Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dan de Engelen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dan de Engelen.

16 minuten leestijd

XVI.

Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader. Mare. 13 : 32.

'In verband met het persoonlijk leven der engelen Gods staan drie dingen. Niet alleen de val van gansch een menigte onder hén, maar ook in de tweede plaats het oordeel dat over hen gaan zal; en ten derde de uitverkiezing, waarvan de heiligen onderde engelen eeuwiglij k het voorwerp waren. Om met het laatste te beginnen, zoo wordt het feit, dat ook de engelen uitverkoren zijn, in i Tim. 5:21 met zoovele woorden vastgesteld, als de heilige apostel schrijft: Ik betuig voor God, endenHeereJezus, en de uitverkorene engelen, dat gij deze dingen mderhoudt zonder vooroordeel." Dit nu is niet een ter loops bijgevoegde, maar zeer plechtige apostolische uitspraak, die toont hoe de heilige apostel voor zijn eigen besef met de engelen rekende, en ook hun voortreffelijkheid en heiligheid alleen •a.'a.w genade toeschreef. Wat men beweerd heeft, dat men onder deze i> uitverkorene engelen" zekere bijzonder hooggeplaatsten onder de engelen zou te verstaan hebben, die dieper in het paleis van Gods heiligheid mochten doordringen of den Troon der genade nader stonden, is een uitlegging, die door geen lettergreep in den tekst gesteund wordt. Stond er nog: en iry«^.uitverkoren engelen", zoo kon men dit nog verstaan van een klein getal engelen, die Jezus' lijfwacht vormden. Maar dit staat er niet. Er staat geheel ia het algemeen; »en de uitverkoren engelen". Niets geeft dus recht, om hier een klein aantal bijzonder bevoorrechte engelen van de overige af te zonderen, alsof Paulus wel hen, maar niet de overige bedoelde. Het woord «uitverkoren" slaat op allen, overmits het zonder eeaige nadere bepaling staat. Toch mag men daarom deze uitverkiezing der engelen niet op één lijn stellen met de uitverkiezing onder de kinderen der menschen. Onze verkiezing is tot zaligheid, door erbarmende genade; maar de verkiezing der engelen heeft met het werk der erbarmende genade niets uitstaande. Hun uitverkiezing is een uitverkiezing om niet te vallen, en, als niet gevallen, vanzelf der zaligheid deelachtig te zijn Ook de engelen, die zalig zijn, mogen het steunpunt en uitgangspunt van hun heil niet in zichzelven bezitten. Ook hun heil vloeit af van God. Overmits nu ook de engelen een persoonlijk leven hebben, moet dus ook de wortel, de eerste kiem, waaruit hun heil opspruit, niet in hen, maar in den verkiezenden God liggen, opdat ook hun danklied eeuwiglijk uitga, jubelende dat het al ontvangen, al genade, al vrije goedertierenheid van den Eeuwige is. Veel minder echter dan bij de verkiezing der menschen, is het ons hier mogelijk nog nader in deze verkiezing der engelen in te dringen. Er is ons niets over geopenbaard, en deswege voegt het ons, ook hier onze onwetendheid oprechtelijk te belijden. We verstaan ook van deze uitverkiezing de nood­ zakelijkheid, want de kans mocht niet beloopen, - jdat alle engelen wareu afgevallen, en alzoo heel Gods engelemvereld ontvolkt, ja, de schepping van dat edele creatuur tot een misgreep gemaakt. We vernemen ook het feit, want de heilige apostel vermeldt het uitdrukkelijk. En eindelijk staat het vast, dat hun uitverkiezing, niet tot rechtvaardigmaking, maar tot een niet-vallea was. Doch hiermede eindigt onze wetenschap en houdt onze kennisse van deze uitverkiezing op.

Even raadselachtig als de uitverkiexing der engelen is het oordeel dat over hen gaan zal. »Weet gij niet, " vraagt Paulus in I Cor. 6:3, »dat wij de engelen oorde elen zullen? " Nu is het licht te verstaan, dat de gevallen engelen onder het oordeel komen. Reeds terstond na hun val is er een voorloopig oordeel over hen uitgegaan, en er ligt niets duisters in, dat in dien dag der dagen, die komt, dit oordeel plechtiglijk bevestigd en vreeselijk volvoerd zal worden. Maar wat raadselachtig blijft is allereerst de vraag, of ook é& goede engelen onder het oordeel komen, en ten tweede wat wij, menschen, met dit Oordeel uitstaande hebben, zóó dat het ons kan worden toegeschreven. Wat nu het eerste aanbelangt, zoo heeft men wel de meening opgeworpen, dat het zeggen van Paulus uitsluitend op de booze engelen zou slaan, en dat zijn bedoeling dus zou zijn, dat wij alleen de afgevallen engelen, d. i. de duivelen en demonen, oordeelen zullen. Aannemelijk is dit echter niet, overmits de duivelen en demonen nergens in de Heilige Schrift, zonder eenige bijvoeging, enkel met het woord »engelen" worden aangeduid. Waar zondermeer, gelijk hier, alleen van »engelen" sprake is, heeft men daaronder steeds de goede engelen te verstaan. Dit nu geldt ook hier, ook al geven we toe, dat VAQ recht ontvangt om de goede engelen te oordeelen, vanzelfookbekwaamis om het oordeel over de gevallen engelen te helpen voltrekken. Is dit nu alzoo, dan moet dit oordeel, dat over de goede engelen gaan zal, geheel gelijk staan met het oordeel dat over de gezaligde kinderen Gods zal gaan. Want wel zegt Jezus, dat de kinderen Gods niét in het oordeel komen, maar dit moet uiteraard zóó verstaan, dat ze niet onder veroordeeling komen. Duidelijk toch leert de Heilige Schrift, dat zoowel de goddeloozen als de verlosten voor den rechterstoel van Christus verschijnen zullen, om te ontvangen wat zij ia het leven gedaan hebben, hetzij goed, het; dj kwaad. Past men dit nu ook op de engelen toe, dan blijkt hieruit, dat ook de engelen als zedelijke personen, alvorens de eeuwige morgen ingaat, het oordeel over hun staat en stand ontvangen, de gevallen engelen om in eeuwig verderf onder te gaan, de goede engelen om heilig verklaard en openlijk als zoodanig erkend te worden.

De tweede vraag, wat wij hiermede uitstaande hebben, en, wat het beduidt, »dat wij de engelen oordeele? i zullen", dient evenzeer met groote voorzichtigheid onderzocht. Ook over dit punt toch bezitten we niets anders dan deze ééne, zeer algemeene uitspraak. Nu laat zich tweeërlei denken, óf dat wij als verloste kinderen der menschen, door het feit zelf van ons ingaan in de heerlijkheid, aan de goed^ engelen gelijk zullen geven en de oocfee engelen zullen wraken, óf wel dat wij aan het oordeel deel zullen nemen, dat over elk van hen persoonlijk zal gaan. Neemt men het eerste aan, dan is de voorstelling deze, dat de engelen bij de schepping des menschen voor het zedelijk waagstuk stonden, om deze schepping van den mensch, als van een wezen boven hen staande, ofte billijken of te wraken. Uit nijd zouden toen de booze engelen de schepping des menschen gewraakt hebben en er tegen in verzet zijn gekomen, terwijl de goede engelen, zonder nog het doel van 's menschen schepping te verstaan, er zich uit eerbied voor Gods bestel in zouden geschikt hebben. En nu zou bij de einduitkomst de heerlijkheid en de voortreffelijkheid des menschen op zoo klare wijze schitteren, dat al'e twijfel werd opgeheven, en het duidelijk uitkwam, hoe de booze engelen ten onrechte zich tegen de schepping des menschen verzet hadden, terwijl de goede engelen zich terecht er in hadden gevoegd. Ons oordeel over de engelen zou dus bestaan in het feit zelf, dat de schepping des menschen in de einduitkomst gerechtvaardigd werd. Zónder nu echter deze voorsteUing geheel te verwerpen, en zelfs toegevende dat er waarheid in ligt, kan toch kwalijk toegestemd, dat dit door Paulus zou bedoeld zijn. Immers Paulus handelt in I Cor. 6 niet van een zedelijk algemeen oordeel, maar zeer bepaaldelijk van rechtspraak in geschillen. Ge herinnert het u wel. De Christenen in Corinthe voerden processen tegen elkander bij de heidensche rechtbank. Dit keurt Paulus af, en hij vraagt of ze uit hun eigen midden niet enkele broeders kunnen aanstellen, om bij het opkomen van zulke geschillen, als scheidsrechter!? te zittp". En om dit nu aan te dringen vraagt hij: »Weet gij niet, dat v/ij de engelen oordeelen zullen? Hoeveel te meer de zaken die dit leven aangaan." Dit vel'band nu laat geen andere uitlegging toe, dan dat »het oordeel der engelen" persoonlijk' bedoeld is, als een deelnemen aan de rechtspraak, die van Christus ook over de engelen zal uitgaan. De eenig mogelijke verklaring is derhalve, dat gelijk we met Christus zitten zullen in zijnen troon, en in de gemeenschap met den Middelaar, tot heerschappij zijn geroepen, dat we zoo ook in de gemeenschap met den Christus deel in dat oordeel over de engelen zullen hebben, en dat het, na afsnijding van alle zonde en van alle duisternis, die de zonde over ons brengt, ons gegund zal worden, ook klaarlijk het wezen van den engel te doorgronden, gelijk het aan Adam in het Paradijs gegund was, zonder feil, het wezen te doorgronden van het dier. We zullen kennen gelijk we gekend zijn, niet meer inziende als in een spiegel, maar in het wezen der dingen, en het is deze heilige, diepere, rijkere kennis, die ons tot een oordeel ook over de engelen in staat zal stellen.

In de derde plaats hangt met het persoonlijk leven der engelen, niet enkel hun verkiezhig en hun oordeel, maar ook hun val saam. Iets wat hier ter sprake komt, nu niet om nogmaals den aard van hun val na te gaan. Dit punt is vroeger door ons afgedaan. Maar wel, om de noodzakelijkheid te doen uitkomen, dat deze val hiogelijk was. Persoonlijk leven, leven in zedelijk zelfbewustzijn, is ondenkbaar zonder gevoel van aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid, en verantwoordelijkheid wederom is onbestaanbaar, tenzij het besef in ons leve, dat we zelf kiezen, en alzoo tot die keuze zedelijke vrijheid bezitten. Hoezeer dan ook moet beleden, dat zelfs deze persoonlijk vrije wiikskeuze een gifte Gods is, en dus toch weer oorzakelijk met het bestel van den Almachtige saamhangt, voor ons, voor ons besef en ons bewustzijn, is en blijft dit toch altoos onze wilskeuze. Deze wilskeuze nu volbrengen we bij elke zedelijke daad, met minder of meer helder bewustzijn. Maar achter alle deze wilskeuzen, in de enkele gevallen des levens, ligt ééne principieele wilskeuze, die eens voorgoed en vooraltijd, de richting bepaalt, waarin we ons scheepke sturen zullen. Deze principieele keuze bepaalt den koers van ons zedelijk leven, of we naar Oost of naar West, naar Noord of naar Zuid zullen sturen, en alzoo zonder beeldspraak, of we ons scheepke sturen zullen naar God toe of van God af. Twee mogelijkheden zijn hier alzoo in den aard zelven van de keuze begrepen. Van God af, dat is de val; naar God toe, dat is de behoudenis. En in zoover mag en moet vrijelijk gezegd, dat de mogelijkheid van te vallen de onafwijsbare voorwaarde was, om het zedelijk en persoonlijk leven van den engel mogelijk te maken. Door deze principieele keuze was nu in de wereld der engelen de zedelijke strijd op eenmaal beslist. Wie ten goede-koos, leefde voortaan, zonder zedelijke worsteling, zaliglijk in den dienst des Heeren, en omgekeerd, wie ten kwade koos, leefde voortaan, zonder berouw ot poging tot herstel, ellendiglijk in de vijandschap en in den haat tegen den almachtigen God en tegen den mensch, dien Hij geschapen had. Ook bij ons heeft de principieele-keuze in Adam wel machtigen invloed op ons volgend bestaan, maar toch bij ons blijft de ivorsteling voortduren, en komt de wiiskeuze, zij het ook op kleiner schaal en in kleiner afmeting, telkens terug. Dit is het proces van ons zedelijk leven, 't zij ten goede, 't zij ten kwade. Maar bij den engel is de zaak op eenmaal uit. Voor God en dan onverwijld volmaakt heilig; tegen God en dan volstrekt boos.

Is hiermee van het zedelijk leven der engelen genoeg gezegd, dan komt thans de vraag aan de orde naar den aard en den omvang van hun redelijk vermogen, d. i. naar het verstand en de kennisse van de engelen. Ook hierbij echter mogen we niet wijs zijn boven hetgeen ons geopenbaard is, en we bepalen ons derhalve ertoe, om ook die enkele gegevens te verzamelen en te ordenen, , die de Heilige Schrift ons biedt. En dan nemen wé ook hier oüs uitgangs-13unt in de booze engelen, en zulks wel om een afdoende reden. Als er toch een goede engel verschijnt, en we zien over welke kennis der dingen deze goede engel beschikt, is het hierom nog volstrekt niet uitgemaakt, dat deze uitgebreide en nauwkeurige kennis metterdaad aan den engel als zoodanig geschonken is. Het laat zich immers zeer wel J denken, dat God de Heere, zoo dikv/ijls Hij zulk een engel'm tiuitengeTvöTiïa' dieiïsu uitzendt, hem dan tevens die opzettelijke kennis verleent, die hij voor het volbrengen van zijn taak noodig heeft. In dat geval zou dan wel blijken, dat zij de vatbaarheid bezitten om zulke speciale kennis van toestanden en personen in zich op te nemen, maar nog allerminst, dat de engelen in het generaal zulk een alles-omvattende kennis van alle toestanden, en alle personen onder de kinderen der menschen bezitten. Bij de booze engelen daarentegen vervalt dit bezwaar. Zij ontvingen geene kennis als genadegave, maar beschikken slechts over die mate van kennis, die ze bij hun val geroofd en met zich, als we ons zoo mogen uitdrukken, naar de woonstede des verderfs medegenomen hebben. Voor de kennis vaa wat een engel weet, is het daarom hcJogst belangrijk, om het optreden van Satan in het Paradijs en van de bezetenen in Jezus' dagen na te gaan. En dan blijkt metterdaad, dat de kennis der engelen een zeer omvangrijke en tot in bijzonderheden afdalende is. In het Paradijs toch toont Satan volkomen op de hoogte der toestanden te zijn. Hij kent Adam en Eva. Hij weet wat God tot den mensch bij zijn schepping gezegd heeft. Hij is, gelijk wij zouden zeggen, van alles volkomen op de hoogte, en het is die nauwkeurige kennis, die hij aanwendt om listiglijk den mensch ten val te brengen. Het is bij Satan in het Paradijs niet een gissen, niet een listiglijk aandringen om op de hoogte te komen; maar hij kent personen en toestanden, en gedraagt zich als een volleerd meester, die zich er van bewust is, dat hij voorshands in omvang van kennis zelfs den mensch overtreft.

En juist ditzelfde nu zien we in'Jezii, ; ' dagen bij de bezetenen. De booze engelen, die zich destijds in deze bezetenen hadden ingedrongen, staan veel hooger in kennis dan de menschen, op ^vier zielsleven ze beslag hebben gelegd. Dit ziet ge aanstonds aan hun kennis van den Christus. De menschen in wie ze gevaren zijn, staren zich op den Zoon des menschen nog blind. Ze kennen Jezus nog niet. Ze verstaan nog niet dat in hun de Messias Gods is verschenen. Maar de booze engelen die in hen huizen, weten dit zéet*wel, en spreken het uit, dat ze dit weten. »Ik ken-'U, dat gij zijt de Christus, [de Zone Gods, en dat gij gekomen zijt om mij te pijnigen." Soortgelijke uitspraak hooren we bij de ontmoeting van Jezus met de bezetenen telkens. Ze weten dat er een Christus, ze weten dat die Christus 'de Zone Gods, ze weten dat die Zone Gods gekomen is, om hun macht te breken, en ze spreken dit klaar en duidelijk uit. Zelfs doen ze geen poging om zich te verzetten. Aan de .mislukking van de verzoeking in de woestijn weten ze dat ze het onderspit d si ven. En zoozeer erkennen ze Jezus' oppermacht, dat ze als een gunst van Jezus vragen, dat hij hun toestaan mocht in een kudde zwijnen te varen, d. i. den strijd om het bezit van dien mensch op te geven, en zich te vergenoegen met het onreinste dier. Doch vooral de verzoeking zelve-in de woestijn komt hier in aanmerking. Toen buiten Johannes den Dooper nog niemand ezus als den Christus beleden had, ver-

scheen Satan in de woestijn met de volle kennis van Jezus' majesteit en Jezus'zending als Messias toegerust. Jezus is hem geen vreemde, geen onbekende. Hij weet uitnemend wel, wie die Zoon des menschen is, die eenzaam in de woestijn omdoolt. En niet alleen kent hij Jezus persoonlijk, maar hij heeft zelfs een diepen blik in wat te midden dier eenzaamheid in het hart en in het gemoed van Jezus moet omgaan. Immers alle die sluwe verzoekingen zijn geheel op Jezus' toestand berekend, en bezaten juist daardoor zoo sterk verzoekende kracht. Ook toont Satan bij die verzoeking zelfs de Schrift te kennen, en te weten wat in die Schrilt staat. Of antwoordt hij niet bij de tweede verzoeking: »Daar staat geschreven, dat hij zijn engelen van u bevelen zal." Evenzoo weet Satan wie onder de discipelen van Jezus het meest verleidbare karakter heeft. Hij kent de hooge beteekenis van Petrus, en valt daarom vooral op hem aan, om, kon het, hem te breken. En als dit mislukt, werpt hij zich op Judas, zeker als hij is, dat deze prooi hem niet zal ontgaan. Satan treedt in het Nieuwe Testament geheel op, zooals we hem kennen uit het verhaal van Job. Ook van Jobs persoon en toestand was hij volkomen op de hoogte, en het is, dank zij die kennis, dat hij over Job de schriklijke verzoekingen bracht, waaraan de lijder der oudheid ter prooi werd. Nu gaat het intusschen nog geenszins aan, uit deze kennis van Satan rechtstreeks te besluiten tot de kennis van alle engelen. Gelijk onder ons menschen lang niet allen gelijk inzicht en doorzicht hebben, en de macht van penetratie of indringen in de dingen bij den één zeer klein en bij den ander zeer groot is, zoo moet het ook wel in de engelenwereld zijn, omdat dit vanzelf volgt uit den aard van het persootilijk leven. Ook onder Jezus' discipelen maakt een apostel als Jacobus een geheel anderen indruk dan een Johannes of een Paulus. Beperkt de één, ruim en helder in hun kennis de beide anderen. Alle persoonlijk leven stelt verschil en onderscheid en schakeering, en bijaldien dus ook de engelen persoonlijk leven, dan moet ook hun inzicht en hun kennis uiteenloopen. Dit blijkt bovendien op overtuigende wijze uit de geheel eenige positie die Satan als gevallen engel onder de overige booze engelen inneemt. Hij is hun aller hoofd. Zijn meerderheid is zoo beslist en zoo overwegend, dat ge zelfs geen spoor ontdekt van een betwisting zijner heerschappij. De andere zijn óf demonen óf duivelen, maar hij is de Duivel, de Satan, de Wederpartijder Gods. Hij en hij alleen is de koning in dit onheilig woud, die als een leeuw omgaat, zoekende wie hij zou mogen verslinden. Onderscheid maken we dus zeer zeker. Von Moltke had een kennis, waarbij die van een gewoon Pruisisch soldaat niet haalde, en zoo ook bezit .Satan een kennis, die de gewone kennis der duivelen, en dus ook der engelen, zeker verre overtreft. Maar hoe hoog we dit verschil ook aanslaan, er blijkt dan toch, dat de engel den aanleg heeft, om tot in bijzonderheden van ons menschelijk leven op de hoogte te zijn, en dat de wetenschap dat Jezus de Christus is, aan geen hunner vreemd is. De kennis, zoo van de dingen dezer wereld als van de dingen des hemels, is hun niet onthouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de Engelen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken