Bekijk het origineel

„Och, of mijn verdriet techt gewogen wierd!”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Och, of mijn verdriet techt gewogen wierd!”

10 minuten leestijd

Och of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijne ellende samen in eene weegschaal ophief! Job 6 : 2.

Treurenden te troosten is een heilige^ maar niet minder een moeilijke kunst, en die slechts zeer enkele menschen verstaan.

We spreken nu natuurlijk van het geval, dat er een man of vrouw is, die niet in schijn of voor der menschen oog, maar wezenlijk treuren; treuren uit een wonde die bloedt in hun hart; en ook dat die treurenden wezenlijk getroost worden, en, dank zij uw vertroosting, nu fninder pijn hebben.

Ook moet ge bij het vertroosten van wie treuren volstrekt niet alleen aan rouwdragenden denken; want het zielsverdriet over het verlies van wie God ons ontnam, kan soms wel diep vlijmen, maar toch, ook buiten sterfbed en graf, wordt er soms zoo bang in de ziel geworsteld, fdat de gemeene rouwe er niet bij haalt.

Jezus weende bij Lazarus' graf; maar wat waren , dej tranen |van Bethanië vergeleken bij zijn weenen over Jeruzalem, meer nog bij zijn weenen in Gethséniané.

En zoo is het in ons gewone leven ook.

Menig vader of moeder heeft veel snijdender verdriet bij het leven van een afgedoold kind geleden, dan bij het afsterven van een lieveling, die in de liefde Christi wegstierf.

Het treuren bij het sterfbed en op het graf onzer dierbaren komt plotselinger, is voor een oogenblik meer overweldigend, draagt soms een meer hartstochtelijk karakter. Maar het is juist daarom meest een acute smart, een smartkoorts die wel niet weg-., maar in dien bitteren vorm toch o/gaat. En ook, bij rouwe door verlies hebt ge niets te verbergen, schikt zich een oogenbhk heel het leven in uw kring naar uw rouwe, en is de deelneming in uw droefheid u eer te veel, dan dat ge u verlaten zoudt gevoelen.

We onderschatten daarom het treuren over den dood niet.

Slechts protesteeren we legen de onnadenkendheid der oppervlakkigen, die bij treuring en vertroosting bijna aan niets anders dan aan dood en graf plegen te denken, en geen oog hebben, laat ons dan zeggen, voor die minstens even diepe smart, die in het leven door het leven vlijmt.

Tegen hen, die Golgotha verstaan, maar Gethsémané niet begrijpen.

Die met Jezus hadden kunnen weenen, toen hij bij Lazarus' graf stond, maar zijn weenen over Jeruzalem niet recht kunnen indenken.

En toch zijn dezulken daarom nog niet de ongevoeligsten onder de kinderen der menschen. Of was het niet Jacobus; veel meer nog, was het niet Petrus; ja, wat nog sterker spreekt, was het niet een Johannes, die, terwijl Jezus zijn bittersten beker ledigde, het vermogen miste om met hem te lijden, zoodat niet zij, maar een engel hem vertroostte, terwijl zij wegzonken in den slaap r

Van nog andere drie vrienden, die, waar ze troosten moesten, voor de heilige kunst van het troosten onbekwaam bleken, meldt ons de HeiligetSchriftj^naast Petrus, Jacobus en Johannes bij Jezus, \ staanj|^Elifaz, "p? ildad_ en Zophar bij Job.

Ook zij zijn bestraft, gelijk de discipelen door Jezus bestraft werden. Job heeft voor hen het offer der verzoening opgedragen, gelijk Jezus op Golgotha ook de zonde der zijnen in Gethsémané heeft verzoend.

Want niet kunnen, troosten is in liefde te kort schieten, en hoe zou een tekort in liefde ooit zonder zonde zijn.

Al is het toch|zoo, ^*datJ'ge? op daty bepaalde oogenblik, zelfs met het uiterste uwer liefde, geen troost zoudt kunnen aanbrengen, dan ligt het toch aan een tekort van uw liefde in het verleden. Dat ge niet kent, wien ge kennen moest. Dat ge niet hebt; ingeleefd in ^ een leven, dat u gemeenzaam moest zijn. Dat ge verzuimd hebt intijds de sneeuw op^te"; ruimen, die u thans denj^toegang tot^dat treurend hart verspert.

Jobs vrienden waren oprecht in hun doen. Liefde dreef hen. Job in zijn lijden : te troosten was het eenig en wezenlijk doel van hun komst.

Ge moet dien EKfaz, dien Bildad en dien Zophar volstrekt niet op één lijn stellen met die onaandoenlijke lieden, die alleen welstaanshalve aan het sterfhuis condoleeren gaan. Uit plichtpleging. Om er geweest te zijn. Wijl ze het fatsoenshalve niet laten kunnen. Tot aan de deur met een lachend gezicht keuvelend over onverschillige dingen; dan even als men binnenkomt een ernstige plooi op het gelaat"; en zoo de deur niet weer achter zich, of én die dood én die rouw zijn vergeten.

Neen, deze mannen hadden er een verre reis voor gemaakt. Ze waren diep in hun ziel door hetgeen Job overkomen was geroerd. Een week lang zelfs hadden ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, in stomme smart, bij Job neergezeten, om met hem te treuren. En eerst toen die zeven dagen voorbij waren, hieven ze hun troostrede aan.

Ge hebt u dus wel te wachten, dat ge op die vrienden van Job niet uit de hoogte neerziet. I-Ieel wat personen toch die ook in Christelijke kringen uit condoleeren gaan, worden door de condoleantie dezer vrienden van Job beschaamd.

Ze feilden, o, gewisselijk. Hun troost trof geen doel. Ze hebben Jobs lijden eer verzwaard dan verlicht.

Maar ze feilden, niet omdat het hun geen ernst was, doch enkel wijl hun liefde tekort schoot, om in Jobs zielsstemming te kunnen indringen.

Ze hadden wel een oog voor allerlei wonde die hem geslagen was, maar niet voor de//iV/i/^ wonde, die in het verborgen zijner ziel knaagde.

En dat is het wat, na het aanhooren van ; Elifaz' woord, Job deed uUroepen : ^ Uw troost is als laffe spijze (vs. 7), als het wit.van een ei zonder dooier (vs. 6). Och., oj mijn'^perdriet recht gewogen wierd!

Toen Job' op zijn aschhoop zat, kwam onder meer de kreet over zijn lippen: sBen ik van steen, is mijn vleesch van staal? "

Granietsteen en staal houden het uit, hoe telkens de slag van den hamer er ook op neerkomt. Maar zoo is een mensch noch naar het lichaam noch naar de ziel. Als er geen einde aan de slagen komt, breekt ten leste zijn hart, en zijn vleesch bezwijkt.

En nu was er zeer zeker staal in Jobs hart, en in Jobs geloof.

Hij, nog voor korte dagen de schatrijke man en de gelukkige vader, en de geëerde dienaar van Jehova van rondsora, verloor al zijn goed, al zijn kinderen, en zat daar als een worm en geen man meer, met een afzichtelijk gelaat neer op den aschhoop, terwijl zijn vrouw, de eenige die hem overbleef, hem nog tergde.

En toch, dat alles doorstond hij met een geestkracht en geloofsmoed, die onze bewondering wekken.

Maar toen was zijn kracht aan haar einde. Job kon niet meer. De overspanning wekte een smartelijke reactie van geloofsgemis, en toen kwam er een vervloeking, een vervloeking van den dag zijner geboorte over zijn lippen. Waarom, waarom, zoo klaagde hij bitterlijk, ben ik niet gestorven van de baarmoeder af?

Immers, het verlies van zijn goed, en het verlies van zijn kinderen, en de ondraaglijke pijn, en het tergen van zijn vrouw, waren nog zijn bangste lijden niet; en nóg dieper dan dit alles, griefde het Job zoo diep in de ziel, dat zijn God, de God zijns vertrouwens, en op wien al zijn hope had gestaan, zóó met hem deed, en dat zoo voor aller oog zijn God hem beschaamde.

Job was als lijder besteld om voorbeeld van den Man van smarte te zijn, en daarom doorvlijmde ook zijn ziel de smart, waaraan Jezus woorden gaf, toen hij klaagde: sMijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten ? "

En daarvan nu verstonden Elifaz, en Bildad en Zophar zoo niets.

Ze zochten een oplossing, maar waanden geen andere oplossing te'J kunnen vinden, dan dat Job heimelijk een misdaad moest hebben begaan, of een moord op zijn geweten moest hebben.

Van het lijdeji .van een menschenkind om de eere Gods tegöïiover Satan te redden, verstonden ze zelfs de profetische sprake niet.

Zij dachten aan pijlen der consciëntie, en Job leed onder jde pijlen des Almachtigen, die als vurig venijn in zijn ziel drongen."

En daarom wekt de beker der vertroosting die ze hem bieden, niets dan walging in zijn ziel. Ze vermoeien hem. Ze verzwaren zijn lijden nog. En tegen hun troostrede in, kermt de man die bijna omkomt: »Och, dat mijn verdriet recht gewogen wierd!"

En zoo is het [nog op aarde. Ook onder de kinderen Gods.

Gelijk een Job en David den diepen zin van Gethsémané en Golgotha voorafschaduwen, zoo werpt het kruis ook nu nog zijn diepe slagschaduw over zoo menig hart en over zoo veler leven.

Een met hem lijden, opdat we met hem verheerlijkt worden.

Maar dat|zielelijden'gaat te"diep, !dan'dat'de wereld er een oog voor zou hebben, *[en het is een zeer bijzondere genade, zoo God de Heere u althans één vriend of ééne vriendin geeft, wier inlevende en meelevende liefde die diepste wonde uwer ziel tot op den bodem peilt.

Verdriet niet over verlies ^vanfgeld of goed; niet over teleurstelling in uw levensloop; noch ook over krankheid, die u naloopt; maar verdriet over uw eigen persoon, dat ge, o, bij God, zoo gaarne anders^woudt 2ijn, '^en u.fzelven toch altoos weer terugvindt zooals ge niet moogt zijn. Verdriet over de uwen, "om allerlei smarten die hen omstrikken, zonder dat het u gelukt die strikken te ontwarren. Zielsverdriet over het telkens weer inzinken van de zake Gods, en het gedurig triumfeeren van de zake der wereld. Ook demonische machten, die door koude vorst in één nacht zooveel stekken van teer gewas dat welig uitsproot, doen wegsterven. Verdriet over de kwijning van de kerke Gods en de breuke van zijn Sion. Verdriet over bittere miskenning van uw streven , c: n, „ljedi, > elen. Over eeu trniïwen vriend, die in de lire van de beslissing, terzijde afwijkt als een bedrieglijke beek. Óver den nood der tijden. Over de wolken die van boven dreigen en de toekomst van uw land en volk zoo donker tinten. Over het dof geluid uit de diepte, dat u den bodem doet wantrouwen waarop ge gaat. En voorts, bij dat alles en boven dat alles nog, uw verdriet over de bange raadselen waarin ge gedurig voor uw God komt te staan. Dat ge wilt gelooven, maar niet kunt gelooven, en er getrokken en gerukt wordt tot aan de verborgenste zenuw uwer ziel.

En dan merken wie om ons zijn dat wel. Ze zien aan de uitdrukking van uw oog dat er iets aan hapert. Ze zien een pijniging in u, en verstaan wel dat ge verdriet hebt, en ook willen ze u wel ontlasten en vertroosten. Maar ze kunnen het niet, omdat ze den weedom uws harten niet verstaan en niet begrijpen.

En dat is dan zoo dubbel wreed.

Want dan bezwaren die lieve menschen u nog met allerlei boetpredikatie en strafrede, en overstelpen u met schijntroost, en onthalen u, zooals Job zegt, op de laffe spijs van hun ziellooze taal; en inmiddels blijft het kermen in uw ziel, en alle morgen is de plage nieuw, die ge in den slaap van u hadt afgeschud.

o, Als er dan maar één was, die uw verdriet verstond, en die het in een rechte weegschaal kon afwegen. Reeds dat zou u zoo zielvertroostend aandoen.

En daarom gunt uw God u het bezit van zulk een hart in eens menschen boezem, o, dank, dank dan uw Vader die in de hemelen is, want die genadegifte is van zoo onuitsprekelijke waardij. Maar wordt ook dat u onthouden, buig dan nog uw ziel niet neder, en val niet als Job in vervloeking neer.

Immers uw Heiland leeft, en zijn~oog peilt elke wonde, en nooit bezweek nog eens menschen hart onder zielsverdriet, als het aan Jezus zich gewend had, en de brandende lippen afkoelde aan den beker zijner Goddelijke, j.naar toch ook zoo menschelijke vertroostingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1895

De Heraut | 4 Pagina's

„Och, of mijn verdriet techt gewogen wierd!”

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken