Bekijk het origineel

„Waarlijk opgestaan.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Waarlijk opgestaan.”

16 minuten leestijd

[PASCHEN]

Welke zeidèrtl^De - iKere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien. Luk. 24:34.

Plens was ons leven zoo rijk. Het was in die jaren van weleer, toen nog het - nlmmanuël verrees", als weer ons Pascha aanbrak, met een toon' der verheffing van ieders lippen gehoord werd, en het » Wij zullen leven met hem" nog allerwegen weerklonk als de vaste profetie eener eeuwige toekomst.

Toen gevoelde een ieder de tegenstelling tusschen het Leven en den Dood nog, en schrikte even ernstig voor den Dood terug, als het Leven hem aantrok. Daarom was het denkbeeld van «Opstanding" toen zoo verleidelijk. Een weer ten leven komen, ook al konden we ons aan het sterven niet ontworstelen. En omdat in Immanuël, die verrees, die triomf van het Leven over den Dood, niet maar afgebeeld noch verzinnebeeld, maar verwerkelijkt was, daarom sprak ons Pascha ons menschelijk hart ^00 lieflijk toe, en verwekte blijdschap en gejuich ook in die breeder kringen, voor welke »de wortel der zaak" ganschelijk verborgen bleef.

De diepe, geestelijke beteekenis van Christus' Opstanding werd toen, zoogoed als nu, slechts door enkelen gegrepen en genoten. Wat de heilige apostel roemt, dat de Christus «overgegeven is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking", begrepen zelfs zij veelal niet, die nochtans van hun persoonlijke srechtvaardigmaking door het geloof' verzekerd waren. Hoe naar Petrus' woord ook de heilige Doop met Jezus' Opstanding samenhangt, werd door nog minderen ingezien. En in den enger kring der vromen, die alle eeuwen door niet overgroot was, klemde men zich meestal vast aan de belijdenis, dat God »niet kon toelaten dat zijn Heilige verderving zou zien; " dat Immanuël, om zijn heilig werk sniet van den Dood kon gehouden worden", en dat de vrucht van zijn Opstanding niet hem alleen, maar ook zijn verlosten ten goede kwam ; nu reeds in hun geestelijke Verrijzenis, en eenmaal in de Wederopstanding des vleesches.

Zonder onjuist te zijn, kan men dus zeggen, dat in die betere tijden een zeer kleine kring »den wortel der ^^.^}gi' verstond; ésX-va een ruimer kring van geloovigen de geestelijke beteekenis en vrucht van Jezus' Opstanding genoten werd; en dat in den zeer breeden kring van naambelijders, die in de wereld den toon aangaven, de vreugde meê werd doorleefd, dat aan den Dood niet de eindtriomf bleef, maar dat eens het Leven over den Dood zou triomfeeren, en in Jezus reeds over den Dood getriomfeerd had.

Christus' kerk stond toen werkelijk als een stad op den berg, van welks top de vreugdevuren hun glans over heel den omtrek uitstraalden, en de wereld, die geestelijk nog buiten Jezus stond, leefde in die vreugde meê.

Thans echter is dit niet meer alzoo.

Niet omdat in de kern vatv Christus' kent de > 'wortel der zaak" niet meer verstaan wordt, noch ook overmits de ruimer kring der geloovigen geen oog meer heeft voor de geestelijke beteekenis van Jezus' Opstanding, " maar omdat Christus' kerk haar invloed op de wereld verloren heeft.

Oudtijds gaf de kerk van Christus den toon aan, en zooals zij den toon aangaf, zoo werd het lied des lofs ingezet, en zong inen ook daarbuiten meê.

Maar sinds heeft de wereld zich aan de voogdij der kerk van Christus onttrokken. Ze heeft haar eigen wijsheid weer voor de wijsheid uit Gods Woord in de plaats gesteld. Dat Woord heeft ze verworpen, om aan de wijsgeeren onzer eeuw een woord van eigen vinding daarvoor in stee te geven. En zoo drijft nu haar leven niet langer op den heiligen stroom van weleer, maar op den stroom van haar eigen onheiige bezieling.

Vandaar dat over Dood en Leven thans bij de groote menigte zoo gansch andere denkbeelden heerschen.

De zin voor, de dorst naar het Leven nam allengs af, en de schrik en vreeze voor den Dood verloor haar prikkel.

Onze eeuw, en dat is het stempel, dat ze zich zelve heeft opgedrukt, heeft zich met den Y> oodL'''verzoend, en is voor het Leven onverschillig geworden.

Ook wie niets gelooft, en sterft zonder het flauwste schijnsel der hope, sterft nochtans kalm en gelaten weg. De lijkbaar wordt onder bloemkransen onzichtbaar, het graf door zijn schoone dreven en prachtige monumenten een lustoord. Reeds eer men op de helft zijner dagen is gekomen, is men des lévens zat En nog altoos zet zich de reeds zoo breede lijst uit, van wie den dood in den stroom zoo zoet, of den dood door den kogel onweerstaanbaar vonden.

Ga nu in die wereld uit met uw getuigenis en uw zegeroep, dat »de Heere waarlijk is opgestaan, " dat Imirianuel »den Dood overwon, " dat Christus uw Koning »het leven en de onverderfelijkheid aan het licht heeft gebracht, "—en die levensmoede, levensmatte wereld ziet u spottend, ziet u onverschillig aan, als wilde ze zeggen: Wat raakt ons uw zegeroep over den Dood, . bied ons liever een zacht, een zoet, een verleidelijk gif, om pijnloos en smarteloos in den Dood te verzinken.

Vandaar, dat ons Pascha ophield de wereld om ons heen toe te spreken en te bezielen Ze vraagt niet meer naar uw Pascha. Niet de triomf over den Dood is het, waarnaar zij de klamme, matte hand uitstrekt. Veeleer vindt ze uw geestdrift voor het Leven dwaas, en uw diepe vijandschap tegen den Dood onredelijk. Niet de Dood, veeleer het Leven is de broii van lijden en van smarte. De Dood verlost, de Dood verzoent, -*gS'i de dood brengt vergetelheid. En daarom aan hem, en niet aan het Leven moet het laatste woord blijven. Niet het optimisme van uw ingebeeld Pascha, maar het pessimisme van haar IwP^, - . voor de graven, straks' voor den lijköVen, die zelfs het stoffelijk overschot tot asch verteert, is het Evangelie, de blijde boodschap onzer eeuw geworden.

Ons Pascha, met zijn »Immanuël verrees", lokt haar niet meer, maar stuit haar tegen de borst en wekt haar tegenzin.

Die sombere, die zelfgenoegzame, en in haar somberheid nog half lachende, half spottende stemming der geesten, is ook op de kerk van Christus niet zonder invloed gebleven.

De kerk is niet van de wereld, maar ze leeft i? i de wereld. Ze bestaat uit dezelfde mannen en vrouwen en kinderen, die de ééne maal in het huis des gebeds saamkomen, om hun Heiland te eeren, en die een ander' maal zich vermengen onder de groote menigte, in het woelen der maatschappij.

Ook wie bekeerd zijn, zijn daarom nog niet ganschelijk bekeerd. Bekeerd en omgezet in de levensuiting, het zij zoo; maar overigens leven zelfs de bekeerden nog maar al te veel óók nog uit het leven der wereld, leven dat leven der wereld mee, en ondergaan er den gestadigen indruk, den bestendigen invloed van.

V^andaar, dat de ontzetting voor den Dood ook binnen de muren van Christus' kerk gaandeweg afnam; dat zelfs uit de prediking de schrik voor Dood en Hel, voor een zoo groot deel verdween; dat zoo menig sterfbed zonder geloofsuiting afloopt; en dat er zelfs onder Gods kinderen zijn geweest, die, in de banden der Hel verstrikt, den spottenden pessimist in den hangen weg van zelfmoord gevolgd zijn.

De dorst naar het Leven en de schrik voor den Dood nam ook onder ons af. Valsche, onheilige denkbeelden en gewaarwordingen vonden ook onder ons ingang. De frischheid en het krachtig bezielde in den levenstoon daalde, en al klemmen we ons nog als eeii éénig man vast aan den Man van smarte, die Dood en Graf overwon, toch is ook in onze kringen de geestdrift, de bezieling, die van het Pascha uitgaat, op veiTe na niet meer wat ze eens, nog bij menschenheugenis was.

Dit nu is een oordeel Gods.

Hij heeftin niets meer, danjuistin de Opwekking van Jezus uit de dooden, de grootheid der uitnemendheid zijner Goddelijke kracht betoond. Het uiterste wat gedaan kon worden is gedaan, om den adem des Levens rijk en overvloedig in deze onder dood en smart gebonden wereld te doen uitgaan.

Maar de ditisternis heeft dit licht des Levens niet bekend, niet gezien, niet gewld, hoogstens er mee gespeeld, en ook Gods kinderen zijn verre achterlijk gebleven, om hun l od in deze uitnemendheid zijner genade e eeren.

Ook ons Pascha was veruitwendigd.

En nu kwam het zoo natuurlijk oordeel, at de zin, de smaak voor dezen triomf van et Leven over den Dood afnam; toen allengs itsleet in de wereld; en nu, als bijna niet e vermijden gevolg, ook in de kringen der vromen, o, zooveel van haar kracht verloor.

Dit komt er van dat men in den Dood allengs • niets dan het sterven is gaan zien.

De Dood, zoo waande men, en zoo vertelde men rond, was de natuurnoodwendigheid, dat elk mensch, uit een vrouw geboren, nadat zijn levensdraad was afgesneden, ophield te leven, zijn adem uitblies en stierf.

Dat was al de Dood.

Gevolg en uitvloeisel van een natuurwet; van iets zoo onvermijdelijks en onafwendbaars, dat elk onzer vooruit weet, hoe ook hem dat oogenblik wacht. Maar het is dan ook maar één oogenblik. Men blaast den adem uit, en dan heeft de Dood uitgewerkt. De Dood is het sterven. Niets anders. Niets meer.

En wat zou. dan uw Pascha ?

Ja, indien uw Paaschjubel den triomf inhield, dat ons een middel geboden werd om aan dat sterven te ontkomen, dan zou althans voor een tijd de levenslustige het nog aangrijpen. Niet voor al te lang. Want een man van honderd jaren heeft reeds geen benijdenswaardig bestaan. En wat zou het zijn op een leeftijd van tv/ee eeuwen? Dan zou men tóch uw Paaschjubel weer wegwenschen, en zelf verlangen naar den Dood.

Maar dat brengt uw Pascha niet. Ook gij, die jubelt van den Immanuël die verrees, sterft toch. Aan de natuurnoodwendigheid van het sterven kunt ook gij u niet ontworstelen. Soms zelfs sterft de vrome zeer vroeg, en wordt weggenomen voor de helft zijner dagen.

Al de vrucht van uw Pascha kan dan eerst komen, als de Dood eerst ook aan u voltrokken is. De Dood blijft dus. Aan het graf kunt ook gij niet ontkomen. Al het gewicht van uw Pascha moet dus liggen in wat na den Dood komt. En, natuurlijk, daar bekreunt zich onze zelfgenoegzame eeuw ganschelijk niet meer om. Ze weet nauwlijks of er na den Dood nog iets zijn ' zal. En als ze zeer hoog spreken wil, spreekt ze hoogstens van een hope der onsterfelijkheid.

Daarin ligt dus de grondfout, dat ge zegt: De Dood, dat is als ik sterf, en dus het Leven is, dat ik niet te niet ga, maar er nog ben, en ook na mijn sterven, er nog zijn zal.

Dit toch is een verloochening van Gods Woord, en een overmoedig weerspreken van het getuigenis des Heeren.

Neen, de Dood is geen natuurnoodwendigheid, en indien de mensch niet ware gevallen, geen Dood zou ooit in of over hem gekomen zijn.

De Dood is pas toen in deze wereld over den mensch gekomen, toen hij van zijn God afviel, en zich stelde onder den onheiiigen invloed van Satan.

Uw Heiland is gekomen om ^teniet te doen de macht desgenen, die het geweld des Doods had, namelijk den Duivel!' (Hebr. 2 : 14).

Daarom onderwees God zijn volk reeds in het Oude Verbond, dat de Dood onrein maakt en dat wie een lijk had aangeraakt, als een onreine, niet mocht ingaan in zijn voorhoven.

Niet als ge volhardt in de vreeze des Heeren, o, eerste, rein van Cod geschapen mensch, maar als ge zijn hoog gebod schendt, dan zult ge den Dood sterven.

Den Dood sterven, niet pas als ge uw adem uitblaast, maar op hetzelfde oogenblik van binnen, doordien de Dood in uw ziel sluipt, en u inwendig verwoest, om straks ook uw lichaam aan te tasten.

Eerst de geestelijke Dood van binnen; dan de lichamelijke Dood, als ge in het graf zinkt; en daarna eerst de ware, volle Dood, de eeuwige Dood, staande tegenover het eeuwige Leven.

. Zoo is de Dood niet maar een uitblazen van den adem, als ge sterft, maar een booze, een onheilige, een Satanische macht, die door uw zonde, en om uw zonde over u lavam; die ge nu reeds in de leden uwer ziel met u omdraagt; die straks in deleden van uw lichaam sluipt; en eerst na uw sterven u als haar prooi wegsleurt, om u eeuwig te verderven.

In den Dood zit de zonde; aan den Dood kleeft de vloek; de Dood is een instrument Gods, dat Hij gebruikt in zijn oordeelen, maar dat op alle manier tegen Hem en zijn heiligheid, omdat Hij zelf het Leven en de Bron van het leven is, overstaat.

Het is uit den Dood dat alle vernieling komt van ons innerlijk leven, alle zelfverderving waaraan de zondaar zich overgeeft, al de verwoesting van het rein menschelijk levensgeluk.

Uw sterven, als ge den adem uitblaast, is gewisselijk óók uit dien Dood, maar het is op verre na niet al de Dood. Veeleer is dat sterven van den Dood slechts een enkele, zeer korte, zwakke uiting.

De Dood verwoest veel vreeslijker vóór uw sterven, dan in uw .sterven. En het allerbangst, het ontzettendst zal de dood zijn vreeslijke werking eerst doen gevoelen na het sterven.

Die millioènen in de dagen van Noach, die «aten en dronken, en morgen dachten te sterven, " beeldden zich ook in dat het met den Dood uit was, toen ze wegzonken in de diepte der wateren. En nu, na vier duizend jaren, zijn ze nog »in de gevangenis des Doods" (i Petr. 3:19). En wat zijn die vier duizend jaren, vergeleken bij de eeuwigheid die hun nog wacht?

Tweeërlei voorstelling van den Dood staat hier dus tegenover elkander.

Eenerzijds de voorstelling der wereld, die

helaas nog door zoo menig Christen wordt naverteld, alsof de Dood niets anders was, dan dat we, naar de wet der natuur, eens sterven moeten.

En daartegenover, anderzijds, de voorstelling van Gods Woord, dat de Dood het geweld van Satan is, een onreine, onheilige, diep zondige macht, die niet door natuurwet, maar als een vloek der zonde over ons gekomen, ons nu reeds geestelijk verwoest, straks ons tot stof doet wederkeeren, en ons eeuwiglijk in haar sombere banden bekneld houdt.

Aan wieu zult ge u nu houden? Aan de wereld, die er niets van weet, en alleen rekent met wat zij van den Dood ziet? Of wel aan uw God, die den Dood tot in zijn merg en zijn kern kent, die ons eerst met den Dood gedreigd, toen den Dood oVer ons gebracht heeft, en elk middel, tenzij ge u tot Christus bekeert, aan den mensch heeft afgesneden, om zich voor nu of voor eeuwig aan die vreeslijke macht des Doods, d. w. z. aan den eeuwigen Dood, te ontworstelen?

En dan hebt ge immers geen keuze? Dan moet ge uw God gelooven. Dan is het, zoo als Hij het u verklaart, en is al wat de wereld in haar lichtzinnigheid bazelt, niets dan spel der verbeelding en zelfbedrog.

Prent het u daarom diep in, dat de Dood deze booze, onheilige, al uw menschelijk geluk voor eeuwig verwoestende macht is. Gevoel het zelf, en onderwijs er uw kroost in, dat de Dood door niets anders dan door den onheiligen band van uw schuld en uw zonden in u en aan u vastligt, en daardoor macht over u heeft.

Versta het en denk het in, dat er aan die verpletterende macht des Doods geen verwikken of verwegen is, zoolang ge zelf u tegen den Dood poogt te verweren. Of zou het lijk zich in zijn graf kunnen oprichten, om de zerk, waaronder het begraven ligt, van zich af te werpen ?

En als ge dit nu verstaat, en alzoo weet, wat de Dood is, en u niet langer in het wezen en de kracht en het geweld van den Dood vergist, dan zult ge ook uw Pascha begrijpen, in het slmmam^el verrees" genieten, en met volle teugen den troost en de blijdschap indrinken, als ook u de zegeroep tegenklinkt: De Heere is waarlijk opgestaan !

Want nu treedt de Christus voor u, als de Held Gods, die »het vleesch en bloed der kinderkens aannam", en, in dat vleesch en bloed, den Dood aangreep, den Dood in de lendenen aantastte, met den Dood om den prijs van al Gods uitverkorenen worstelde, en zich zoover onder zijn macht begaf, tot hij zelf den adem uitblies, en zijn geest beval in 's Vaders handen.

Toen weende de aarde, omdat het scheen, alsof deze Held Gods in zijn ontzettend Pniël door den Dood overmand, overmocht, overwonnen was. En, natuurlijk, ware hij in deze bangste aller worstelingen ondergegaan, dan zou de macht des Doods voor eeuwig nooit te breken zijn geweest, en zou elk onzer voor eeuwig als zijn prooi in de banden der Hel beklemd zijn geraakt.

Dat was de ^re der duisternis, toen alle demonen kreten van duivelsche vreugd uitstieten, en Gods engelen droef het gelaat bedekten.

Maar na die ure komt het keerpunt. Ten derden dage verrijst uw Heiland. Niet in schijn, niet in de verbeelding der jongeren, maar wel waarlijk staat hij op uit de dooden.

En nu schrikt de Dood, en beeft Satan, en alle demonen deinzen terug; maar Gods engelen treden toe. Zij juichten eer nog een eenig mensch voor Jezus' Opstanding danken kon.

»Wat zoekt gij, " zoo vragen ze ons, »den Levende bij de dooden? Gij zoekt Jezus den Nazarener. Ziet, hij is opgestaan uit de dooden, en gaat u voor. Wij, Gods engelen, hebben het u aangezegd."

het u aangezegd." En zoo overwon uw Heiland.

Zoo leeft hij, niet voor zichzelven, maar voor u, om met den arm der sterkte den nu overwonnen en in zijn macht gebroken Dood te verhinderen, dat hij ooit weer een van Gods uitverkorenen aan zou randen.

Zoo breekt hij de macht des Doods, nu reeds in uw ziel, straks in uw sterven, rijker reeds na uw sterven, en eens volheerlijk, als hij wederkomt op de wolken, en ook gij in glorie op zult staan, om dan in het eind den Dood zelf in den poel des vuurs te zien werpen.

En daarom, zingt lof den Heere, die eeuwig leeft, op ons Paaschfeest, dat ook nu weer aanbreekt.

Doorleeft het in al zijn diepte, wat het zegt, dat uw Heiland in den Dood om uwentwil wegzonk, maar nu waarlijk is opgestaan.

En heft met dat »waarlijk opgestaan" in uw hart en op de lippen, ook zelven tegen Dood en Graf den triomfroep vol heilige ironie op: Dood, waar is utvprikkel, Graf, waar is uw overwinning?

Voor God de glorie, ^die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jesus Christus l"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 maart 1894

De Heraut | 4 Pagina's

„Waarlijk opgestaan.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 maart 1894

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken