Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Daar de Voorlooper voor ons is ingegaan.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Daar de Voorlooper voor ons is ingegaan.”

9 minuten leestijd

[HEMELVAAF.T.]

Daar de Voorlooper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedelj, een Hoogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid. Hebr. 6:20.

De persoonlijke omgang met onzen Heiland is een mysterie, gelijk er ook onder menschen een mysterie ligt in eiken omgang met wie niet meer op aarde is, of ook nog wel op die wereld, maar zeer verwijderd van u leeft.

Daardoor ontbreekt in onzen omgang met onzen Heiland juist dat »zien en dat hooren en dat tasten van het Woord des levens", waarover Johannes in den aanvang van zijnen eersten zendbrief jubelt. Het is nu, zooals Paulus zegt, een kennen van Christus »niet meer naar het vleesch" geworden. Nog wel een heilig verkeer met den Middelaar, edoch in verborgen omgang. Een leven met hem in de voorstelling; in de diepste zielsgewaarwording; in het onbegrepen bewustzijn van ons zelfbesef.

Die ervaring van Jezus' nabijheid, of ook die toenadering uwer ziel tot hem, wordt op zeer onderscheidene wijze opgewekt, meestal zóó, dat ge er geen rekenschap van kunt geven.

Nu eens zal het zijn, dat de lezing en indenking van het Woord u, eer gij het merkt, de ervaring bijbrengt, alsof uw Heiland vlak bij u was. Dan zal in het gebed die heilige verborgenheid over u komen. Een andermaal zal het u in de vergadering der geloovigen zijn, alsof de liefde Christi uw ziel verteerde. Weer een ander maal zal het u in de gemeenschap der heiligen wezen, alsof ge uw Heiland naderbij kwaamt. Er zullen er ook zijn, die meer in de eenzaamheid den rijkdom dezer genieting kennen. Ja, tot in den droom kan soms die heilige gestalte voor ons treden, en zijn woord door ons worden beluisterd.

En toch ook hiermee is de veelzijdige vorm van die heilige gemeenschap nog volstrekt niet uitgeput. Want waar al deze zielservaringen er nog toe leiden, om min of meer in de voorstelling zoo zalige gemeenschap te smaken, is er ook een geestelijke gemeenschap met den Middelaar, als hij tot ons komt en woning in ons maakt, of ook als de wijnstok zijn levenskracht in de ranken doet werken, of als het bij Gods kind wordt: Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij.

Dan toch is het geen gemeenschap door voorstelling, maar gemeenschap met uw Heiland in den wortel des hoogeren levens.

Het ontwaren, dat ge ééne plante met hem zijt. Het voelen trekken van de saamvoegselen, die u als lid aan het lichaam van Christus verbinden. Het voelen kloppen in u van het levensbloed, dat heel het lichaam des He eren doorruischt.

En toch hoe breed en veelzijdig dat gemeenschapsleven met den Heiland ook zijn mogen zijn opvaren ten hemel wil toch nog iets anders

Als hij ten hemel opvaart, gaat hij van u weg.

Zijn hemelvaart is op zich zelf dus geen schenking van gemeenschap, maar verbrekitig van gemeenschap. Niet een toenadering tot u, maar een scheiding van u.

Bat opvaren ten hemel, niet in phantasie, maar in de werkelijkheid, is feitelijk het stellen tusschen Jezus en ons van eenen onmetelijken afstand; een berooving van zijn persoonlijke gemeenschap; een verwijdering die begint met droef te stemmen, en die reeds eeuwen lang haar naïeven nagalm vindt in het kinderlijk klagen : Och, was Jezus nog op aarde !

En nu zegt Gods kind dat wel niet. Wie geestelijk ging bestaan, weet, dat die verwijdering moest komen. Dat ze niet kon uitblijven. Dat ze ons ruimschoots vergoed is. En dat ze, als het drama van deze bedeeling uit heeft, nog zooveel rijker vrucht zal dragen. Maar toch ook op de droeve zijde van die verwijdering dient gelet.

Het is zoo, de engelen troostten de apostelen, zeggende : »Wat staat gij en ziet op naar den hemel. Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo wederkomen gelijk gij hem zaagt opvaren; " maar met dat al hebben de apostelen het dan toch gevoeld, het doorleefd, en er zich rekenschap van gegeven, dat ze nu voortaan iets missen zouden, wat hun dusver gegund was, zij het ook al dat ze o, zooveel in ruil ontvingen, wat ze dusver moesten derven.

En ook nu nog moet beleden: Zoo ons de keus stond, om Jezus terug te hebben, zooals de apostelen hem in het scheepke op Genesareths meer bij zich hadden, maar dan ook te derven wat we nu bezitten; of wel om te houden wat we nu hebben, maar onder het missen van zijn vleeschelijke gemeenschap, — dan zou ja het naïeve kind er naar hunkeren of Jezus nog op aarde zijn mocht, maar niet een die hem geestelijk kent ging dien ruil aan.

Maar daarin lag dan ook juist een gevaar. I Het gevaar dat we ons de zaak zóó gaan voor-I stellen, alsof het van nature het één ö/het ander zijn moest, en dat we die krachtige geloofswerking niet in ons ontwaren, die zegt: Neen, niet ruilen, niet kiezen, wat mijn ziel begeert en waar mijn diepste ziels vermaking om roept is, beide te gelijk te bezitten.

Niet maar Jezus zooals hij bij Sichar deSamaritaansche ontmoette, en ook niet maar enkel een gemeenschap met mijn Middelaar, die, gelijk thans, enkel mystiek blijft, maar eens, in de ure van God besteld, die volle, »die niets dervende, die volledige gemeenschap, die dan dat mystieke samenzijn nog rijker schenkt, en ons tegelijk van aangezicht tol aangezicht zijn glorie doet aanschouwen.

Zoo wilden Gods engelen het, en zoo gaan er ons de apostelen des Heeren in voor.

Nu Jezus' lichamelijke nabijheid derven, maar aanstonds het oog daarop richten, dat hij eens lichamelijk wederkomt.

Aldus de engelen.

En als een ja en amen op die belofte het apostolisch smeekgebed: -oKom, Heere Jezus, ia kom haastelijk, " en de apostolische jubeltoon: „ We zullen liem zien gelijk hij is."

Daartusschen ligt dan het sterven.

Als Gods kind begeerte heeft, om ontbonden te worden en met Christus te zijn. Iets wat er natuurlijk op heenwijst, dat we in den tusschenstaat, die na ons sterven intreedt, en die eerst eindigen zal als de opstanding des vleesches komt, een nauwere, een innigere, een andere gemeenschap met Jezus zullen hebben, dan hier op aarde nog m.ogelijk was.

Maar toch óók in die gemeenschap mag de eindpaal onzer wenschen niet liggen.

Niet vlak na het sterven, maar eerst na Jezus' wederkomst op de wolken vindt onze hope haar voleinding.

Dan als het zijn zal; Een gemeenschap met den Middelaar niet naar den geest alleen, maar ook naar het vleesch; een omgang met hem als van aangezicht tot aangezicht in den graad en staat van verheerlijking.

Niet met den Man van smarten, maar met den Koning der heerlijkheid.

Daarom is dat telkens indenken ook van Jezus' opvaren ten hemel zoo noodig.

Zoolang toch de ziel met minder tevreden is, dan God haar in zijne beloften heeft toegezegd, stelt ze haar ideaal veel te laag, trekt ze een deel van Gods beloften slechts pro memorie uit, en scheidt ze wat God vereenigd heeft.

Men neemt dan het geestelijke voor lief; ziet in. dat geestelijke het één en al; en heeft geen diepere verzuchting in zijn hart, die boven dat geestelijke uitgaat.

En natuurlijk, dan komt er iets kwijnends in ons geloof.

Want immers, zoo dat geestelijke het één en al is, en ons ideaal niet verdei reikt, waartoe dan de vleeschwording ? Of had een David en een Jesaia dan niet de geestelijke gemeenschap ?

Waartoe dan die omwandeling op aarde, drie lange jaren? Waartoe dan die opstanding? Waartoe geheel die verschijning in het vleesch ?

Dat alles toch wordt dan niet dan een doorgang, zonder een ingang in de hemelen.

En zoo komt het dan, dat zoo menig kind van God de helft van zijn geloofswereld met de spons van zijn geestelijke eenzijdigheid uitveegt.

Hij denkt zich Jezus dan als een geest. Hij rekent er niet mee, dat onze Heiland onze menschelijke natuur, naar ziel en lichaam, in den hemel, door het voorhangsel, heeft ingedragen. En ook voor zichzelf verlangt hij niets meer en niets hoogers, dan om eenmaal te sterven, ontbonden te worden, en met Jezus te zijn.

Het is, of hij God in zijn raadsplan corrigeerende, in zich zelven mijmert: o, Als God mij maar het geestelijke geeft, dan moge Hij die heerlijkheid voor zich zelven behouden. Daarnaar strekt mijn zielsverlangen zich niet uit. Voor mij is dat alles niet van noode.

En daarom nu juist wijst de Schrift er u zoo telkens en zoo klaarlijk op, dat ge dat opvaren van uw Jezus ten hemel u toch als een werkelijk verlaten van deze aarde, een wezenlijk opvaren naar boven, een doorgaan van de hemelen, en een ingaan achter het voorhangsel, tot in het heiligdom, zult voorstellen.

Niet als een voorstelling, maar omdat het zoo is.

Dat ge uw gedachten naar boven verheffend, het als zien en weten zult, dat uw Heiland daar nu leeft in onze natuur, en die natuur verheerlijkt.

Dat hij alzoo in den hemel, aan de rechterhand Gods gezeten, wacht en beidt de ure, den Vader alleen bekend, als de volheid zal ingaan, en hij nogmaals lichamelijk naar deze aarde zal terugkeeren.

En dat hij daar is, niet voor zich zelf, maar voor ons, als onze voorlooper. Hij de eersteling opdat wij hem straks volgen zouden. Tot ook wij uit onze graven opstaan, en ook voor ons de heerlijkheid ingaat.

Al ^wat mensch is en der menschelijke natuur deelachtig, roept naar Gods ordinantie om drie dingen voor zijn aanzijn: om een iiel die rein, om een lichaam dat heerlijk, en om een wereld die van vloek vrij is.

Nu was er voor Adam eerst die wereld; toen schiep God uit die wereld zijn lichaam; en in dat lichaam schiep Hij de reine ziel.

Doch bij Jezus gaat het den omgekeerden weg.

Hij is ontvangen van den Heiligen Geest, en alzoo is er eerst de reine, smettelooze ziel, terwijl hij lichamelijk Man van smarten zal zijn, aan de zwakheden onzer gevallen natuur onderworpen.

Dan scheidt in de opstanding van dat lichaam het stof af, en verkrijgt de reine ziel haar heerlijk lichaam.

En nu toeft het nog, en wacht op het derde, dat ook dat heerlijk lichaam zijn verheerlijkte wereld terug erlange, en dat komt met Jezus' wederkomst op de wolken.

En hierin ligt dan ook voor ons het wondere, dat er thans een Middelaar is, die aan onze natuur gemeenschap heeft in een reine ziel en in een verheerlijkt lichaam, maar zonder dat de wereld nog vernieuwd is, en de heerlijkheid ook in die wereld doorbrak.

Het is Jezus' lichaam, waarin thans ook die heerlijke wereld als in kiem rust. Ons leven is met Christus verborgen in God. Maar eens ontsluit zich ook dat mysterie. En dan zal de voleinding wezen.

Als ook de hemelvaart haar aanvulling zal hebben ontvangen in de wedergeboorte van he gansche heelal (Matth. 19 : 28).

Zalig is hij, die in deze heerlijkheid zal ingaan!

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1893

De Heraut | 4 Pagina's

„Daar de Voorlooper voor ons is ingegaan.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1893

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken