Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van het Gebed.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van het Gebed.

17 minuten leestijd

Z0TOAGS, IFI> EEL!M8 XIV.

En in dien dag zult gij mij niets vragen. Voorwaar, voor waar ik zeg u: l wat gij den Vader zult bidden in mijnen naam, dat zal Hij u geven. Joh. 16 : 23.

VIII.

Voor een gebed, 'm den heiligen zin des woords, is alzoo niet slechts de kennisse van den Heere onzen God, maar ook de kennisse van onszelven noodig. Iramers alleen wie God in zijn rijkdom en zichzelven in sijn schamele en schuldige armoede kent, zal uit zijn diepen nood en dood tot de Fontein van alle ^oed zijn toevlucht nemer; althans indien hem de weg hiertoe ontsloten wordt. En dit nu brengt ons tot wat de Catechismus ten derde als eisch voor der Christenen gebed stelt, te weten dat ze bidden zullen in Jezus' naam, In dien naam toch, ea in dien naam alleen moet voor Gods kinderen „de vaste grond liggen, dat niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, God de Heere OES nochtans om Christus' wille verhooren wil."

Ook hierbij echter sluipe geen misverstand ia. Er staat toch niet, dat er op zichzelf, buiten Christus, geen gebsd bestaanbaar is; maar alleen, dal der Christenen gebed aan dit beding gebonden js. Stelt ge u dus voor, dat de zonde niet ware gekomen, en denkt ge u het paradijsleven in stille, heilige ontwikkeling, rustig voortgezet, dan zou er zeer zeker óók gebed geweest zijn, maar overmits er geen Heiland zou gekomen zijn, sou er ook geen sprake kunnen geweest zijn van een bidden in den naam vaa Jezus, oi van een gehoord en verhoord worden „om Christus' wille." Ook vergete men niet, dat Jezus, nog eer liij Gethsemané inging, aan zijtxe jongeren den dag voorspeld heeft, waarop hij als Hoogepriester niet meer voor hen bidden zou. Er slaat toch in Joh, 16 : 26: gt; In dien dag zult gij in mijnen naam bidden; en ik zeg u niet, dat ik ^QVL Vader voor u bidden zal; want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij mij liefgehad hebt." Op de omstandigheid, dat in het Onze Vader zelfs de naam van den Christus niet voorkomt, komen we bij Vraag 119 terug, en kan, in verband met ons onderwerp, thans dus slechts ter loops worden gewezen.

Dat ons een toegaft^ ontsloten moet worden; dat we, eer ws bidden zullen, nog vooraf vrijmoedigheid moeten ontvangen om voor Gods aïngeaicht te verschijnen; en dat we deswege een Voorspraak en Fïoogepriester van ncode hebben, ligt dus volstrekt niet '^^ onze natuurlijke verhouding tot God als onzen Schepper en onzen Heere. Op zichzelf ligt de plicht en het recht van het gebed veeleer in onze schepping naar den beelde Gods besloten. Het gebed is den mensch in het paradijs niet uitwendig geleerd, maar was hem even natuurlijk, als voor het jonge v/icht het zoeken van de warme moederborst is. Bidden was voor wie nog niet viel, de ademtocht van zijn hart naar den Oorsprong en het Einddoel zijns levenj, gelijk beide in het Eeuwige Wezen vereenigd zijn. Wat van dit oorspronkelijk gebed, ook na den val, nog onder menschen en volken overbleef, - draagt dan ook datzelfde karakter. Een prieslerkoning ais Meichisedek, hoewel zelf schaduwbeeld van den Middelaar, zal wel nieti ia den naam van Jezus hebben gebeden. In de godsdienstige ove'rlevering der afgedoolde volkeren vindt men niet zelden gebeden enlofverheffingen, die, over de afgoden heen, zich nog i-ichten tot den God van hemel en aarde. Ea ook nu nog komt er menig gebed voor van overheden en volksvergaderingers, die op den bodem van deze natuurlijke religie staan, en wier gebed, in die qualitsit, deswege nooit een gebed in naam van Jezus zijn kan. Zij, die ook bij de wederinvoering van het gebed in sommige gemeenteraden, vergaten op dit onderscheid teletteii, stonden er dan ook ten onrechte op, dat zulk een publiek gebed een gebed in naam van Jezus zijn zou. Een gebed ia Jezus' naam is alleen daar mogelijk, waar alle bidders saam van zijn heiligen naam professie doen, en ook de vergadering of de qualiteit, waarin men optreedt, openbaar aan de belijdenis van Jezus' naam verbonden is. Toen onder osze aloude republiek de Os? erheid als zoodanig professie van de Gerefor-neerde religie deed, toen stond al wie bad in zulk een vergadering, niet alleen persoonlijk voor zich zelf, maar ook in zij a qualiteit, als lid der vergadering, met den Middelaar in rechtstreeksch verband. Thans daarentegen is dit niet meer alzoo, en deswege gaat het niet aan, nu te doen, wat men destijds deed, door ook thaas nog oificjeel, a!s v/e ons zoo mogen uitdrukken, het gebed in Jezus'naam op de lippen van elk raadslid te leggen. Reeds hel feit dat zulk • een raadslid óf een Jood óf een Moderne zij a kan, sluit dit uit. Men lette er daarom wel op, dat het gebad vïtn eea Melchizedek, heï gebed der mannen van Niae/é en zooveel meer niet uit den wortel vaa den Christus opkomt, en aizoo niets met „der Christenen gebed" uitstaande heeft, maar nawerking en ïiabloeiing is varj het oorspronkelijk gebed in het paradijs. Het recht tot zulk een gebed vloeit voort uit dea plicht er toe. God wil, dat alle creatuur, dat sprake ontving. Hem zal aanroepen. En daarom alle bewust creatuur moet bidden. Ea dit EU doet, wie meerdere genade ontving, op geheel eigenaardige wijae in den naam van Jezus; maar ook wie buiten die genade staat, moet het toch doen, zij het ook op zijne, o, 330 gebrekkige en zeer on volkomene wijze. Het is daarom zoo ongerijmd, indien men, waar een dusgenaamd neutraal gebed wordt gedaan, om zich uit de verlegenheid te reddea, saam het Onze Vader gaat bidden. Immers het Onze Vader is van alle Christelijk gebed juist het meest Christelijke, en daarom eigenlijk alleen te bidden door wie de genade kent van kind van God te zijn.

Deze tweeërlei soort gebed houde men dus wel uit elkander. Er is een gebed der Christenen, dat natuurlijk buiten de gemeenschap van Christus onbestaanbaar is; maar er is ook een gebed van de nog dolende zondaren, die bij niets anders wandelen dan bij het natuurlijk licht; en ook dit laatste gebed heeft beteekenis. Gelijk de heilige apostel Paulus zegt, dat de Heidenen, hoewel zij de wet niet kennen, nochtans zichzelven een wet zijn, feim gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende, en gelijk de Atheners een altaar hadden opgericht voor den onbekenden God, overmits „uit de schepselen van den z, - , ^^< > npr der schepping aan beide Gods eeuvvige kracht en zijn goddelijkheid verstaan en doorzien worden", zoo drijft ook nu de nawerking van het beeld Gods in dea gevallen zondaar, duizenden bij duizenden uit tot een soms roerend gebed, waaruit diepe eerbiedenis en heimwee spreekt. En al is nu zulk bidden onzuiver en buiten de verzoening staande, en al mag het nimmer in waarde metjjder Christenen gebed vergeleken worden, ' toch staat het huisgezin, de stad, het dorp, het land waarin dit gemeeae gebed nog in eere bleef, aanmerkelijk hooger, dan die andere kringen, waarin men met alle gebed en alle dankzegging brak. Zelfs ook al bidt men in zulke kringen niet meer, en al spreekt men, gelijk bij de ontmoetingen van de Kroon met onze Staten-Grsneraal, nog slechts uit, dat, men zijn hope stelt op den zegen Gods ea in de hoede Gods elkander aanbeveelt, zoo heeft zelfs die zwakste uiting nog altoos beteekenis, en zou het achteruitgang zijn, indien ook dit te] loor ging. Ook bij familiesamenkomsten, waar geloovigen en niet geloovigen saam handelen moeten, behoeft om het verschil van godsdienstige overtuiging, daarom het gebed niet achterwege te blijven, mits men de zeer wezenlijke beteekenis vaa dit Melchizedeks-gebed, als we ons zoo mogen uitdrukken, maar ingiet. Hierbij zij echter opgemerkt, dat dit alleen geldt van familiebijeenkomsten, waarin de geloovige en niet-geloovige leden der familie op voet van gelijkheid staan, en dat dit dus niet moet toegepast bij een doopplechtigheid of huwelijkswijding of een bïgrafenis, overmits het hier godsdienstige plechtigheden niet van de familie, maar van één bepaald huisgezin geldt, en hierbij alzoo de Christen huisvader of Christen huismoeder persoonlijk dea toon van het Christelijk gebed iazetteri, en familieleden, die er bij komen, maar den Christus niet kennen, hierbij aïet als gelijken, maar ais deelende in anderer vreugd of leed, toetreden.

Veel hooger isjtusschea staat uit dea aard der zaak wat de Catechismus noemt „der Christenen gebed", en dit gebed is, vanzelf en ongedwongen aan dea naam vaa Jezus verbonden. Dit wil nu niet zeggen, dat zulk een gebed geen gebed sou zijn, indien de naam van Jezus niet uitdrukkelijk genoemd wordt. Dan toch zou het allervolmaaktste gebed onchristelijk zijn. Veeleer dient dan ook beleden, dat er heel wat gebeden zijn uitgesproken, v/aarin Jezus' naam zefr luide werd uitgesproken, en die toch onchristelijk waren; terwijl omgekeerd, ook waar Jezus' naam niet genoemd werd, het gebed vaak in echten zin Christelijk was. Maar evenmin mag het daarom zóó worden opgevat, alsof „bidden ia Jezus' naam", eigenlijk niet anders beteekenen zou, dan bidden in den geest van Jezus, zooals Jezus, ware hij in onzen toestand, zijn gebed zou uitspreken. Dit toch ware een gansch ongeloovige voorstelling van de zaak. Ge zoudt dan Jezus alleen als uw voorbeeld nemen en verloochenea als uw Verlosser. Hij zou ook in he; : gebed u niets anders zijn dan eea gewaardeerd en hoog staand voorganger, maar toch gij zoudt op uw beurt, er trachten te komen gelijk hij. @ij zoudt naast hem voor God gaan staan, terwijl bij moet staan tusschen u en uw God in. En hier nu ligt die gewichtige belijdenis van den toegang en de toeleiding tot dea troon der genade, en de vrijmoedigheid om in te gaan, waarop de Schrift ons met zooveel nadruk spreekt. In verband met deze quaestie spreekt de heilige; apostel] Paulus zelfs van „het eeuwig voornemen, dat God gemaakt heeft in Christus Jezus onzen Heere, in denwelke wij hebben de vrijmoedigheid en den toegang, met vertrouwen, door de genade". Dit is het, dat we y., een Voorspraak hebben bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige", Het is dit stuk waarover onze belijdenis zich in Art. 26 zoo breed en ia zoo roerende taal uitlaat, verwijzende naar het zeggen des apostels: ., ., Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, om geholpen te worden, ter bekwamer tijd." Hier juist schittert al de glans van Christus' Hoogepriesterschap naar de ordening van Melchizedek. En hier komt uit wat ons zoo troostrijk betuigd wordt, dat Christus ook leeft om voor ons te bidden.

Zult ge nu zeggen, dat de wereld, die bidt zonder den Christus te kennen, dan een voorrecht boven den Christen geniet, daar zij uit zichzelve nadert, en de Christen niet anders dan in Jezus' naam ? Dit ware een ongerijmdheid. Maar zoo ligt de zaak dan ook niet. Laat ons door een vergelijking met wat aan het hof der vorsten geschiedt, dit ophelderen. Wie vooral in Oostersche landen, maar ten deele ook nog ia onze Westersche landen, eea verzoek tot zija vorst wil richten kan dat, op tweeërlei wijs, doen. Hij kan het, gelijk dit in den regel geschiedt, doen door een adres of eea petitie oi request, dat hij uit de verte inzendt , ea waarvan hij ternauwernood •^Q&amp; t, of het onder 'skonings oogen komen zal, veel min of de vorst er eenig regard op zal slaan. Maar er is nog een v/eg. Een geheel andere. Dan zoekt men met de lieden van 'skonings hofhouding ia verstaadhouding te treden, men poogt hun gunst te winnen, men roept hun voorspraak in, en nu gaat men zelf ten hove, verschijnt persoonlijk voor den troon, ontvangt vrijen toegang en inleiding, en draagt nu met vrijmoedigheid zijn belangen voor. Ea juist ditzelfde verschil bestaat nu hier. Hel Melchizedeksgebed, als we ons zoo mogen uitdrukken van de lieden die Christus niet kennen, is het inzenden van een request of eea petitie uit de verte; en daarentegen der Chriitenen gebed is het binnengeleid worden voor dea Troon der genade, om steunende op de voorspraak van wie aan Gods rechterhand zit, de gunste, de genade en dea zegea Gods te verwerven. En weet men au op aarde reeds, hoe geheel aadere beteekenis zulk eea audiëntie beeft bovea. een bloot request, zoo kunt ge bij manier van vergelijking hier naar afmeten hoever der Christenen gebed in beteekenis en waardij boven zulk eea Melchizedeks-gebed uitmunt.

Hoe men het toch wende of keere, het feit ligt er eenmaal toe, dat de Christenen, als we ons zoo mogen uitdrukken, in nauwere betrekking tot God zijn gebracht. Hij is hun Vader in de hemelen geworden en zij werden wedergeborea tot zijn lieve kinderen. Zoo zijn ze dan nu zijn volk. Verkoreaen op wie zijn welbshagea rust. omdat Hij hen verkoren heeft. Ea gelijk gij zelf uw oogappel, zoo mint God de Heere die de zijnen zijn. Hier is dus een geheel andere betrekking ontstaan. De verhouding is een geheel andere geworden. Eerst stond men vervreemd van het leven Gods en was men bijwoner. Nu is men Gode toegebracht en is een huisgenoot Gods, geroepen tot een eeuwige erfenisse, terwijl onze plaats in het Vaderhuis reeds voor ons bereid wordt. En gelijk nu uv/ omgang en uw persoonlijk verkeer geheel anders met uw huisgenooten en vrienden, dan met uw buren en van verre staande kennissen is, zoo ook is de omgang, dien God de Heere met Zich aan zija heiligen vergunt een geheel andere dan het sobere en meer op een afstand gevoerde verkeer, dat de anderen met Hem hebben.

Omdat ge nu met uw huisgenooten en vrienden op zeer intiemen voet verkeert, daarom zult ge niet zeggen, dat uw ontmoeting met bekendea die van verre staan maar moet afgesaeden; en zoo ook moogt ge nooit beweren, dat, overmits het gebed vaa de huisgeaooten Gods zooveel inalger kan zijn, daarom de aanroepiag vaa wie nog van verre staan, maar liever moest verstommen. Maar even verkeerd als ge zoudt doen, door ter wille van uw vet keer met dea breeder kring van uw bekenden, de eigenaardige waardij vaa uw intiemer omgang met uw huisgenootea te onderschatten, evea af keuringswaardig zou het zijn, indiea ge om de waardij van het Melchizedeks-gebed, het veel hooger staande gebed van de kinderen Gods in beteekenis gingt verkleinen.

En die hoogere beteekenis ontleent nu der Christenen gebed juist daaraan, dat ze bidden in den naam van Jezus. Een kind vaa God komt ia het gebed tot hooger eer, maar niet dan na vooraf door diepe? vernedering te zijn doorgegaan. Wie toch met den naam van Jezus op de lippen voor dea Troon nadert, heeft zichzelven eerst geheel prijsgegeven, ers belijdt in zichzelven niet alleen alle verhocriag, maar ook alle gebed geheel onwaardig te zijn. De liedea die vaa verre staan ea tot God roepen, kennen hun schuld ea verv/erpelijkheid voor God niet, en zijn daarom vreemd aaa alle besef, dat ze een Voorspraak, eea Hoogepriester en Middelaar van noode zouden hebben. Hun • faalt het aaa die kennisse vaa schuld ea zonde, waarvaa de diepte eerst bij het licht van den Heiligen Geest ontdekt wordt. Zij aiea hun onwaardigheid niet ia, en kenaea wel het oatsag voor de Majesteit van desi hoogen God, maar niet het schuldbesef vaa den gevallen zondaar; en juist dit belet hen tot inniger verstandhoudisg met dien hoogen God door te dringen. Maar juist dit is dan ook het eigenaardige in wie zich een kind van God weet, dat hém over die diepte van zijn val ea over die onafzienbaarheid van zijn schuld voor God het licht is opgegaan, en dat hij [ door den inblik In de diepte van zijn nood ea dood naar den Redder van zondaren is uitgedreven, nu achter hem schuilt, achter hem aan voor dea Troon der genade treedt, en eigenlijk slechts na durft bidden wat zijn Heiland hem voorbidt en voor hem bidt van den Vader. En uit die twee au wordt eerst die ware gebedsstemming geboren, die gemengd Is uit de twee schijnbaar tegenstrijdige gewaarwordingen van ootmoedigheid en vrijmoedigheid. Veler brutaal

weg naar God dringen is geen v; ijaioedigheid, maar vermetele overmosd. En juist dan éérst a!s diep en innig besef van schuld en hartelijke, warme dankbaarheid voor de ervaren verlossing u vanzelf beweegt, om niet anders dan achter Christus aan voor den Vader te treden, keft die kinderlijk innige sternroiog van ootnioedigheid in u op, die allen overmoed uit u bant, en u in teedere schuchterheid de ware, echt Chris-, lelijke vrijmoedigheid doet vinden.

En zoo 13 het dan duidelijk, hos we het gebed in Jezus' naam te verstaan hebben. In Jezub' i: aam bidden beduidt volstrekt niet: zoo bidden, dat ge den naim van Jezus in uw gebed noemt. Dit niag wel en het is wel goed, VetJal zal vanaelf de naam die boven allen mam is in uw gebed invloeien. Alleen maar dat noemen van dien naam is op zich ^elf volstrekt nog geen waatbarg, dat ge inderdaad en waarheid „in den naam van Jezus" gebeden hebt. 01 ge dit deedt of niet deedt hangt niet van het noemen van den naam, maar van de gesteldheid, de, gewaarwording en de intentie van uw hart af. Wie tot God nadert, alsof het vanzelf spictkt, dat hij, cm isijns gebeds wille, gehoor moet vinden, toont reeds daardoor, dat de ware inblik in zijn eifjen nood endood hem ontbreekt. En wie, erger nog, niet aU.*en meent, dat hij wel vanzelf gehoor zal vinden, nriaar er nog bij denkt, dat zijn gebed een tlijic van zijn vromen zin, en inzooverre een goed werk is, waarop hij loon mag wachten, toont juist daardoor dat hij zijn loon weg heeU. En of ge ook al uit gewoonte, oJ om een slot Ie vinden, uw gebed besluit met te zeggen : „Dat bid ik van U om ChristUi' wïlle", toch redt dit uw gebed niet. Neen, zal uw bidden een bidden in Jezus' naam zijn, dan rnoet uw gebed opklimmen uit het diep in u ingedrongen besef, dat ge in u zelven voor uw God niet bestaan kunt, en dat het met al uw bidden, ook voor u zou gelden: „Als gij het gebed vermenigvuldigt, verberg Ik mijn aangesicht" Is nu in die diepte van uw schuldbesef zulk een geloofsact ie, dat ge u klein en als niets en schuldig voor uw God gevoelt, maar tegelijk indritikt de heerlijke en zalige verlossing die u door Christus is teweeggebracht, zoodat ge, in uw gemeenschap met den Middelaar, den moed en de vrijmoedigheid over u voelt komen, om al uw geestelijken en Hchamelijken nood voor uw God als uw Vader in de hemelen uit te storten, ddn is het metterdaad de Christus die u de ziel ea de lippen voor het gebed ontsluit en die den band weer aantrekt tusschen u en het Eeuwige Wezen; en dan, ja, dan hebt ge tnttterdaad. in. den naam van Jezus gebeden.

Dit gebed in Jezus' naam nu kent twee stadiën.

Eerst dit stadium, dat ge wel toetreedt en wel uw ziele uitstort, maar dat ge nog achter Jezus blijft schuilen, en de vrijmoedigheid mist, om het anders dan van zijn voorbede te verwachten. De ziel durlt dan nog niet op de liefde Gods betrouwen, en ligt in de voorspraak en de voorbede van Jezus als haar Hoogepriester gebonden.

Dit is het eerste stadium. Maar daar blijft het niet bij. Immers Jezus zelf heeft gezegd, dat de ure komen zou, dat sijn verlosten nog wel ia zijn naam i, ouden bidden, maar dat zijn voorspraak en voorbede voor hen niet meer beding en voorwaarde voor de verhooring van hun eigen gebed zou zijn. „Gij zult wel in mijn naam bidden, maar. ik zeg u niet, dat ik dan den Vader nog voor u bidden zal, want de Vader zelf heeft u lief." „In dien dag zult gij mij niets vragen. Voorwaar voorwaar zeg ik u, dat al wat gij zelven Atn Vader zult bidden, in mijn naam, Hij u dat zal geven."

Dit Is dus een hooger stadium. Een stadium waarin het wel een hidden büjft in 'Jezus' naam, en ook de Hoogepriestetlijke voorbede voor ons niet ophoudt, maar waarin ons eigen gebed, ook zonder dat Jezus ons voorbidt of voor ons bidt, verhoord wordt van den Vader.

Alle tóeleiding door het geloof, doorloopt toch deze twee toestanden. Eerst staan we nog van verre, en leidt de Middelaar ons tot den Vader in. Maar daarna, als wij door den Middelaar tot den Vader • gebracht zijn, hebben we zelven gemeen-.schap met God door onzen Heere Jezus Christus, door wien ons ook de toeleiding gegeven is.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 oktober 1893

De Heraut | 4 Pagina's

Van het Gebed.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 oktober 1893

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken