Bekijk het origineel

Van de Engelen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Engelen.

20 minuten leestijd

Ziet toe, dat gij niet een van deze kireinen A^eracTu: " u-ant iii/Cy ulieden, dat himne Engelen in de hemelen altijd zien het aangezicht mijns Vaders, die in de hemelen is. Matth. 18 ; 10.

IV.

Nog dient onder de oogen gezien de alleszins begrijpelijke opmerking, die van Roomsche zijde gemaakt is, dat toch de Engelen afgezanten en zendboden van den Allerhoogste zijn, en dat het derhalve met hun staat en rang overeenkomt, hun onzerzijds een hulde te bieden, die met de majesteit van hun Zender rekening houdt. In beginsel nu geven we dat toe. Als de keizer van Duitschland of van Rusland ons een afgezant zendt, ontvangt ons Hof zulk een ambassadeur met meer eer en grooter luister, dan een gedeputeerde, die herwaarts gezonden werd door een internationale wetenschappelijke of philanthropische vereeniging. In het Oosten drijft men dat zelfs nog verder dan in onze Westersche rijken, en heeft tot op zekere hoogte voor de ontvangst van eiken gezant een apart ceremonieel; ja, zelfs in onze Westersche rijken is dit onderscheid wel niet zóó scherp meer, maar toch boezemen allerlei quaestiën van etiquette en voorrang, vooral in Oostenrijk en Spanje, nog steeds de grootste belangstelling in, en wordt er tusschen de ontvangst van een machtig en minder machtig gezant niet zelden zeker onderscheid gemaakt, zoo al niet in de etiquette wanneer de rang gelijk is, dan toch in de wijze van bejegening. En al ware het nu ongerijmd, om staande te houden, dat wij aan de Hofusantiën onze kennis hadden te ontleenen, voor de wijze waarop wij ons tegenover de Engelen hebben te gedragen, toch wordt toegestemd, dat aan deze Hofusantiën een algemeen denkbeeld ten grondslag ligt, dat ook bij onze verhouding tot de Engelen niet mag worden verzaakt. Een gezant is namelijk voor ons besef niet te beoordeelen noch te waardeeren naar de waardij van zijn eigen persoon, maar naar den luister van zijn zender. Hij komt tot ons, niet op eigen gelegenheid, maar in qualiteit. Hij komt niet voor zich zelf pleiten, maar voor de zaak zijns heeren. En juist daarom is het billijk, dat bij een gezant minder gelet worde op zijn persoonlijke hoedanigheden, dan wel op de hoogere of lagere plaats die zijn zender inneemt. Niet natuurlijk, om hem deswege te eeren, als ware hij die zender zelf. Dan zou hij ons toch juist geen afgezant meer zijn. Nooit is het dan ook onder menschen vertoond, dat men een gezant eerde, gelijk men den vorst zou geëerd hebben, die hem zond. Het eerbetoon, waarmede men aan de Hoven een regeerend vorst ontvangt, staat altoos veel, veel hooger dan de hoogste eere die aan een koninklijk gezant bewezen wordt. Passen we dit nu op de Engelen toe, dan volgt hieruit nooit, en dit beweert ook de Roomsche kerk niet, dat we een Engel als afgezant des Heeren, op gelijke wijze als den Heere onzen God zelven, zouden te eeren hebben. Dit mag nimmer. Maar wel volgt er uit, en dit geven we voetstoots toe, dat een Engel, die van Godswege als afgezant tot ons komt, met een eerbetoon behoort ontvangen, dat in overeenstemming is met de majesteit van zijn Zender. Niet dus, alsof bij een Engel, het voor hem »nedervallen en aanbidden" passen zou, - want dit is een aanbidding die alleen Gode toekomt. j Oorspronkelijk bestond alleen bij de. Heidenen de gewoonte, om dit nederknielen en aanbidden, ook als eerbetoon te gunnen aan menschen, in wie men een bijzondere heiligheid vermoedde, gelijk Nebucadnezar dit (Dan. 2 : 26) voor Daniël, en later de officier Cornelius te Cesarea voor Petrus deed; maar de Heilige Schrift keurt zulk een Goddelijke hulde aan menschen altijd af. Dat uit de Heidenwereld, in Jezus' dagen, deze superstitieuse gewoonte ook wel onder de Joden doorgedrongen was, is niet twijfelachtig; en als we zoo herhaaldelijk lezen, dat deze en gene voor Jezus op de knieën »nederviel en hem aanbad", moeten v/e ons volstrekt niet inbeelden, alsof alle deze personen Jezus' Godheid beleden. Hiervan blijkt niets. Veel-•eer ware dit onverklaarbaar geweest. En al waren er onder de personen die voor Jezus de knie bogen en hem aanbaden, zeer zeker ook enkelen, die dit onder den indruk van zijn Godheid deden, toch moet al dit nederknielen voor Jezus stellig ten deele verklaard uit de nawerking van Heidensche zeden. Wie het in dien zin deed, handelde dan wel feitelijk naar eisch van Jezus' Goddelijk recht, maar zonder het te zveten en stond in zooverre gelijk met Cajaphas, die, eveneens zonder het te weten, naar waarheid het werk van den Middelaar verheerlijkte, als van een die sterven moest voor het volk, opdat niet heel het volk verloren ging. Onze conclusie kan dus geen andere zijn, dan dat wij een door God tot ons gezonden Engel met den meesten eerbied hebben te bejegenen, maar dat hem nooit mag toegebracht gelijke hulde der aanbidding, als we Gode en zijnen Christus toebrengen, omdat hij God is. Wil men nu dit eerbetoon aan zulk een Engel Diilia en de hulde aan God Latreia noemen, ons wel, mits deze Dulia dan maar nooit de grenzen overschrijde van wat we aan een creatuur bewijzen mogen. Ook de Engel is en blijft medeschepsel, en de last waarmee hij van van Godswege tot ons komt, geeft hem evenmin recht op een bovencïzzS.\\\i.xY\]V& hulde, als de Overheid, die zelfs met iets van de majesteit des Heeren bekleed is, deswege een hulde, die het perk van het creatuurlijke te buiten gaat, van ons vergen mag. In rang staat de Overheid zelfs boven een Engel Immers de Overheid wordt in de Heilige Schrift »goden'' genoemd, omdat de souvereiniteit van Godswege in . haar gelegd is, terwijl de Enge' VH, - 'immer als SOUverein optreden, maar steeds als «dienende veesten."

Ook hiermede echter is de zaak nog niet beslist.

Uit het aangevoerde toch volgt nog alleen, dat wij, indien God de Heere een Engel als zijn gezant naar ons afzond, en deze zichtbaar tot ons naderde, hem met eerbiedige nederigheid zouden te beegenen hebben. En dit nu behoeft waarlijk de Roomsche kerk ons niet voor te prediken. Of wie is er onder ons Protestanten, voor zoover we aan de belijdenis der vaderen vasthouden, die als hem v/erkelijk in zijn huis, bij zijn legerstede of op den weg een Engel Gods in zichtbare gedaante verscheen, niet op staanden voet met den diepsten eerbied zou vervuld worden ? Die eerbied zou bij een ieder onzer zelfs allicht zoo machtig en overweldigend werken, dat we evenals Johannes al spoedig geneigd zouden zijn, voor zulk een Engel op de knieën te vallen, zöodat alleen ons nadenken, en ons overwegen, dat we toch ook in den Engel met een creatuur te doen hadden, ons van overmatige en ongeoorloofde hulde zou terughouden. Maar, en dit nu juist is onze bedenking, de Roomsche kerk spreekt van zulk eerbetoon niet enkel voor die bijzondere gevallen als aan iemand de verschijning van een Engel mocht te beurt vallen, maar ook in het generaal, als er gansclielijk geen Engel aan ons verschijnt, als we hem dus niet ontwaren, niet zien, niets van zijn tegenwoordigheid weten, en hoogstens uit eigen beweging onze aandacht op hem pogen te vestigen. Ware dit nu nog enkel bedoeld voor het geval, dat ons metterdaad een Engel vroeger verschenen ivas, om ons dan daarna uit de herinnering hem voor te stellen, en met zekeren eerbied aan hem te denken, zoo liet ook dit zich nog hooren. Een zekeren indruk van een bepaald wezen kon zulk een verschijning uiteraard achterlaten; dien indruk kon men daarna weer opwekken; en op die. wijs ware het denkbaar, dat we, ook na zijn verdwijning, gedachten van eerbied naar zulk een Engel lieten uitgaan. Want wel geldt zelfs hiertegen de bedenking, dat zulk een Engel steeds in de gedaante van een mensch, als schijngestalte, verscheen, en dat deze menschelijke gedaante in den hemel hem niet meer eigen is, maar er is op zich zelf niets tegen, om te vermoeden, dat Maria zich ook in later dagen het heerlijke gezicht van den Engel Gabriel herinnerd, en met stillen eerbied aan hem gedacht hebbe.

Heel anders echter komt de zaak te staan, als n nooit een E/tgelverschij/dna ten deel viel, en ge dus nooit een Engel gezien hebt. Dan toch is heel dit denkbeeld van een afgezant van den Koning der koningen niets dan een fictie. Er is dan nooit, öp vOor u bewuste \vij7.e, dooruw God een Engel als ambassadeur naar u toegezonden. Gij waart, bij ontstentenis van zulk een zending nimmer in de gelegenheid aan zulk een Engel uw eerbetoon te wijden, noch ook om later uit de herinnering zijn beeld voor u te halen en met eerbied terug te leven in de ontmoeting van het verleden. Geheel de vergelijking met een gezant van een aardsch vorst valt alzoo voor u weg. Immers den gezant van een aardsch vorst eert ge niet in het denkbeeldige, maar alleen als hij tot u gezonden wordt of als ge uit de herinnering van het verleden hem kent. En hoe machtig ook de Czaar van Rusland zij, niemand denkt er ook maar van verre aan, om aan één van zijn gezanten of aan zijn gezamenlijke gezanten int de verte eenig eerbetoon te wijden, eenvoudig wijl we weten dat ze bestaan, en in den dienst van den Czaar gebruikt worden, Rusland, heel Europa, en zoo ook ons land ten goede. In zulk een geval ontbreekt de zending; ontbreekt de kennis en de wetenschap van de bepaalde diensten; ontbreekt elk persoonlijk aanknoopingspunt; en blijft deswege alle eerbetoon uit. Zelfs al is het dat een gezant van den Czaar in onze residentie komt, indien hij niet komt met een missie tot ons Hof, of vroeger bij ons Hof geaccrediteerd was, wordt elk officieel eerbetoon onthouden. Eu toch dit is metterdaad de eenige juiste vergelijking voor onze verhouding tegenover de Engelen. We weten, dat de Heere onze God Engelen gebruikt, we weten dat ze Hem dienen, we weten, dat ze ook gebezigd worden om dergenen wil die de zaligheid beërven zullen; maar we zien ze niet, we kennen ze niét, ze worden niet meer tot ons persoonlijk zóó gezonden, dat we hen aanschouwen kunnen, en deswege zijn ze voor ons persoonlijk onbekende wezens. Alleen uit de traditie van wat voor achttien en meer eeuwen deze Engelen waren en voor sommige personen bij hun verschijning geweest zijn, alsmede uit enkele mededeelingen omtrent hun werkieg, kunnen we ons, van verre, eenig zwak en flauw denkbeeld van hen vormen; maar alle concreetheid en alle bewust persoonlijk contact ontbreekt. Zelfs de voorstelling kan ons hier niet te hulpe komen, want de Engelen zijn geestelijke wezens, en de voorstelling alsof het zichtbare gedaanten en verschijningen met vleugelen waren, is uit de poëzie gegrepen, en niet uit de werkelijkheid. Heel die vergelijking met de gezanten van een aardsch vorst moet daarom vallen. Ze zou doorgaan, indien er sprake was van een persoonlijke Engelverschijuing aan u; maar ze m.ist elke toepassing nu het de vraag geldt, niet hoe ge een Engel, indien hij u verscheen, zoudt moeten ontvangen en bejegenen, maar hoe ge in uiü gedachten met u geheel onbekende Engelen bezig zult zijn.

Nog ééue tegeuweiping" die hierbij te maken ware, willen we ten slotte ónder de oogen zien. Men zegt namelijk, dat we wel is waar geen rechtstreeks persoonlijke Engelverschijningen meer hebben, maar dat een iegelijk uitverkorene dan toch zijn Beschermengel, d. i. een hem opzettelijk toegevoegden Engel bezit, en dat het dan toch billijk is, dat we althans dezen persoonlijk ons toegevoegden Engel met zekeren eerbied en vreeze bejegenen, en hem de wederiiefde gunnen van ons hart. Of nu metterdaad elk uitverkorene zulk een Engel bezit, bespreken we straks; vooraf echter zij opgemerkt, dat, ook al zijn er persoonlijke Beschermengelen, ook zulk een Engel voor ons toch altoos een verborgen wezen is en blijft. Ook die persoonlijke Beschermengel verschijnt ons niet. Indien hij over ons waakt, zoo waakt hij op mysterieuse wijze, als een ongeziene geest, die hetzij ons omzweeft, of uit de verte voor ons zorgt. Ook al stelt men dus, dat de leer van de Beschermengelen metterdaad overeenkomt met de openbaring van de Heilige Schrift, dan stuiten we toch ook hier op dezelfde bedenking, die ons zoo even ophield. Ook hier toch maakt het onbekende alle persoonlijk eerbetoon ondenkbaar. We staan dan wel in het geloof, dat er zulk een Engel is. We gelooven dan en nemen aan, dat God ons op bijzondere wijze door onzen Beschermengel verzorgt en behoedt, maar hem kennen we niet, we zagen hem niet, we missen onzerzijds ook met hem alle persoonlijk contact. Bovendien zou, ook al kon uit het geloof aan zulk een Beschermengel nog altoos iets worden afgeleid, dit nooit de theorie van Rome dekken. Immers de Roomsche kerk vraagt dit eerbetoon volstrekt niet alleen voor den Beschernieugel, maar wel terdege voor de Engelen in het gemeen. En nu spreekt ook in de Gereformeerde kerk de gemeente Gods de Engelen wel toe, als ze zingt: »Looft, looft den Heer, gij zijne legerscharen, wier lust het is op zijnen wenkte staren", en kan ons dus allerminst verweten worden, dat we ons om de Engelen niet bekommeren, of volgens onze kerkpractijk aan de Engelen niet denken ; maar het is heel iets anders, of wij onze hemelsche medecreaturen toeroepen, dat ze met ons onzen God mogen verheerlijken, of wel dat we elkander en onszelven opwekken om zeker eerbetoon, op min of meer godsdienstige wijze, toe te brengen aan die Engelen zelven. We kunnen en mogen aan, de Engelen pogen te denken; we kunnen ons hun heiligheid ten voorbeeld stellen, gelijk de Christus dit in het Onze Vader doet; we kunnen ons gelukkig rekenen in de wetenschap, dat ook zij gebezigd worden om ons heil te bedienen; maar dit alles heeft nog niets gemeen met een opzettelijk en plechtig eerbetoon, dat zich mengen zou in onze

godsdienstige vereering, en dat niet God, maar zijn creatuurlijke Engelen bedoelen zou.

. Thans nog een kort woord over het vraagstuk zelf van den Beschermengel. Het geloof aan zulk een Beschermengel, die den mensch zou zijn toegewezen, is tamelijk algemeen, niet alleen onder de Christenen, maar ook buiten de gedoopte wereld. Reeds de Heidenen koesterden vanouds zulke denkbeelden, en de Mohammedanen stellen zich^nog vooi, dat elk mensch begeleid wordt door een goeden en een kwaden Engel. OokOrigenes verbeeldde zich, dat een goede Engel ter rechter-en een kwade Engel ter linkerzijde hem steeds begeleidde. De Roomschen gelooven eveneens aan het ons toegevoegd zijn van zulk een Beschermengel. En wel verre, dat alle Protestanten dit geloof zouden verworpen hebben, houdt nog heden ten dage deels ook in de Luthersche kerk ditzelfde geloof stand; ja zijn er niet weinigen ook onder de uitstekendste Gereformeerde-theologen geweest, die op grond van de Schrift dit geloof gewettigd achtten. Alleen maakten onze Gereformeerde theologen dan de nadere bepaling, dat zulks alleen gold van de uitverkorenen, en niet van een iegelijk mensch. We behoeven onder onze Gereformeerde theologen slechts de namen van Hiëronymus Zanchius, Andreas Rivetus en Maccovius te noemen, om terstond te doen zien, dat het geloof in Beschermengelen ook onder onze Gereformeerde godgeleerden verdedigers van naam vond. ZANCHIUS schrijft in zijn Tractatus de Angelis Op. Tom. 3 p. i p. 142 : sHet is waarschijnlijk en overeenkomstig de Heilige Schrift, dat aan een iegelijk uitverkorene, reeds van zijn geboorte af, een bepaalde en bijzondere Engel is toegewezen". MACCOVIUÖ, van de Synode te Dordrecht ook aan onze lezers wel bekend, schreef in zijn Loei Communes c. 40 en 4: »Wij belijden, dat aan een uitverkorene van zijn geboorte tot aan zijn dood een eigen en bijzondereEngelis toegewezen." En RIVET zegt in zijn Catholiciis Orthodoxus (Op. II. p. 250): »Het is echter niet in strijd met de Schrift, noch ook onwaarschijnlijk, dat God aan elk uitverkorene van zijn gebojrte tot zijn dood toe een eigen en bepaalden Engel hebbe toegewezen, behalve de andere Engelen die hem in allerlei ongelegenheid te hulpe komen". GiJSBERTUS VOETIUS daarentegen is tegen dit gevoelen opgekomen in zijn Tractaat de angelis Tutelartbus (Disp. Theol. I. p. 897 V.), en sinds heeft men veelal deze voorstelling van een bijzonderen Beschermengel ten onzent weer prijsgegeven.

Zij die het geloof aan zulk een Beschermengel staande hielden, beriepen zich op Matth. 18:10. Hand. 12:15 en Hebr. i : 14. In Matth. 18:10 zegt de Christus, dat men zich te ontzien heeft, om de kleinen niet te ergeren, •» omdat him Engelen altoos zien het aangezicht van hun Vader die in de hemelen is." In Hand. 12:15 wordt ons gemeld, dat bij Petrus" terugkeer uit de gevangenis, zij die bij Maria in huis waren, niet geloovende dat Petrus zelf kon aankloppen, uitriepen: Het is zijn Engel". En in Hebr. i : 14 lezen we, dat de Engelen «dienende geesten ziya'^die ivorden uitgezonden om dergenen wil, die de zaligheid beerven zidlen." Nu is niet wel te ontkennen, dat dit drietal uitspraken wel eenigermate het denkbeeld doet rijzen, dat God de Heere ons niet alleen door zijn Engelen in het generaal bijstaat, maar dat ook onder de duizendmaal tienduizend Engelen, die zijn Troon omstuwen, een enkele de opdracht heeft, om zich meer bijzonder met de zorge voor de uitverkorenen bezig te houden. Wij zullen dan ook niemand veroordeelen, die met Zanchius, Rivet en Maccovius, zich de zaak alzoo voorstelt. Reeds op zich zelf ligt er niets ongerijmds in, dat er ook in den hemel zekere orde van dienst bestaat, en dat ook daar zekere verdeeling van arbeid plaats grijpt. Waarom nu de eene en dan weer de andere Engel met de hoede van één der uitverkorenen zou belast worden, valt zelfs kwalijk in te zien. Slechts dan komen we in verzet, als men uit de aangehaalde Schriftuurplaatsen acht de ordinantie der persoonlijke Beschermengelen afdoende te kunnen bewijzen. Dit toch zit in deze Schriftuurplaatsen niet in. Als er staat dat de Engelen tot dienst ter wille van de uitverkorenen uitgezonden worden, is dit ganschelijk generaal gesproken, en zegt het alleen dat de Heere onze God in het werk der zaliging van zijn uitverkorenen ook van den dienst zijner Engelen gebruik maakt, maar zulks zonder eenige de minste bepaling. Als er in H-md. 12 : 10 verhaald wordt, dat desaamgelcomenen in Maria's huis van »Petrus Engel" .spraken, blijkt hieruit zeer zeker, dat de daar verzamelden, evenals hun tijdgenoot& a, de voorstelling van een bepaalden Beschermengel koesterden; maar natuurlijk ligt hierin niet de minste waarborg, dat ze hierin recht hadden. Zelfs nu nog na achttien eeuwen heerscht in de gemeente Gods allerlei dwaling, hoeveel te meer moest dit dan niet het geval zijn bij de eerste Christenen, die noch Belijdenis noch Catechismus hadden, en bij wie de waarheid nog zoo weinig in het bewustzijn had doorgewerkt. Feitelijk kan er dan ook alleen in Matth. 18 : 10 zekere steun voor dit gevoelen gezocht worden. Niet zoozeer in de woorden zelf. Immers als Jezus zegt: iHwt Engelen (namelijk van de kleinen) zien ai den dag het aangezicht van mijn Vader die in de hemelen is", is hiermee wel uitgesproken, dat deze groep der »kleinen" een groep van Engelen heeft, die in bijzonder rapport met hen staan, maar nog geenszins, dat elk der kleinen een afzonderlijken Engel tot zijn dienst heeft. Stel dat een heirschare van tien duizend Engelenjmet dea gezamelijken dienst der uitverkorenen ware belast, dan zou dit woord van Jezus evenzoö hebben kunnen luiden, en toch zou er van een persoonlijken Beschermengel dan geen sprake zijn. Maar wel is er eenige nadruk op te leggen, dat in Jezus' omgeving dit geloof in een persoonlijken Beschermengel bestond, dat Jezus dit wist, en dat Jezus, dit wetende, door alzoo te spreken, allicht den indruk moest teweegbrengen, dat hij zijnerzijds deze voorstelling beaamde. Een zeker niet wiskunstig bewijs, maar dat toch altijd zeker gewicht in de schaal legt, en Zanchius, Rivetus en Maccovius bij hun uitspraak steunde. Al is dan ook dit stuk niet tot volle zekerheid te brengen, dit weten dan toch Gods uitverkorenen, dat ook de Engelen hun de zaligheid bedienen, dat ook in het Engelenheir wacht over hun ziel wordt gehouden, en dat deze hemelsche wacht die over hen waakt, al den dag en al den nacht het aangezicht des Vaders ziet. Dit nu moet ons genoeg zijn, te meer daar wij van een nader persoonlijk rapport toch nooit iets merken. Slechts zij men op zijn hoede, dat deze dienst der Engelen ons nooit verleide, om ons vertrouwen, d. i. het vertrouwen voor onze eeuwige zaligheid, ooit van God af te trekken en te stellen op een altoos creatuurlijken Engel, i)

i) Naar aanleiding van ons eerste opstel ontvingen we een welwillend schrijven van een »R.-K. priester, van de Congregatie van den Alleriieiligsten Verlosser", die protest aanteekent tegen onze voorstelling, alsof de Roomsclie practijk en mystiek in zake de Dulia der Engelen zoo vaak verkeerd ware, alsook .tegen onze voorstelling, alsof de dienst der Engelen in verband stond met zekere bedenking, om rechtstreeks tot Jezus te gaan, een protest waarvan het slot aldus luidde: »U schijnt te vergeten, dat liet voornasmste object van voreering in de Katholieke Kerk Jezus Christus is en dat zich daarom als om het middenpunt geheel de cultus der kerk, , ook de vereering der heiligen, beweegt. Is er wel een meer directe gemeenschap met Christus denkbaar, dan Hem in ons midden met Godheid en menschheid tegenwoordig te aanbidaen, ja Hem door de Heilige Communie aldus in ons binnenste te ontvangen gelijk de Katholielcc Kerk vastelijk gelooft ? Maar ook anderszins is het den Katholiek eigen, met Christus in directe gemeenschap te treden; door het gebed nl., en niet alleen met - Christus, maar ook met den Vader en dsn Heiligen Geest. Uit i.; eigen, niet slechts aan so: nmij; 0 orden, gelijk u bc.vccrt, inaar aan iederen waren Katholiek. Doch nog eens: hoc inniger onze !; cracciischap i.3 mei Cl-.ristus, zooveel te inniger zal ook onze gemeenschap zijn met de Engelen en heiligen des honieU, die zijne vrienden en liovelinjen zijn en het beste deel vormen van zijn mystiek lichaam, des to inniger ook zal onze onderwerping en gehechtheid zijn aan het door G„tl gcsielae kerkelijk gezag. (Hete. 13 ; 17.)"

Dat we niet heel zijn protect opne.non is, wijl het niet aangaat, bij studiën, die altoos ook de controvers met andersdenkenden ter sprake brengen, gedurig het verweer daartcgei. op te nemen. Staat men dit toch aan den een toe, dan moet het ook aan anderen gegund. Zulk verweer kan dan niet zonder repliek blijven. Daarop zou dan du; )liek volgen. En zoo zou heel ons blad allengs vol loopen met incidenteele polemiek. Bovendien een dispuut over do practijk van Romos kerk leidt tot niets, wijl deze practijk niet onder scherpe gegevens valt. Te allen tijde zijn ive bereid tegenspraak ook van Roomsclie zijde op te nemen, als het óf persoonlijk venveer geldt, óf aanwijzing uit de symbolische geschriften der Roomsche kerk, dat we een leerstuk op onjuiste wijze vooi-stelden. Dit toch mag niet, en steeds was het onze toeleg, om onze kennis omtrent de Roomsche leer uit de o.Ticieelc gegevens te putten. Maar ook dan alleen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 juni 1894

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Engelen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 juni 1894

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken