Bekijk het origineel

Concept-Begeling

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Concept-Begeling

42 minuten leestijd

VOOR DE OPLEIDING VAN DIENAREN DES WOORDS in de Gereformeerde Kerken.

De Gereformeerde kerken aanvaarden bij hare vereeniging op de Generale Synode te Amsterdam (altoos binnen de perken harer bevoegdheid, en alzoo zonder hiermee te bedoelen, dat haar bepalingen boven Gods Woord of als gelijkstaande met de Belijdenis zouden gelden) »het beginsel, dat de kerk geroepen is, een eigene inrichting tot opleiding harer leeraren te hebben, tenminste wat de Godgeleerde vorming betreft". Zij spraken daarbij echter tevens uit, dat deze verklaring niet bedoelde: »i. om het aloude Gereformeerde beginsel van vrije studie te vernietigen; noch ook 2. om verandering te bren^^en in de Gereformeerde wijze van kerkelijke examinatie der aanstaande Dienaren des Woords; evenmin 3. om iets te laten vallen van den eisch van wetenschappelijke ontwikkeling, die steeds door de Gereformeerde kerken gesteld is, en ook 4. niet om tegen te spreken, dat de vereenigde kerken over de regeling dezer zaak, later, indien noodig, hebben te oordeelen."

Met het laatste, de nadere regeling dezer zaak, maakte de Generale Synode zelve reeds een aanvang. Ze was van oordeel, dat de geheel verschillende bepalingen en usantiën, welke voor de opleiding van Dienaren des Woords tot dusver in de beide kerkengroepen hadden gegolden, op den duur niet konden blijven bestaan. Op sommige punten, vooral in het peremptoir examen, bracht zij reeds eene voorloopige overeenstemming tot stand.

Maar eene meer afdoende regeling was te veelomvattend, om in deze eerste Generale Synode reeds ontworpen en behandeld te kunnen worden. Zij liet deze voor hare opvolgster over en gaf'aan een vijftal Deputaten in last, om in zake de opleiding van Dienaren des Woords eene regeling te ontwerpen en dit concept minstens drie maanden vóór de eerstvolgende Synode aan de Kerken mede te deelen. Voldoende aan deze opdracht, hebben Deputaten hiervoor benoemd de hierbij gevoegde regeling ontworpen, die zij de eer hebben met hun voorafgaande overwegingen aan de kerken aan te bieden.

Bij de voorloopige regeling dezer gewichtige aangelegenheid achten Deputaten, dat er vooralsnog geene aanleiding bestaat, om het elfde punt uit het besluit der Leeuw.irder Synode nader ter toetse te brengen en komen alzoo vooral een drietal vragen in aanmerking, maar die een duidelijk antwoord vereischen. De eerste vraag raakt den bestaanden toestand: Is het wenschelijk, om de thans bestaande tweeërlei opleiding te bestendigen, of verdient eenheid van opleiding daarboven de voorkeur? Indien het laatste, dan geldt de tweede vraag, het ideaal: Hoedanig behoort naar Gereformeerde beginselen die ééne opleiding te wezen ?

En wanneer ook deze vraag duidelijk en voldoende is beantwoord, betreft de derde vraag den weg waarlangs, en de wijze waarop deze gewenschte eenheid van opleiding het best kan worden verkregen.

Is eenheid van opleiding gewenscbt?

Op het terrein der vereenigde Gereformeerde kerken bestaat thans feitelijk eene tweeërlei opleiding voor de Dienaren des Woords; bestaan een tweetal scholen; een dubbel stel van Hoogleeraren; eene onderscheidene voorbereidende en Godgeleerde studie; verschillende wetenschappelijke en kerkelijke examina. De aard en inrichting van beide scholen, die te Kampen en te Amsterdam, loopt, gelijk ieder weet, zeer verre uiteen.

Nu is er meermalen ten gunste van zulk ene gedeelde opleiding zeer krachtig gepleit. n de gronden' die men daarvoor heett aanevoerd, zijn niet van gewicht ontbloot. Het eit is toch niet te loochenen, dat er ook oner de studeerenden groot verschil is in aaneg en gave, en bovendien in leeftijd en verogen. De weg der gymnasiale en universiaire studie schynt voor sommigen te lang en e kostbaar te zijn. De ondervinding leert ook, at zij, die op gevorderden leeftijd tot bekeeing komen en daarna tot de studie zich beeven, niet zelden met rijken zegen in de emeente des Heeren, soms boven anderen, ebben gearbeid. Indien er slechts één streng etenschappelijke opleiding bestaat, wordt voor ezen (zoo beweert men) de weg tot het ambt olkomen afgesneden. En de kerk berooft zichelve moedwillig van de uitnemende gaven en rachten, welke de Heere in zulke mannen voor den dienst des Woords haar schenken wil.

Er ligt ongetwijfeld veel waars in deze aanbeveling van eene tweeërlei opleiding. Maar naarmate het hier verdedigde stelsel helderder ingedacht wordt, springen ook de nadeelen en schaduwzijden, die er aan verbonden zijn, te duidelijker in het oog.

Ten eerste toch laten de menschen in het algemeen, en zoo ook de studeerenden, zich niet op die wijze in twee klassen van rijken en armen indeelen. De middelmatigen vormen ook in aanleg en gaven de meerderheid. ledere school moet met dit feit rekenen. Zij mag en kan hare eischen niet zoo hoog stellen, dat alleen de rijkbegaafden daaraan zouden kunnen voldoen. Zij zou dan zichzelven ontoegankelijk en onbruikbaar maken voor de minder bedeelden en arbeiden aan haar eigen ondergang. Zij moet in wetenschappelijke eischen, in jaren van studie, in bedrag der kosten zich schikken naar de werkelijkheid. En iedere inrichting van onderwijs levert daarom altijd ook zulke mannen af, die zelfs het peil van het middelmatige niet in ieder opzicht hebben bereikt.

Maar ten tweede is zulk een tweeërlei opleiding, waarvan de eene een goedkooper, korter en gemakkelijker weg tot het ambt baant dan de andere, op Gereformeerd standpunt ten eenenmale verwerpelijk. Voor Rome moge ze verkieslijk wezen, wijl dit verschillende ambten kent. Aan Luther moge zij een oogenblik wenschelijk zijn voorgekomen. Maar een Gereformeerde kerk kan ze niet goedkeuren, omdat ze diep doordrongen is van de eenheid en gelijkheid van de Dienaren des Woords, en daarop altijd zoo sterk mogelijk den nadruk legt. Eene tweeërlei opleidirg heeft altijd tot gevolg, dat er ook onder de Dienaren des Woords een tweeërlei klasse en stand onderscheiden wordt, van wetenschappelijk en van practisch gevormde predikanten, mannen van hoogeren en lageren graad. De eenen laten zich voorstaan op hun degelijker studie, op hun dieper kennis. En bij de anderen ontwikkelt zich zeer licht die andere soort van geestelijke zelfverheffing, welke juist uit reactie de studie veracht, op eene onmiddellijke leiding des Geestes afgaat en, in stede van in bediening des Woords, sterkte zoekt in gemoedelijke toespraak en mystieke dweperij.

Daarbij komt dan nog in de derde plaats, dat zulk eene practische opleiding niet geeft, wat men er mede bedoelt en er van verwacht. Men hoopt langs dezen weg predikanten te vormen, die voor den arbeid in de gemeente geschikter en nuttiger zijn, dan die meer wetenschappelijk opgeleid worden. Maar de ervaring leert, dat ook zij, die minder rijk met gaven zijn bedeeld, toch later in de gemeente blijken veel meer nut van eene degelijke opleiding te hebben getrokken, dan aanvankelijk gedacht werd. En omgekeerd kweeken die soort theologische scholen, waar practische vorming hoofdzaak is, wel Dienaren, die allerlei Christelijken arbeid ter hand nemen; maar zij boezemen hun geen liefde in voor de theologie, en laten het zelfstandig denken onontwikkeld. Het voorbeeld van Engeland, Schotland, Amerika, waar de meeste predikanten in zulk een practischen geest worden opgeleid, leert, hoe de waarheid er slechts oppervlakkig gekend wordt en de dwaling er gemakkelijk ingang vindt. De prediking verarmt er door, is volstrekt geen prediking van het Woord, maar eene aangename en stichtelijke toespraak, en de gemeente wordt er niet door opgebouwd in de genade en kennis van haren Heere en Zaligmaker.

De Gereformeerde kerken hebben dit stelsel, hoewel het bekend was en bestond, dan ook te allen tijde met bewustheid en beslistheid bestreden. En zij hebben door hare wetenschappelijke inrichtingen, hetzij deze dan een meer seminaristisch of universitair karakter droegen, een stel predikanten gekweekt, die in den strijd tegen allerlei opkomende dwalingen en ketterijen volkomen voor hun taak berekend bleken en de gemeente hebb^ opgebouwd en bevestigd in haar allerheiligst geloof. Op dit voetspoor hebben dan ook onze Gereformeerde kerken ten vorige jare verklaard, dat het bezitten van eene eigen inrichting in niets tekort mocht doen - ^aan den eisch van wetenschappelijke ontwikkeling".

Eindelijk sluit eene wetenschappelijke opleiding voor de Dienaren des Woords niet uit, dat mannen, die op lateren leeftijd oprechten lust ontvangen om den Heere in Zijn Evangelie te dienen, op eene andere wijze en langs een anderen weg tot het ambt komen. Wie dit ontkent, miskent het beginsel van vrije studie, en vergeet bovendien, dat voor dezulken in de Gereformeerde kerken altijd de weg over art. 8 der D. K. O., en die van opleiding bij een predikant, openstond. Maar hun getal, dat niet hooger dan op een twee-of dnetal per jaar te schatten is, blijft althans in den gewonen, normalen, toestand der kerken veel te klein, om daarvoor eene afzonderlijke inrichting in stand te houden. Bovendien zou zulk eene aparte opleidingsschool het ernstig gevaar meebrengen, dat zij juist door haar afzonderlijk bestaan tal van mannen opwekte, en lokte

naar het ambt, die daarvoor noch roeping noch gave ontvangen hadden.

Maar niet alleen is het licht, de bewijzen te ontzenuwen, die voor het behoud en het nut van een tweeërlei opleiding aangevoerd worden. Er kleven aan dit stelsel nog andere bezwaren en gevaren, die het geheel onaannemelijk maken.

Het grootste bezwaar bestaat wel daarin, dat er aan de beide scholen en alzoo ook in de kerken een tweeërlei theologische richting opkomt en bestendigd wordt, waardoor de eenheid der gemeente wordt geschaad en de liefde en vrede wordt geweerd. Verscheidenheid van inzicht is goed; eenvormigheid is ook in de kerk en de theologie geen rijkdom maar armoede; maar verschil van richting werkt altijd schadelijk in de kerk van Christus. Gemeenten en predikanten worden er door in partijen verdeeld. In plaats van samen te arbeiden aan één werk: de uitbreiding van het Koninkrijk der hemelen, gaan ze tegenover elkander staan, raken onderling aan het disputeeren en theologiseeren, en verteren elkanders kracht. Zeer licht kruipt op die wijze de dwaling en ketterij in Jezus' gemeente in. Onwillekeurig toch zal de de ééne school eene vrijere, de andere eene strengere richting gaan vertegenwoordigen. En zooals de geschiedenis leert, en nog onlangs de droeve uitkomsten aan de theologische, let wel, kerkelijke scholen in Zwitserland en Schot-Itrtil getoond hebben, zal de vrijere richting dar. altijd de jeugdiger krachten tot zich trekken, die straks in de gemeente tegen de meer behoudende richting positie gaan nemen, en - . er; !wakking van het geloof voorbereiden. Maar ook, indien dit gevaar niet aanstonds zich mocht voordoen, komt er toch tusschen de beide scholen weldra eene onaangename en verderfelijke concurrentie. De zucht om de meerdere te zijn of ook het grootst aantal discipelen te lokken, komt in strijd met de eischen van het gehalte en degelijkheid. De ééne school wordt die van de mingegoeden, van de gevorderden in leeftijd, van de zwakkeren in aanleg; terwijl de andere school haar eere gaat stellen in haar hoogere eischen en meerdere degelijkheid. En ook langs dezen weg wordt het verschil in de gemeente ingedragen, en deze zelve verdeeld, straks verscheurd.

Maar eene dubbele opleiding splitst ook en versnippert de kracht. Dit geldt zoowel intellectueel als financieel. En in beiderlei opzicht zijn de Gereformeerde kerken niet zoo rijk, dat^ zich de weelde van een tweetal scholen mo^ en kunnen veroorloven. De kosten, die eene school voor de opleiding van predikan^ ten, niet enkel om haar in te richten, maar om ze, gelijk het behoort, in stand te houden, na zich sleept, zijn niet gering. Er is jaarlijks voor elke school nu reeds het vierde van een tonne gouds noodig. En als men dan bedenkt, dat de Gereformeerde kerken over het algemeen niet rijk zijn; bedenkt, dat er nog zooveel is te doen; en dat de scholen en stichtingen van allerlei aard onze hulp en ondersteuning vragen; zou het dan toch niet onverantwoordelijk zijn, om gansch onnoodig en alleen Ier wille van een lievelingsdenkbeeld, meer dan de dubbele kosten te maken, en jaarlijks een 50, 000 gulden uit te geven, waar men met een 25, 000 kon volstaan? En evenzoo staat het onder de Gereformeerden met de wetenschappelijke krachten. Ze hebben alle beschikbare krachten noodig, om op theologisch terrein eenigermate aan hunne roeping te beantwoorden. Zij zijn niet rijk genoeg, om op den duur ook wetenschappelijk een tweetal scholen en een dubbel stel van hoogleeraren er op na te houden, dis precies hetzelfde werk verrichten. Ook hier kunnen dus de krachten en gaven beter besteed en voor andere, even dringende, werkzaamheden aangewend worden.

aangewend worden. Alleen dan — wij stemmen het toe — zou een tweetal inrichtingen gewenscht zijn, indien het getal studenten straks in de vier-, vijfhonderd liep. Maar ook dat is niet het geval. Thans tellen beide scholen samen niet meer dan 130 theologische studenten. En dit getal is niet alleen met het oog op de behoeften der kerken geheel voldoende, maar juist dit totaal is ook noodig, om de studenten onder elkander die vorming te doen vinden, welke in dezelfde mate tot hunne ontwikkeling bijdraagt als het onderwijs der Hoogleeraren en het verkeer in de school. Alleen onder een dergelijk aantal vinden de studenten de noodige wrijving van gedachten, eene genoegzame keuze voor den omgang, en eene voldoende gelegenheid om zich veelzijdig te ontwikkelen. En terwijl twee inrichtingen zich iarenlang behelpen moeten, en aan hulpmiddelen voor studie (bibliotheken) gebrek lijden, kan dit alles aan ééne inrichting van stonde aan in een beteren toestand worden gebracht.

Eindelijk geldt tegen de bestendiging van eene tweeërlei opleiding ook nog dit bezwaar, dat zij welbezien geheel in strijd is met het beginsel en het doel van de vereeniging, welke de Gereformeerde kerken in 1892 gesloten hebben. Beginsel toch was de eenheid des geloofs en der belijdenis. En doel was niet uitwendige samenvoeging, maar innerlijke, geestelijke ineensmelting. Eene tweeërlei opleiding nu werkt dit doel zoo krachtig mogelijk tegen; zij bestendigt de tweeheid, doet de verschillende herkomst en geschiedenis der kerken voortleven, en verhindert de volle, hartelijke samensmelting.

Om alle deze redenen is er niet wel twijfel mogelijk, of gedeeldheid van opleiding moet ten hoogste schadelijk en gevaarlijk worden gekeurd. Er rest slechts één conclusie: Eenheid van opleiding is ia ieder opzicht gewenscht en noodzakelijk.

II.

Hoedanig behoort die opleiding te zijn?

Indien nu de opleiding voor de Dienaren des Woords in de Gereformeerde kerken in den regel één en eenerlei behoort te wezen, dan komt in de tweede plaats de vraag aan de orde: Welke en hoedanig moet deze dan zijn? Nog moeilijker en ernstiger dan de eerste, is deze tweede vraag. Ze hangt met de diepste beginselen saam, en is niet dan uit die beginselen zelve te beantwoorden.

Tweeërlei belangen zijn bij dit ingewikkelde vraagstuk betrokken: die van de Kerk en van de Wetenschap. En alleen een eerlijke en trouwe behartiging van beider belangen kan ons een juist en duidelijk antwoord aan de hand doen.

De belangen der kerk zijn bij deze vraag gemoeid in dubbelen zin. In de eerste plaats hangt de welstand en bloei der kerk middellijkerwijze af van de Dienaren die haar leiden, en dus van de school waar deze gevormd zijn. De gemeente heeft Godvruchtige en degelijke mannen van noode, onberispelijk, wakker, bekwaam om te leeren. Aan de opleiding dezer Dienaren is dus der kerken zeer veel gelegen. Haar eigen welstand, de bediening des Woords, de zorg der zielen, de uitbreiding van Gods rijk en de eere van Zijnen Naam hangen met deze opleiding ten nauwste samen. Ook heeft de kerk bij de school, waar de Godgeleerdheid beoefend wordt en hare Dienaren gevormd worden, nog een ander belang. De theologie is namelijk eene heilige wetenschap. Zij ontleent haar beginsel, voorwerp en doel niet aan de natuur, maar aan de genade; ze komt, in haar tegenwoordigen vorm, niet uit het gevallen creatuur, maar uit de herschepping voort. Haar beginsel is de Heilige Schrift, het Woord onzes Gods. Die Schrift nu is niet uitsluitend, maar dan toch in de eerste plaats aan de gemeente van Christus gegeven. Haar zijn de Woorden Gods toebetrouwd. Zij is de pilaar en vastigheid der waarheid. Zij is door den Geest des Heeren geroepen en bekwaam, om dat Woord Gods te bewaren en te prediken; geestelijk uit te leggen en te belijden; te handhaven en te verdedigen. Zij heeft het Goddelijk ius docendi, het recht en den plicht om te leeren, om de gedachten Gods te stellen tegenover de wijsheid der wereld, en ook als profetesse van den Naam des Heeren te getuigen. Het beginsel, door de vereenigde kerken aanvaard, is dus in dezen zin eer te eng dan te ruim. Er is voor de kerk eene inrichting noodig, daargelaten nu hoe die ontsta, ten eerste ter opleiding harer Dienaren, en ten tweede ter vervulling harer profetische roeping. Meer echter volgt uit het beginsel der kerk, als instituut, dan ook niet, indien er alzoo van elders geen andere belangen in het spel kwamen, zou de kerk als zoodanig met eene theologische school desnoods kunnen volstaan; ze zou reeds hierdoor in staat zijn gesteld, om als ecclesia instituta, ten volle aan hare roeping te beantwoorden. Uit de kerken, als ecclesia institutae, d. i. als zichtbaar geïnstitueerd, kan toch nooit de noodzakelijkheid worden afgeleid, dat de theologie ook in den meer eigenlijken zin als wetenschap onder de wetenschappen optrede, en als een eigen faculteit in den kring der univrsitaire wetenschappen hare plaats inneme. Uit de niet slechts zichtbare, maar ook geïnstitueerde kerk laat zich niets anders en niets meer afleiden, dan dat er eene theologische school beschikbaar moet zijn, die gelegenheid biede voor de opleiding van hare leeraren, en voor het vervullen van die profetische roeping, die onze geloofsbelijdenis in het ambt der Doctoren op het oog had.

Maar indien we verder tot den wortel der beginselen teruggaan, treedt de theologie nog met heel andere eischen op dan de kerk, vermits ze ook in verband komt te staan met het geheel onzer menschelijke kennis.

Want wel is de Godgeleerdheid eene bijzondere, eene heilige wetenschap, als in beginsel, voorwerp en doel van de andere wetenschappen onderscheiden. Maar beide hebben ze toch haar laatsten grond en hare diepste eenheid in God en in Zijne Souvereiniteit. God is de Schepper van beide terreinen, van natuur en genade. Uit Hem zijn alle wetenschappen. En samen hebben ze ook één doel: de eere van Zijn Naam. Ze hebben alle tezamen, ofschoon elk op eigen wijze, de gedachten Gods op te sporen en te vertolken, die Hij in natuur en Schrift neergelegd heeft.

Voorts is de Heilige Schrift wel allereerst het beginsel der theologie, en ter bewaring, prediking en .verdediging aan de kerk toebetrouwd. Maar ze heeft toch nog eene veel wijdere strekking. Zij is niet het privaat eigendom der kerk, maar is ook een boek voor de menschheid, voor huisgezin en maatschappij, voor wetenschap en kunst. Zij is geen boek der religie en der moraal alleen, maar ze is norma en richtsnoer, geneesmiddel en correctief voor alle wetenschappen. Zij is altijd en overal een lamp voor den voet en een licht op het pad. En daarom hebben alle weten schappen de Heilige Schrift noodig en dus ook de voorlichting der theologie.

Daarbij komt, dat alle wetenschap, ook die der theologie, opkomt uit den mensch ingeschapen aandrift naar kennis, uit den hem eigen drang naar weten. De kennisse Gods was oorspronkelijk niet gelijk Rome leert, een bovennatuurlijke gave, maar behoorde tot het beeld Gods en tot het wezen van den mensch. En wel is die kennis door de zonde verduisterd geworden, evenals alle andere kennis door haar is bedorven; en wel is ze thans alleen langs buitengewonen weg, door revelatie en illuminatie, in den mensch hersteld. Maar toch is er ook in den toestand der zonde, dank zij de algemeene genade, een drang naar weten overgebleven, die, mits door de verlichting des Heiligen Geestes in het rechte spoor geleid, der gansche wetenschap het aanzijn geven kan, en ook zoekt door te dringen tot de kennisse Gods. Er is dus, voor den Christen, die alle wetenschap aldus opvat, principieel geen tegenstelling tusschen de theologie en de andere wetenschappen. Zij vormen voor hem samen één organisch geheel. De mensch is er oorspronkelijk en door de verlichting des Heiligen Geestes ook thans weer toe bekwaamd, om God in alle dingen en alle dingen in God te zien en te kennen. Hij rust niet, vóór hij eenheid in zijn denken en harmonie, systeem, in al zijne kennis heeft gebracht.

De geschiedenis leert dan ook, dat deze wetenschappelijke beoefening der theologie (van de formuleering der Godskennisse door de kerken wel te onderscheiden) niet uit de zichtbaar geïnstitueerde kerk, maar vrij, als heel de Christelijke wetenschap, uit den geheiligden drang naar kennis bij de Christelijke volken is te voorschijn gekomen, en als vanzelf in den kring der wetenschappen eene, ja de eerste plaats heeft ingenomen. De theologie in dezen zin kan dus ook de wetenschappen niet missen. Zij is niét zonder haar, maar door hare hulpe ontstaan. Zij onderstelt veelzijdige literarische en philosophische propaedeuse. Zij komt ieder oogenblik met alle vakken der wetenschap in aanraking. En deze wetenschappen hebben, om zuiver te gaan, de leiding der theologie van noode en hare voorlichting uit de Heilige Schrift. De wetenschappen liggen niet als de vakken van een schaakbord gescheiden naast elkaar, maar snijden en kruisen elkander ieder oogenblik. Daarom is er een strijd der wetenschappen. En, juist daardoor is in het Christelijk Europa ten slotte de idee opgekomen om in de Universiteit de eenheid aller wetenschappen te zoeken.

De geïnstitueerde kerken mogen dus, op zichzelve beschouwd, aan eene te harer beschikking zijnde Theologische school genoeg hebben en daarmede tevreden kunnen zijn; de Gereformeerde beginselen eischen, dat de theologie als wetenschap niet in een seminarie worde opgesloten, maar ook met alle wetenschappen in organisch verband trede en aan de Universiteit eene eigen plaats inneme. Aan die beginselen waren de Gereformeerden zelven te allen tijde getrouw. Zij hebben overal bewust en beslist aan eene Universiteit boven eene Theologische school de voorkeur gegeven. Waar zij het hoogere konden bereiken, waren zij nimmer met het mindere, ook voor de opleiding harer Dienaren, tevreden.

III.

Langs welken weg is die opleiding te verkrügen?

In het voorafgaande kwamen we tot een drieërlei besluit. Ten eerste bleek ons, dat voor den vrede en den bloei der kerken eenheid van opleiding niet alleen wenschelijk, maar ook dringend noodzakelijk is. In de tweede plaats werd ons duidelijk, dat eene kerk, op zichzelve beschouwd, tevreden zou kunnen zijn met de beschikking o-ver eene eigen inrichting ter opleiding van hare Dienaren en ter vervulling van hare roeping ten opzichte van de haar toebetrouwde Woorden Gods in het kerkelijk Doctoraat. Maar ten derde bleek het evenzeer een eisch der Gereformeerde beginselen te zijn, dat de theologie niet opgesloten wierd in een seminarie, maar als eene eigen, vrije wetenschap in organisch verband wierd gezet met alle andere wetenschappen.

Indien hierbij de lijnen zuiver en duidelijk getrokken zijn, kan het thans niet moeilijk zijn, om ten slotte nog kortelijk den weg aan te wijzen, waarlangs de gewenschte eenheid van opleiding in de Gereformeerde kerken kan worden verkregen. Immers, alleen zulk eene inrichting kan tegelijk aan de behoeften der geïnstitueerde kerken én aan den eisch der Gereformeerde beginselen, ten opzichte van de wetenschap, voldoen, die eenerzijds het karakter draagt van eene Theologische school, waarover de kerken de vrije beschikking hebben, en toch ter andere zijde ook tegelijkerlijd is eene Theologische faculteit te öiidden der Universitaire wetenschappen.

Hieraan nu beantwoorden de beide thans bestaande inrichtingen niet. De Theologische school te Kampen gaat jwel van de kerken uit, en dekt in zooverre fgeheel het door de kerken gemeenschappelijk overeengekomene. Maar de theologie wordt daar gedoceerd niet om haar zelfs wil, als wetenschap, maar alleen ter opleiding: van ; aanstaande predikanten; zij staat met de andere wetenschappen in geen organisch verband; en het ligt buiten de bevoegdheid der kerken, die school ooit tot eene Universiteit uit te breiden en alzoo van harentwege ook de andere wetenschappen daar te laten onderwijzen en beoefenen.

Maar ook de Theologische faculteit aan de Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag te Amsterdam komt met de hierboven gestelde eischen niet overeen. Wel staat de theologie daar met andere wetenschappen in een universitair verband. Maar de regeling, die de kerken in beginsel hebben'aanvaard, .vindt in ; haar geene toepassing. De kerken kunnen niet over haar beschikken. De overeenkomst, die voorloopig tusschen! de Vereeniging voor Hooger Onderwijs en de Gereformeerde kerken aangegaan werd, kan niet beschouwd als voor dit doel genoegzaam. De macht van de Synode der Gereformeerde kerken in zake de benoeming en het ontslag van de Hoogleeraren in de Theologische faculteit is zeer beperkt, en kan, bij onverhoopte botsing met het Bestuur der Vereeniging voor'; Hooger Onderwijs, ' zoo licht het onderspit delven. Ook missen de kerken in deze overeenkomst de noodige en toch zeer goed te vinden'waarborgen voor den door haar gewenschten gang van het onderwijs en de opleiding van Dienaren des Woords.

Daarom kan eene goede eenheid van opleiding alleen daardoor verkregen worden, dat beide inrichtingen met elkander samensmelten, en de eene van de andere het goede overneemt. Ook hier, evenals ten vorige jare bij de vereeniging der kerken, is het wenschelijk, dat zooveel mogelijk de schijn worde vermeden, alsof de eene inrichting in de andere over-en opga. Die schijn is hier echter te moeilijker te weren, omdat bij samensmelting in ieder geval ééne inrichting verhuizen moet. Nu kan niemand er in ernst aan denken, om de Vereeniging voor Hooger Onderwijs te verzoeken, om hare Universiteit naar Kampen over te brengen en met de Theologische school te vereenigen. Kampen heeft in geen enkel opzicht daarvoor eenige aanbeveling. Reeds heeft deze stad voor de Theologische school zoo weinig bekoorlijks, dat er meermalen ernstig aan hare verplaatsing is gedacht, en alleen het bezwaar der kosten daarvan vooralsnog heeft teruggehouden. Het zou dus voor de hand liggen, om de Theologische school naar Amsterdam over te brengen en daar met de Theologische faculteit der Vrije Universiteit te vereenigen. Maar er bestaan toch ook hiertegen geen kleine bedenkingen. Niet zoozeer de schijn, dat de Theologische school dan eenvoudig verdwijnt en plaats maakt voor de Theologische faculteit. Maar er zijn aan eene Universiteit in eene groote stad ook op zichzelf nadeelen verbonden. De sterke en veelvuldige verleiding kan voor het zedelijk en geestelijk leven der studenten een niet te onderschatten gevaar opleveren. De drukte van het verkeer en de grootte der afstanden kan een bezwaar worden voor den geregelden gang en degelijkheid der studiën. En de duurte van het leven doet de kosten van heel de Universiteit uit den aard der zaak in niet geringe mate stijgen. Deze bezwaren zouden zelfs een zoo ernstig karakter kunnen aannemen; dat de voordeelen van rijker omgang, beter studiemiddelen en veelzijdiger vorming daartegen misschien niet genoegzaam konden opwegen. In elk geval heeft de Synode aan de plaats der vestiging van hare Theologische inrichting zeer opzettelijk hare aandacht te wijden. En indien ze tot de overtuiging kv/am, dat verplaatsing wenschelijk ware, zou zij aan het Bestuur van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs desvereischt een voorstel daartoe moeten indienen. En met haar zou men dan moeten overleggen, wat ten slotte, alles wel overwogen, voor geheel onze positie en de toekomst onzer kerken, het meest gewenscht scheen.

De samensmelting zelve zou overigens niet moeilijk tot stand zijn te brengen. De inrichting, aan welke de kerken voortaan de opleiding harer Dienaren toevertrouwde, zou alleen eene dubbele qualiteit moeten aannemen en in een dubbel karakter moeten optreden. Eenerzijds behoorde ze eene theologische school te zijn, die van de kerken uitging en door haar werd bestuurd; en anderzijds eene theologische faculteit, die onder het Bestuur der Vereeniging voor Hooger Onderwas in organisch verband met de overige faculteiten stond. Zulk een samensmelting en dubbele qualiteit der scholen kan natuurlijk alleen gevonden worden in de personen der Hoogleeraren, en in eene dubbele aanstelling, die hun eenerzijds van de kerken en anderzijds van het Bestuur der Vereeniging gewerd. De eerste benoeming stempelde de inrichting tot eene theologische school der kerken; de andere tot eene faculteit der Universiteit. Indien de Synode dan ook besluiten kon tot samensmelting der beide scholen, zou zij i, de Hoogleeraren hebben aan te wijzen, die zij voortaan met de opleiding harer Dienaren wenschte te belasten, en 2. deze Hoogleeraren, op nader te regelen wijze, aan te bieden aan het Bestuur der Vereeniging voor Hooger Onderwijs, met verzoek om ook zijnerzijds deze Hoogleeraren aan te stellen, of ook, indien reeds aangesteld, te blijven erkennen als Hoogleeraren en ze alzoo als eene eigen faculteit te incorporeeren inde Universiteit. Indien het Bestuur der Vereeniging voor Hooger Onderwijs zich hierin vinden kon, ware de ineensmelting der scholen practisch zeer spoedig verkregen.

Alleenj daarmede ware de zaak wel voor het oogenblik, maar nog niet voor de toekomst geregeld. Voordat de Synode besluiten kon, om hare Theologische school in dezen zin ook in het corpus Universitatis te laten incorporeeren, en met de Theologische faculteit saam te smelten, zou zij zich met het Bestuur der Vereeniging over tal van zaken hebben te verstaan, opdat niet later het door haar aanvaarde beginsel geschonden en haar recht verkort wierd. Zonder vaste stipulatiën over benoeming en ontslag der Hoogleeraren, toezicht op het onderwijs en de examina enz., zouden de kerken niet mogen overgaan tot een voor de toekomst der kerken zoo gewichtig besluit, als de ineensmelting van Theologische school en Theologische faculteit.

Wat de benoeming der Hoogleeraren aangaat, zou het denkbaar zijn, dat deze ook in de toekomst eerst van de zijde der kerken plaats greep, hetzij dan van de Synode, of van een bepaald getal harerzijds daartoe aangewezen dcputaten, met onverkorte bevoegdheid en macht van het Bestuur der Vereeniging, om deze door een benoeming zijnerzijds te laten volgen. Of, indien men meer minnelijke schikking wenschte, zou de benoeming beurtelings de eene maal kunnen beginnen van de zijde der kerken, de andere maal van het Bestuur der Vereeniging, met recht over en weer van veto, d. i. van niet-bekrachtiging. Zulk een voorkomend veto zou dan öf tot eene poging tot verzoening van beider belangen leiden, öf wel het zou aan de kerken onverkort het recht laten om hare Hoogleeraren te handhaven en hunne colleges voor haar studenten verplichtend te stellen.

Eene dergelijke regeling ware ook bij het eventueel ontslag der Hoogleeraren te treffen. De Synode der Geref. Kerken behoudt vanzelf altijd bij de Hoogleeraren, die ze aanstelde, ook het recht van ontslag en het recht om hunne colleges voor de studenten te verbieden. Natuurlijk loopen de zaken goed, zoolang tusschen de kerken en de Vereeniging voor Hooger Onderwijs de rechte verstandhouding bestaat. Maar de kerken moeten ook voor het onverhoopt geval van botsing hare rechten behouden en niet eensklaps in verlegenheid kunnen worden gebracht door het Bestuur eener particuliere Vereeniging. Dit wordt voorkomen, wanneer de benoeming en het ontslag der Hoogleeraren door de Synode, ook afgedacht van gewenschte bekrachtiging van de zijde des Bestuurs, haar onverminderde kracht behoudt en het voor de studenten dus als regel geldt, dat zij altijd onderwezen zullen worden door dezulken, die vanwege de kerken zijn aangesteld.

Het toezicht op het onderwijs levert minder moeilflkheden op. Want niet alleen eene Theologische school, maar ook eene Theologische faculteit heeft daaraan behoefte, en kan daar niet buiten. Aan de Synode worde dus het recht toegekend, om door deputaten het onderwijs der Hoogleeraren na te gaan en zoowel met het oog op de zuiverheid als ten aanzien van de geschiktheid voor de opleiding van aanstaande Dienaren te beoordeelen. Opmerkingen dienaangaande behooren dan, eerst aan de Hoogleeraren, en daarna, indien noodig, ook aan de Synode en aan het Bestuur der Vereeniging te worden meegedeeld. En de kerken behouden de bevoegdheid, om, in overleg met het Bestuur der Vereeniging, en desgevorderd ook zonder medewerking van dit Bestuur, de noodige maatregelen te nemen.

Evenzoo kan er van de zijde der Theologische faculteit geen bezwaar bestaan, om der Synode het recht te laten, om door hare deputaten de verschillende examina bij te wonen. Wel zouden de kerken er van moeten afzien, om zelve door hare Curatoren die examina te laten afnemen. Want niet alleen zou dit practisch meer en meer onuitvoerbaar worden, gelijk de ervaring in Kampen leert. Maar het is ook noodzakelijk, om volgens de door de kerken zelven gemaakte bepaling de oude, Gereformeerde wijze van examinatie te herstellen; de examens van school en kerk te onderscheiden; en zoowel het praeparatoir als peremptoir examen in de classes voor alle studenten verplichtend te stellen, en dus ook in deze zaak gelijkheid te brengen. De eischen der praeparatoire en peremptoire examens, die daarvoor ten vorigen jare zijn vastgesteld, kunnen thans eenvoudig door de Synode worden bestendigd. Alleen ware het wenschelijk, dat de Synode aan hare Hoogleeraren opdroeg, om bij de toelating van studenten op hunne colleges en tot de examina niet alleen te letten op aanleg en kennis, maar ook op Godsvrucht en leven; voorts ook, om toezicht te houden op handel en wandel der studenten, en bij het candidaatsexamen vooral instemming met de Gereformeerde belijdenisschriften, en minstens éénjarig lidmaatschap eener Gereformeerde kerk te eischen.

Indien nu zoodanige ineensmelting van Theologische school en Theologische faculteit tot stand kwame, zou de billijkheid eischen, dat de salarissen der hoogleeraren voor de helft door de kerken, en voor de andere helft door de Vereeniging voor Hooger Onderwijs wierden gedragen. De fondsen der Theologische school blijven daarbij natuurlijk geheel het eigendom der kerken, en worden ook in de toekomst ten nutte van de met de Theologische faculteit wel vereenigde, maar toch altoos zelfstandige, school aangewend. Thans echter bestaat de Theologische school nietj alleen voor de theologische, maar ook voor de literarische opleiding. Bij samensmelting der eerste met de Theologische faculteit blijft alleen deze laatste over. De kerken komen dan voor de keuze te staan, om deze literarische opleiding op te heffen, of maatregelen te nemen, dat deze in stand bleve.

Bij deze keuze kan de beslissing niet twijfelachtig zijn. Immers, de literarische opleiding is te Kampen in de laatste jaren aanmerkelijk verbeterd. Er zijn reeds drie leeraren, die uitsluitend met het propaedeutisch onderwijs zijn belast. De gebouwen, die de kerken te Kampen bezitten, en met groote kosten verkregen, zijn thans doelmatig ingericht, en zouden waarschijnlijk niet zonder aanzienlijke schade van de hand kunnen worden gedaan. Met betrekkelijk geringe kosten zou de literarische opleiding te Kampen dus in een compleet gymnasium kunnen overgaan. En naast het gymnasium te Zetten en te Amsterdam zou een derde gymnasium, meer bepaald voor het noor­ delijk deel des lands, werkelijk in eene groote behoefte voorzien.

Indien de kerken dus besloten, om de literarische opleiding te Kampen te laten bestaan, zouden zij echter, daartoe als kerken niet bevoegd, van de regeling dezer opleiding zich moeten terugtrekken. Er bestaat echter reeds sedert jaren eene Vereeniging voor Voorbereidend Universitair Onderwijs op Gereformeerden grondslag. En het ligt dus voor de hand, dat de kerken aan deze Vereeniging den voorslag doen, om de gebouwen te Kampen over te nemen, de daar bestaande literarische opleiding allengs te doen overgaan in een gymnasium, en zich als Vereeniging voor zichzelve en voor hare scholen, voor wat de zake der religie aangaat, onder het toezicht der kerken te stellen. Indien zoodanige regeling getroffen kon worden, zou er niet alleen geen bezwaar bestaan, maar zou het ook eene zedelijke verplichting der kerken zijn, om een gedeelte van de fondsen der Theologische school voor de Vereeniging beschikbaar te stellen, teneinde aan de haar opgedragen taak te voldoen. De fondsen der Theologische school zijn toch door de kerken niet alleen voor de theologische, maar ook voor de literarische opleiding te Kampen bijeengebracht, en zouden daarom, bij afscheiding van het theologische gedeelte, ook voor een gedeelte op het op te richten gymnasium moeten overgedragen. Zeer gemakkelijk zou dit alles alzoo geschikt kunnen worden, dat de gebouwen te Kampen op billijke voorwaarden aan de Vereeniging voor Voorbereidend Universitair Onderwijs werden o\ ergedaan.

In afwachting van hetgeen de Synode in deze aangelegenheid zal besluiten, scheen het ons niet raadzaam, nu reeds verandering voor te stellen in de voorloopige regeling der kerkelijke examina.

Op grond van bovenstaande overwegingen' hebben Deputaten voornoemd de eer u voor te stellen, dat de Synode besluite:

1. Dat de kerken in den aangeduiden zin eene poging zullen aanwenden, om hare Theologische School met de Theologische faculteit der Vrije Universiteit in verband te zetten.

2. Te dien einde voorloopig te arresteeren de bij dit rapport gevoegde Concept-Statuten voor de Theologische school. Zie Bijlage A,

3. Evenzoo voorloopig te arresteeren het hierbijgaande Concept van overeenkomst met het Bestuur der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag. Zie Bglage B.

4. Te benoemen eeme commissie bestaande uit zeven Deputaten, te kiezen buiten het Curatorium van de Theologische School en buiten de Directie der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag.

5. Aan deze Deputaten te geven de hier in concept bijgaande Instructie. Zie Bijlage C.

6. Saamroeping der kerken in generale Synode te gelasten, zoodra deze Deputaten hun rapport bij de roepende kerk zullen hebben ingediend; opdat niet deze, maar de eerstvolgende Synode definitief in deze zaak beslisse.

En 7. Hangende deze onderhandelingen de examina der Candidaten geregeld te laten, gelijk dit op de Generale Synode te Amsterdam geschied is.

En hiermede deze gewichtige aangelegenheid aan de genade onzes Heeren aanbeve'ende, hebben zij de eer dit hun rapport aan de Synode aan te bieden.

Deputaten voornoemd:

H. BAVINCK.

G. VAN GOOR.

A. KuijPER.

L. NEIJENS.

B. VAN SCHELVEN.

Utrecht, April I893.

BIJLAGE-A,

Gonoept-Statnten voor de Tlieologisclie School.

Art. r. De Gereformeerde kerken in Nederland onderhouden ook voortaan hare Theologische School, ten dienste van hen, die voor den Dienst des Woords wenschen te worden opgeleid.

Art. 2. Deze Theologische School zal gevestigd zijn te

Art. 3. Deze Theologische School zal in verband worden gesteld met de Theologische faculteit der Vrije Universiteit, voorzoover het mogelijk blijkt vanwege de Kerken de daarvoor vereischte overeenkomst met de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag aan te gaan.

Art. 4. De gezamenlijk kerken verzorgen deze Theologische School, voor wat het onderwijs aangaat, door Deputaten, die te dien einde door de generale Synode dezer kerken worden gemachtigd en geïnstrueerd.

De aanwijzing van deze Deputaten wordt opgedragen aan de Provinciale Synoden, voor elke provincie één.

Voor de uitwendige aangelegenheden benoemt en instrueert de Generale Synode een Directorium van vijf Deputaten, voor zooveel noodig buiten haar leden.

Zoo voor Curatoren als Directeuren worden tegelijkertijd secundi aangewezen.

Dezs Curatoren en Directeuren dienen van Generale Synode tot Generale Synode, en rapporteeren in de laatste.

Art. 5. De aanstelling, de schorsing en het ontslag van hen, die aan deze School onderwijs zullen geven, geschiedt, op voordracht van de Deputaten Curatoren, en voor zooveel noodig, in gemeen overleg met de Directie der Vrije Universiteit, door de Generale Synode.

Zij voeren den titel van hoogleeraar of lector.

Art, 6. Het College van hoogleeraren heeft het recht van examineeren en tot verleening van den graad van Candidaat tot het praeparatoir examen.

Art. 7. Tot de lessen dezer school worden alleen zulke leden van een der Gereformeerde kerken toegelaten, die na onderzoek blijken in staat te zijn de lessen te volgen, en, vanwege hun kerkeraad, goed getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel kunnen overleggen.

Bij het in te stellen onderzoek behoort te blijken, dat zij in kennis gelijk staan met hen, die met goed gevolg het propaedeutisch examen aan de Vrije Universiteit hebben afgelegd. Wie hiervan diploma bezit, wordt van het onderzoek vrijgesteld.

Art. 8. Het aantal hoogleeraren, en de vakken door elk hunner te onderwijzen, worden bepaald in de instructiën der Generale Synode voor Curatoren en hoogleeraren.

De jaarlijksche Series lectionum wordt, op voordracht van het College van hoogleeraren, voor zooveel noodig in gemeen overleg met de Theologische faculteit der Vrije Universiteit, door Curatoren vastgesteld.

Art. 9, De studie aan deze School duurt vier jaren. Elke cursus vangt aan medio September, en eindigt de laatste week van Juni.

Tusschenlijds is er een Kerstvacantie en een Paaschvacantie.

Art. 10. Voor het volgen der lessen wordt telken jare ƒ voldaan. Door deze betaling verkrijgt men recht tot bijwoning van alle lessen.

Art. II. Het College van hoogleeraren oefent opzicht en tucht over de ingeschreven studenten uit, en heeft als uiterste maatregel het recht een student van de School weg te zenden.

Art. 12. De Deputaten Curatoren oefenen toezicht uit op de belijdenis der hoogleeraren en lectoren, opdat alles uit hun onderwijs geweerd blijve, wat afbreuk zou doen aan de belijdenis der kerken.

De hoogleeraren en lectoren hebben zich te dien einde bij hun optreden te verbinden aan de Drie Foraiulieren van Eenigheid der kerken en te onderwerpen aan het opzicht van Curatoren.

Art. 13. Voor hen die nigt in staat zijn zelven in de kosten van hunne opleiding te voorzien, en zoowel geestelijk als verstandelijk een meer dan gewonen aanleg toonen te bezitten, kan, voor zoo verre de Provinciale Synoden en Classes hierin niet voorzien, een zeker aantal beurzen of huisvesting door de Deputaten Directeuren beschikbaar worden gesteld.

Art 14. Het inkomen en het pensioen der hoogleeraren en lectoren zal in instructie van hoogleeraren worden geregeld.

Art. 15. De gelden voor de instandhouding dezer School benoodigd, worden gevonden: I. uit interesten, huren of andere inkomsten van wat deze School bezit of te eeniger tijd mocht komen te verkrijgen; 2 uit legaten en giften; 3. uit collecten in alle kerken te houden; en 4 uit de collegegelden.

Art. 16 De overgang van de Theologische School in dezen gewijzigden vorm zal op last en met volmacht der kerken ten uitvoer worden gelegd door Deputaten, hiervoor door de Generale Synode te benoemen, edoch met dien verstande, dat verkregen rechten van de tegenwoordige Theologische Docenten aan de Theologische School in geen enkel opzicht worden verkort.

Deze Deputaten ontvangen hiervoor van de Generale Synode een afzonderlijke instructie, en rapporteeren op de eerstvolgende Synode.

BIJLAGE B.

Concept van overeenkomst tosschen de Gereformeerde kerken ia Nederland eenerzijds en de Directeuren van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gerelormeerden Grondslag anderzijds.

Contractanten, beiderzijds bezield met den wensch, om de Theologische School der Gereformeerde kerken op voet van zelfstandigheid, te doen saamwerken met de Theologische faculteit der Vrije Universiteit, zonder dat aan de verschillende herkomst, het onderscheiden karakter en het uiieenloopend bestuur van beide inrichtingen afbreuk worde gedaan, zijn overeengekomen als volgt:

Art. I. Beide inrichtingen zullen door haar respectieve besturen gevestigd worden in eenzelfde nader bij onderlinge overeenkomst te bepalen plaats van ons land; mits altoos met dien verstande, dat te dier plaatse een Gereformeerde kerk besta.

Art. 2. Contractanten anderzijds zullen de Theologische faculteit niet losmaken van de overige faculteiten, maar ook deze vestigen ter plaatse waar de Theologische faculteit zal zijn.

Art. 3. Contractanten zullen het daarheen leiden, dat de docenten inde Theologie, thans werkzaam aan de Theologische School, als hoogleeraren in de Theologische faculteit, en de hoogleeraren, thans werkzaam in de Theologische faculteit, als hoogleeraren in de Theologische School benoemd worden, en zulks vóór een later vast te stellen dag.

Art. 4. Contractanten verbinden zich elke drie maanden aan elk dezer hoogleeraren te doin uitbetalen de som van ƒ...., en voor deze som elk de helft te zullen storten ; alsmede voor de regeling der pensioenen van hoogleeraren nader overeen te komen, altoos onder eerbiediging van de door de tegenwoordige titularissen verkregen rechten.

Mocht door een der titularissen hiertegen bezwaar worden gemaakt, zoo zal hem, zoolang hij in dienst is, zijn dusver bedongen salaris worden uitbetaald door wie hem aanstelde; in welk geval de medecontractante hiervan de helft aan de andere contractante vergoedt.

Alt. s Contractanten zullen elk harerzijds aan Curatoren, in overleg met de hoogleeraren, die alsdan aan beide instellingen gelijkelijk benoemd zijn, vrijheid geven en hen uitnoodigen, om de verdeeling der studievakken, der college-uren, de tucht op de studenten en de examina, alzoo te regelen, dat voor beide inrichtingen, zooveel mogelijk, eenzelfde Series leciionum, zij het ook onder verschillend hoofd gelde, en dat eenzelfde examen, zoo de candidaat slaagt, recht geve op een dubbel diploma, voor elk der beide instellingen één.

Art. 6. Indien door vertrek, ontslag of sterfgeval een der tegenwoordig aan beide in richtingen arbeidende hoogleeraren mocht uitvallen, zullen contractanten de normale saamstelling van het aantal hoogleeraren aan hare inrichtingen onderling regelen, en bij toerbeurt, de eerste maal door het lot vast te stellen, het initiatief nemen voor de vervulling, desvereischt van den vacanten katheder.

Art. 7. Dit initiatief zal hierin bestaan, dat de contractante aan hare mede-contractante uiterlijk binnen zes maanden een tweetal presenteert, en dat dit tweetal de goedkeuring van de mede contractante, binnen gelijken termijn, erlangen moet. Weigering van goedkeuring kan alleen plaats hebben met redenen omkleed. Geschil hierover ontstaan, zal door arbiters, beiderzijds één, en een derde, door deze beide te benoemen, beslecht worden. 3 i l b

Is alzüo het tweetal definitief vastgesteld, dan deck de contractante, die het initiatief heeft, aan hare mede-contractante mede, wien zij wenschl te benoamen, en geschiedt de benoeming van dezen voor beide instellingen op eenzelfde dag. V o o v t

Art. 8. Contractanten stellen beiderzijds een l gelijkluidende formule op, volgens welke de v hoogleeraren van beide inrichtingen zich bin­ o den aan de Drie Formulieren van Eenigheid der Gereformeerde kerken. l

Art. 9. Contractanten oefenen beiderzijds, elk voor haar eigen instelling, opzicht over het onderwijs der hoogleeraren.

Art.. 10 Contractanten wijzen beiderzijds elk voor hare inrichting een gelijk getal Curatoren aan, die, voor zaken het theologisch onderwijs betreffende, steeds over en weer tot het bijwonen van elkanders vergaderingen worden uitgenoodigd, met recht niet van stem, maar van advies.

Art. II. Het recht van schorsing en ontslag der hoogleeraren berust bij beide con­ tractanten, elk voor haar eigen instelling, doch zij verbinden zich dat recht als maatregel van tucht niet uit te oefenen, dan in overeenstemming met elkander. Bij gebleken onmogelijkheid om tot overeenstemming te geraken, geven zij de beslissing over aan afzonderlijke Deputaten, drie , in aantal, hiertoe| door de Generale Synode der Gereformeerde kerken te benoemen, mits deze Deputaten, noch als hoogleeraren, noch als Curatoren of Directeuren aan een der beide inrichtingen verbonden zijn.

Art. 12. De contractante eenerzijds wijst vijf Deputaten aan, die, als Directeuren der Theologische School, alles wat op de stoffelijke en geldelijke aangelegenheden der Theologische School betrekking heeft, in overeenstemming met de contractante anderzijds regelen.

Hieronder is begrepen: i. de uitbetaling der salarissen; 2. het in gereedheid brengen der noodige localiteiten voor colleges, vergaderingen, promoties, openbare redevoeringen enz.; 3 de beurzen voor de studenten; 4. de aanstelling van een pedel; 5. de regeling der college en examengelden; 6. de inrichting van een huis voor studenten.

Art. 13. Mocht een der contractanten er toe over willen gaan, om boven het vastgestelde kader nog één of meer hoogleeraren, of lectoren aan hare instelling te verbinden, en bewilligt de medecontractante niet in deze zaak, dan behoudt zij het recht zulk een benoeming zelfstandig te doen, mits op beding, dat ie voor de benoeming de regel gelde, die hierboven is aangegeven, alleen met dit onderscheid, dat na wederzijdsche goedkeuring van het tweetal de benoeming slechts door de-eene contrac tante geschiedt; 2e dat uit zoodanige benoeming nooit eenige geldelijke verplichting voor de mede-contractante voortvloeie; en 3e dat Art. 8 en II ook voor hem gelde

Art. 14. Contractanten zullen de toelating tot de colleges en examens voor beide instellingen regelen op voet van gelijkheid, voor wat aangaat de vereischte kennis, terwijl contractante eenerzijds zich het recht voorbehoudt, voor wat aangaat hare instelling, nog andere confessioneele en kerkelijke voorwaarden hieraan te verbinden.

Art 15. De Curatoren van beide instellingen regelen, zooveel noodig, de voor hun coUegiën noodige saamwerking bij onderlinge overeenkomst, waarop zij de goedkeuring van beide contractanten vragen.

Art. 16. Contractante eenerzijds wijst Deputaten aan, die, zoolang de kerken niet in Synode vergaderd zijn, namens de kerken met de contractante anderzijds in onderhandeling kunnen treden, en, voor zooveel hun instructie dit uitwijst, namens haar kunnen handelen. Van deze instructie geschiedt mededeeling aan de mede-contractante. >

Art. 17 Beide contractanten zullen de collegegelden op zoodanige wijze heffen, dat ze voor beide instellingen op een bedrag worden gesteld, dat ineens wordt voldaan, en daarna voor de helft door elk der beide contractanten wordt geëigend.

Art. 18. Bij verschil over de beteekenis van deze overeenkomst, staat de beslissing aan drie arbiters, door elke contractante één, en de derde door deze twee, te benoemen.

BIJLAGE C.

Instructie voor Deputaten in zake de onderhandelingen over de Theologiscke school.

Art I. De kerken, in Synode generaal vergaderd, benoemen ^buiten het Curatorium der Theologische school en buiten het Bestuur van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag) zeven Deputaten, die in last ontvangen den overgang van den bestaanden toestand der Theologische school in haar nieuwen toestand voor te bereiden.

Art. 2. Deze Deputaten benoemen zelven hun moderamen en regelen hun werkzaamheden. Art. 3. Zij Ontvangen in last, om op den voet van bijgaand concept met het Bestuur van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag te onderhandelen over de vraag, of dit Bestuur gezind en genegen is, om op dien voet met de kerken een overeenkomst aan te gaan.

Indien dit Bestuur wel tot overeenkomst genegen is, maar tegen een der gestelde bedingen bezwaren heeft, of bijvoeging van andere bedingen verlangt, zijn zii gemachtigd hierover voorloopig te onderhandelen, en gelast om in hun rapport aan de eerstvolgende Synode een gewijzigd voorstel in te dienen.

Art. 4. Zij ontvangen in last, om met het sub 2 genoemde Bestuur te onderhandelen over de plaats van vestiging en dienaangaande een gemotiveerd voorstel bij de eerstvolgende Synode in te zenden.

Art. 5. Zij ontvangen in last, om, bijaldien met genoemd Bestuur genoegzame overeenstemming voor het sub 3 en 4 bedoelde kan worden verkregen, tevens met dit Bestuur te onderhandelen over eene door hen op te stellen Concept-regeling voor den overgangstoestand, die nauwkeurig geheel den gang afbakent, dien de zaak zal hebben te nemen.

Art 6. Zij ontvangen in last, eene Concept instructie te ontwerpen voor de Deputaten Directeuren, voor de Deputaten Curatoren, voor de hoogleeraaren, en voor de toelating van studenten tot de Theologische school. Bij het ontwerpen dezer concepten zullen zij bedacht moeten zijn op zoodanige regeling als de saamwerking van deze Theologische school met de Theologische faculteit het meest kan bevorderen.

Art. 7. Zij zijn gelast en gerechtigd, om in de plaats, die zij als plaats van vestiging voor dragen, om te zien naar de noodige localiteit, en desvereischt na onderhandeling met het sub genoemde Bestuuri voorstellen dienaangaande n te dienen, alles met behoorlijke opgave van ocaliteit, ligging, kosten van aankoop en verouwingskosten.

Art. 8. Zij ontvangen in last, om met de ereeniging voor Voorbereidend Universitair Onderwijs in onderhandeling te treden over de verneming van de literarische opleiding, en ver het zich stellen van deze Vereeniging, oor zooveel de belijdenis aangaat, oi^der het oezicht der kerken. De vrucht dezer onderhandeingen bieden ze in een behoorlijk concept an overeenkomst, en dito van regeling van vergang, aan de eerstvolgende Synode aan.

Art. 9. Zij gaan bij alle hunne onderhandeingen uit van het beginsel, dat de rechten der erken geen schade mogen lijden, en dat de echten der personen, die thans verkregen zijn, n niets worden verkort.

Art. 10. Zoodra zij met hun arbeid gereed ijn, vatten ze de uitkomst hiervan samen in en rapport verzeld van de noodige concepen, en wenden zich tot de roepende kerk om door tusschenkomst van deze een Generale Synode der kerken voor de afdoening van deze zaak te doen bijeenkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 april 1893

De Heraut | 4 Pagina's

Concept-Begeling

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 april 1893

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken