Bekijk het origineel

„Geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek."

9 minuten leestijd

En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben. Jesaja 33; 24.

De wijze onzer eeuw, die nog altoos even overmoedig en trotsch blijft, als de »wijze der wereld" uit de eeuw van Paulus, wil van een verband dat tusschen »zonde" en sdood" zou bestaan, kortweg niets weten.

Sterven, zoo betuigt hij, is een natuurnoodwendigheid; de dood is de tol dien elk onzer aan het noodlot heeft te betalen. Alles komt en gaat, verschijnt om weer te verdwijnen; gestadige wisseling van de stof is de wet, die alle bestaan beheerscht, en eeniglijk wijl ook de mensch onder die wet valt, moet ook de mensch sterven.

En toch, hoe luchthartig de één dit den ander moge nazeggen, toch blijft in de conscientie der volkeren een heiliger besef tegen die leugen protösteeren.

Neen, de dood is niet natuurlijk, het sterven gaat tegen den aard en de neiging van ons wezen in. En al buigt, wie God vreest, in het sterven eens ootmoedig het hoofd, ja, al kan wie zijn Heiland mint, zelfs verlangen om ontbonden te worden, toch blijft de overgang zelf iets ijzigs, de vallei der schaduwe des doods iets sombers en bangs. Wie van Christus is, moge blijmoedig en jubelend eens ook over den dood triomfeeren, maar toch ook in dien triomf blijft de dood zijn vijand^ dien hij lofzingend ten onder houdt.

De Schrift zegt het 200 beslist en aangrijpend: sDe laatste VIJAND, die te niet gedaan wordt, is de dood."

En dit plechtig woord : »De dood onze vijand"^ vindt daarom m ons hart zulk een weerklank, overmits het sterven in verreweg de meeste gevallen door ziekte of krankheid wordt ingeluid, en althans bij eenigszins aangrijpende krankheid, zoo door den lijder, als door wie omzijn ziekbed staan, zoo diep gevoeld wordt, hoe in dat aantasten van meer dan zijn lichaam, niet een natuurlijk verloop, maar een verstoring van zijn natuurlijk bestaan plaats grijpt, het indringen in hem van een macht van buiten, die het op zijn leven toelegt.

Vooral het feit, dat niet allen ziek worden, sluit bij krankheid alle besef van natuurnoodwendigheid zoo beslist uit.

Bij den dood hebben we te doen met een lijden, dat vroeg of spade een iegelijk overkomt, maar ziekte grijpt den eene aan, om den andere te sparen. .

Er zijn kranken, die bijna hun levenlang het leed der krankheid te dragen hebben, maar tegenover deze ongelukkigen staan sterke naturen, die tot hun sterven toe nooit op het ziekbed nederlagen; en het is juist dit ongelijke lot^ dat bij zielite althans zelfs aan den dweper met de natuurwet het zwijgen oplegt.

Krankheid han nooit het door God in zijn schepping gewilde zijn.

Krankheid moet, buiten Gods oorspronkelijk bestel, in de zonde haar oorzaak vinden. Hoor maar wat u de profetie getuigt van de heilige stad waarin geen zonde meer zijn zal.

Omdat er geen zonde in zal wezen, daarom zal er ook geen inwoner meer zeggen: Ik ben zielig want^ zoo spreekt de heilige Israels, het volk dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.

^Krankheid" en »dood", hoe na verwant ook, zijn dus daarin klaarlijk onderscheiden, dat de dood aller is, de krankheid sommiger. Dit springt vooral in het oog, zoo we »krank" nu in zijn wijdsten omvang nemen, en er dus niet alleen teringlijders, kankerzieken enz., maar ook Minden en dooven onder verstaan

staan Bijna een ieder ziet en hoort^ en alleen een zeer kleine minderheid draagt de bange plage, van óf van het gezicht óf van het gehoor beroofd te zijn, het laatste vaak door stomheid verzwaard. Was nu onze liefde sterk genoeg, zoo zou het indenken van het gemis en het lijden dezer beroofden, ons zelven het leven bang maken, want het is niet uit te spreken, wat een doove mist en een blinde derft. Mist en derft niet maar voor een korte wijle of voor enkele maanden, maar jaar in jaar uit, tot aan xijn sterven toe.

En al is het nu, dat de meer eigenlijke ziekten veel uitgebreider terrein beslaan, toch merkt ge wel op, hoe ook het eigenlijk diepe ziek zijn geen regel, maar veeleer uitzondering is. Minder nog in onze beschaafde landen, waar de gezondheid geknakt is, maar zeer stellig onder de meer afgelegen volken, bij de bergbewoners, en ten deele zelfs ten plattelande. Lichte ongesteldheden mogen daar voorkomen, soms zware epidemieën doorbreken, maar voor het overige is ernstig ziek zijn daar zelden gezien.

Ongelijk is alzoo ook in dit opzicht de verdeeling. De engel der krankheid gaat den één voorbij en slaat den ander. Iets wat u vooral in het oog springt bij kwalen die erfelijk zijn in de geslachten. Dan leven er twee familiën naast, elkaar, en in de ééne draagt elk weer opkomend geslacht den blos der gezondheid op het gelaat en in de andere worden de kindekens schier niet geboren, dan met het teeken des doods op het gelaat.

Wat bij de blinden en dooven zoo treft, gaat daarom eigenlijk bij alle krankheid door, zelfs in epidemieën: De krankheid is niet aller. Ze werpt den één terneder, om den andere ongedeerd te laten.

En die ook hier doodt en levend maakt, of wilt ge, krank maakt en gezond houdt, wie is het anders dan de Heere, die ook in dit opzicht med de kinderen der menschen doet naar zijn welbehagen ?

Niet de mensch door zijn zonde, alleen Gods vrij machtig welbehagen, bepaalt, in en buiten epidemie, welke geslachten, familiën en personen wel en welke niet met deze krankheden zullen bezocht worden.

Zelfs zouden we Schriftuurlijk blijven, zoo we van plagen spraken; want van Joram staat in

. 2 Chron. 21 : 18 opgeteekend: Boven dit alles plaagde hem de Heere met een krankheid, daar geen genezen aan was."

, Het zijn niet enkele schuldigen te midden van een omgeving van heiligen^ en nu die enkele schuldigen met krankheid geslagen, terwijl die heiligen bloeien in welstand en kracht.

Eer omgekeerd ziet men vaak zondaars, die den Heere tarten, en die toch, zooals de Psalmist zegt, ïzelfs in geen moeite zijn als anderen"; en wie heeft omgekeerd onder de blinden en kranken niet dikwijls stille vromen aangetroffen, die met het merkteeken hunner verkiezing wel niet te koop liepen, maar die het u ongemerkt vertoonden.

Ook in dit opzicht was het steeds en blijft het: De lijdende knecht van God.

Wel is alzoo alle krankheid om der zonde wil, en zou er zonder zonde geen krankheid denkbaar zijn, maar de schuld is uit Adam^ is aller^ is van ons geslacht als zoodanig; en waar God nu allen treffen kon, daar is het zijn gettade^ en niets dan zijn genade, die de duizenden spaart, om slechts de honderden met zijn plagen te kastijden.

Niemand onzer heeft ook maar één dag zijns levens op gezondheid aanspraak.

Ziek zijn en wegkwijnen tot we stierven zou I ons aller verdiend lot zijn. En als nu God de Heere in zijn ontferming dit bange lijden der krankheid aan de meesten spaart, om er slechts enkelen meê te treffen, zouden die enkelen dan morren, omdat ook zij niet vrij uitgaan ?

Dragen zij zelven dan ooit iets anders, dan wat zij even ten volle als die anderen, verdiend hadden? Mag dan God de Heere op hen niet laten aankomen, wat nog altoos minder dan hun rechtvaardige straf is? Ja, zouden die enkelen, zoo ze God vreezen, niet veeleer te midden van hun lijden nog verkwikt worden door de liefde Gods die de anderen spaarde?

Of komt uit dat sparen der anderen niet ook hun de geur van de liefde Gods tegen? Als allen getroffen werden, waar zou de zorgende liefde zijn, waar het hart dat troostte? En als nu dat sparen der anderen in Gods hand middel is, om ook hun lijden te verzachten en hun de ziel door liefde te verkwikken, zeg zelf, zou dan ook bij het bangste leed niet nog lof en dank voor deze teeder beschikkende liefde Gods uit het hart van Gods kranke kind opklimmen ?

Zoo schittert hoog en heerlijk ook hier het bestel van Gods wegen, mits maar niet de gezonde zeggen ga: Omdat God u sloeg, daarom zijt gij de zondaar.

Dat zal wel die lijder zelf in stilte tot zijn eigen ziel en voor zijn God betuigen; want elke ernstige ziekte roept tot verantwoording, en wie in zijn ziekte de schuld uit Adam, de zondeschuld van heel zijn geslacht, voelt nawerken, bekent juist deswege niet het minst de persoonlijke onderzoeking waarmee de Heere tot zijn eigen ziel komt.

Wat de Christus tot den geraakte zeide: »Ga heen en zondig niet meer, " vindt zijn naklank bij elk kind van God, dat de golven van ziekte en krankheid over zijn hoofd voelt heengaan.

Doch dit is en blijft de persoonlijke handeling tusschen God en zijn hart; maar wat allen aangaat, is niet dit persoonlijke, maar is de genade Gods, die in het treffen van niet allen, maar slechts van enkelen^ waar allen schuldig staan, openbaar werd.

Nu toch ontsluit zich in die wondere krankheid een mysterie, waardoor onze Vader die in de hemelen is, van alle zijden de zedelijke, heilige krachten des levens opwekt tot de eere zijns Naams.

Want wel is het zoo, dat de mensch in zijn zondig drijven ook zelfs de krankheid op een geestelijk kwaad kan doen uitloopen, en lang niet alle krankheid werkt zegen.

Maar dit neemt niet weg, dat de krankheid er uit haar aard toch op aan is gelegd, im klein te maken wat te hoog was, om het zelf-, vertrouwen in vertrouwen op God te verkeeren, om eigen werk en Gods werk in juister evenredigheid voor ons geloofsoog te plaatsen, en niet minder om anderer deernis en mededoogen, om veler liefde en deelneming gaande temaken, om wat in het broederhart sluimerde weer wakker te roepen, ja, bovenal, om langs al deze wegen groot en heerlijk te maken den Naam vaji dien Kenner en Bewerker der harten, die door de donkere wolk van het lijden zoo zonnig en koesterend den glans zijner heilige ontferming doet heenschijnen.

Waar dan nog bij komt, dat God de Heere, als het Hem belieft, ook den Geest des gebeds uitzendt, en niet om veler gebed, maar toch niet buiten verband met wat Hij zelf in de harten werkte, soms de plage weer wegneemt en de krankheid geneest.

De trouwe Herder, die ons eerst zelf indreef in de vallei der schaduwen, en die ons nu weer bij de hand grijpt, en terugleidt, en uitvoert naar de velden des lichts.

Heerlijke profetie en zalig voorgevoel van wat het eens zijn zal in de opstanding der dooden. Uit de moedeloosheid oplevend, ' en straks herboren tot nieuwe kracht.

Als Hij, de Heere, dé sterkte vermenigvul­ l digt dien die geen kracht meer had, en het in die vernieuwing als met een arendsjeugd gevoeld wordt, wat het eens zijn zal, als dit verderfelijke onverderfelijkheid zal hebben aangedaan, en het alles in eeuwige jeugd bloeien zal binnen dat Jeruzalem daarboven, waar geen inwoner meer zeggen zal: Ik ben ziek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 november 1894

De Heraut | 4 Pagina's

„Geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 november 1894

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken