/" ware. Het staat rnet de vrouw tea deze niet zoo als met dea man, Eea verschil, dat v/e ia een blad als het onze wel niet nader kunnen toelichten, maar dat reeds geaoeg wordt aangeduid door dea naam van maa^d, v/aar geen gelijksoortige naam voor den jongen maa tegenover staat.

Tea derde is Lev. 18:18 van zeer on-

nekere uitlegging, en thans mag men wei zeggen, dat door de deskundigen vrij algemeen wordt toegegeven, dat hier alleen sprake is van een huwelijk als dat van Jacob en Rachel, nadat hij Lca reeds gehuwd had. Ook wij zien geen kans om een andere uitlegging staande te houden. En nu is het wel waar, dat, gelijk onze kantteekenaars zeggen, hier nog niet volgt, dat zulk een huwelijk na den dood der vrouw daarom wel geoorloofd zou zijn; maar in elk geval is uit dit i8e vers dan toch niets af te leiden voor een verbod.

Ten vierde staat in Lev. 20 : 2i, dat als een man in Israël deed wat in Lev. 18 : 16 verboden is, zulk een huwelijk onrein zou •ijn, en met onvruchtbaarheid zou worden gestraft. „Zij zullen geen kinderen krijgen." Gold dus dat gebod nog in gelijken zin voor ons, dan zou een huwelijk met een zuster van de overleden vrouw ook nu nog altijd kinderloos moeten blijven, wat volstrekt niet altijd het geval is.

"Waar dan ten slotte nog bijkomt, dat hier geen der algemeene beginselen in het spel komen, die, gelijk we boven zagen, achter deze wetten of er aan ten grond liggen.

In weerwil van de stellige uitspraak onzer meeste godgeleerden, kunnen wij ons dan ook zeer wei voorstellen, dat een koning, die God vreesde en beefde voor zijn Woord, toch zou kunnen aarzelen, om zulke huwelijken aan zijn onderdanen te verbieden. Of zelfs de kerken, indien thans haar oordeel werd gevraagd, nog in den ouden zin zouden beslissen, wagen we te betwijfelen. In Amerika is reeds op meer dan cene kerkelijke vergadering het vroegere verbod ingetrokken. En wat de private conscientie betreft, Is zeer zeker het mijden van huwelijken in den kring ook van onze naaste magen steeds geraden, maar toch is het niet zoo ondenkbaar, dat iemand die terdege in de Schrift thuis was, en zich rekenschap wist te geven van wat God ons oplegt, niettemin geen oorzaak vond, om aan de geldigheid van zulk een huwelijk voor God's aangezicht te twijfelen.

We zeggen dit, al weten we dat velen hierover anders oordeelenj ook in de hoop dat ons schrijven allicht aanleiding zal geven om dit punt nader te onderzoeken, of langs dien weg onze kerken allengs tot ecne vaste overtuiging mochten komen, die aan de slingering der conscientie een einde maakte.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 29 January 1893

De Heraut | 4 Pagina's

Het zevende Gebod.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 29 January 1893

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken