Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dan de Engelen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dan de Engelen.

18 minuten leestijd

XXII.

Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Jïij neemt het zaad Abrahams aan. Hebr. 2 : i6.

De vraag die thans aan de orde komt is, of er al dan niet zekere betrekking tusschen de engelen en den Christus bestaat, en indien ja, wrelke? Duidelijk wordt ons in de Heilige Schrift geleerd, dat Christus »de Middelaar Gods en der menschen" is, maar is hij zulks nu ook en evenzeer en op gelijke wijze voor de engelen? Velen, deze vraag hoorende, maken er zich opeens van af, door te zeggen, dat de engelen geen zonde hebben, dat er alzoo bij hen van geen Middelaarschap sprake kan zijn; dat er ten overvloede duidelijk geschreven staat, dat Christus > inie[ der engelen natuur heeft aangenomen, maar het zaad Abrahams, en dus die des menschen; " alsook dat er maar één Middelaar is, en dat diens Middelaarschap blijkens i Tim. 2 : 5 uitsluitend op ons menschelijk geslacht doelt. Toch mag betwijfeld, of men met zoo kort bescheid van de zaak af is. Althans geen minder dan Calvijn was van een eenigszins tegenovergesteld gevoelen, en met name hier te lande zijn de Gereformeerde godgeleerden Calvijn hierin gevolgd. Men kan dit o. m. zien in de Synopsis Purioris Theologiae van de hoogleeraren Walaeus, Polyander, Rivet en Thysius, Disputatio XII, art. 33, een uitlating waarheen we bij voorkeur verwijzen, overmits dit werk, dank zij Dr. Bavincks schoone uitgave, onder ieders bereik valt; en niet minder wijl dit dogmatisch werk, als van vier hoogleeraren uit ; ééne faculteit, in den bloeitijd onzer theologie, herkomstig, nog iets meer dan een persoonlijk [gezag bezit.

Om nu ook op dit punt tot meerdere helderheid te komen, z, al men goed doen met van meet af scherp tusschen tweeërlei te onderscheiden; t. w. tusschen hetgeen ten deze uit de schepping, en tusschen hetgeen uit de herschepping voortvloeit. Wat nu de schepping aangaat, staat het vast, dat de Tweede hoogheerlijke Persoon in een andere betrekking tot het geschapene staat dan óf de Vader óf de Heilige Geest. Het wordt ons breed en duidelijk verklaard, dat wij maar »éénen God en Vader hebben, 7iit welken alle dingen zijn, en maar éénen Heere Jezus Christus, door welken alle dingen zijn." Dat in den beginne het Woord bij God en God was, en dat alle dingen door het Woord gemaakt zijn, zóó dat er geen ding anders dan door het Woord bestaat. En zoo ook in Hebr. i:2, dat het de Zoon is ^door welken de Vader de wereld gemaakt heeft." Hierop dieper in te gaan zou ons thans buiten ons bestek voeren. De verdere uiteenzetting hiervan hoort bij het leerstuk van de Schepping en van de Drieëenheid thuis, en is zoowel in het Werk van den Heiligen Geest als in E Voto door ons gegeven. Hier volstaan we derhalve met vast te stellen, dat de eigenaardige betrekking tusschen den Zone Gods en de Schepping hierin bestaat, dat alle dingen uit den Vader, maar door den Zoon zijn tot stand gekomen, en alsnog bestaan en ook voortaan bestaan zullen. Dat ditzelfde nu ook van de engelen geldt, volgt niet slechts uit de algemeenheid van de uitspraken in i Cor. 8:5, Joh. i : i—4, Ef. 3 : 9 en Hebr. i : 2, maar wordt ons ten overvloede nog uitdrukkelijk verklaard in Col. I : 16 v.v., waar we lezen: Want door hem (d. i. door den Zoon) zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij Tronen, hetzij Heerschappijen, hetzij Overheden, hetzij Machten, alle deze zijn door hem en tot hem geschapen ; en hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan te zaam door hem." Het is alzoo uitgemaakt, dat ook de geestelijke wereld, en in haar de engelen, geschapen zijn door den Zoon." Nu ligt het in den aard der zaak, dat degene door wien ge geschapen zijt, voor uw besef u nader ligt, dan degene uit wien ge geschapen zijt, eenvoudig wijl degene door wien ge tot aanzijn kwaamt, tusschen u en tusschen dengene «/^ wien ge ontstondt, instaat. Het staalwater, dat u uit de bron door den arts gereikt wordt, brengt u in de eerste plaats in aanraking met dien arts, en eerst in de tweede plaats, en door hem, met die bron zelve. Is nu alle schepsel uit den Vader, maar door den Zoon, dan gaat ook hier de regel door, dat ge als schepsel eerst in betrekking staat met den Zoon, en eerst door hem met den Vader, uit wien ge zijt. Dit nu ook op de engelen toepassende, moet derhalve beleden, dat ook de engelen in nadere betrekking staan tot den Zoon, door wien ze geschapen werden en bestaan, en als we ons zoo mogen uitdrukken, in meer verborgen betrekking met den Vader, tiit wien ze geschapen zijn, maar alleen door den Zoon.

Die nadere betrekking nu, die krachtens de schepping tusschen elk creatuur en den Zoon bestaat, heeft ons Calvijn, en hebben velen na hem, pogen uit te drukken door van een SAi.o.'^'gva.'gsmiddelaarschap te spreken, iets wat uitera-nrd met het Middelaarschap der verzoening niets uitstaande heeft. Toch dient hieraan nog iets toegevoegd. Het Middelaarschap der verzoening kwam tot stand, doordien de Zone Gods onze natuur aannam, onzer één werd, den broederen gelijk in alles, alleen uitgenomen de zonde, en derhalve als de mensch Jezus Christus tusschen ons en God in kwam te staan. In dien zin echter geldt dit bij het Middelaarschap der schepping niet. Immers, om niet te spreken van de engelen, de Schrift zegt het uitdrukkelijk : -pHij heeft der engelen natuur niet aangenomen, maar het zaad Abrahams"; en zelfs wat in Col. 1:15 staat, dat hij »de eerstgeborene aller creaturen" is, mag niet in zulk een zin verstaan, alsof hij eerst door zelf in het creatuurlijke in te gaan. Middelaar tusschen den Vader en de Schepping ^(? worden ware. Als bestaande w^? ; -alle dingen, niet als creatuur onder de creaturen, maar als de Zone Gods en het Eeuwige Woord, is hij het, door wien alle diugeii geschapen zijn en te zamen bestaan. Bij de verzoening eischt het Middelaarschap eenheid van natuur, doordien hij de menschelijke natuur aanneemt; maar bij het Middelaarschap der Schepping ligt de band niet in zijn natuur, maar in zijn werk, in zijn daad, t. w. daarin, dat hij het is, door wien alle ding geschapen wordt.

Intusschen merke men op, dat deze betrekking tusschen den Christus en de Schepping niet alleen voor menschen en engelen, maar ook voor dieren, planten, kortom voor alle stof en kracht bestaat. Immers alle dingen zijn door hem geschapen, en deze geheel algemeene uitdrukking sluit ook uiteraard de niet-redelijke en onbewuste schepping in. Zonderen we daarentegen de bewuste schepselen, d. w. z. de engelen en de menschen, van de overige creaturen uit, dan springt het in het oog, dat de betrekking die tusschen den Zone Gods en deze bewuste schepselen bestaat, een dieper en voller karakter draagt. In deze bewuste schepselen toch openbaart zich niet alleen, gelijk in sterren, planten, dieren enz. kracht en wijsheid en majesteit, maar ook, wat een heel ander karakter draagt, zelfbewustzijn en heiligheid.

Hier vertoont zich derhalve, als we zoo zeggen mogen, zekere geestelijke veriuantschap tusschen den Zone Gods en het schepsel, dat door hem in het aanzijn treedt. Bij ons menschen is dit het sterkst, overmits de Zoon is het Beeld des onzienlijken Gods en omdat wij naar den Beelde Gods geschapen zijn. Doch ook al geldt dit van de engelen niet in die mate, toch gaat ook te hunnen opzichte door, dat ze een redelijk en zedelijk bestaan hebben, en alzoo zelfbewustzijn, aanleg voor een eeuwig aanzijn en vatbaarheid voor zaligheid bezitten; al hetwelk bij de onbewuste schepselen ten eenenmale ontbreekt. En hierin nu ligt de reden, waarom men bij de overige schepselen (sterren, planten, dieren enz.) gemeenlijk alleen wijst op hun ontstaan door den Zoon, maar dat men bij den mensch en bij de engelen dit verband, deze verhouding, deze betrekking iets sterker uitdrukt, en omschrijft als zeker 'üóxQ'^-^va.'g^.-viiddelaarschap, krachtens hetwelk de Zone Gods, als zoodanig, het Hoofd zoowel van heel ons menschelijk geslacht als het Hoofd van de engelenwereld, was van den beginne en eeuwig blijven zal. Dit wil dus niet zeggen, dat hij dit eerst werd door zijn Vleeschwording, maar dat hij het was van den adnbeginne, dank zij de schepping van mensch en engel, en zonder dat hij noodig had zelf engel of mensch te worden, om als aller Hoofd te kunnen optreden. Want wel kan naar aanleiding van de Christophanie de vraag worden opgeworpen, of de Zone Gods althans niet tijdelijk, de gestalte van een engel heeft aangenomen, en deswege als de Engel des Verbonds, de Engel des aangezichts enz. wordt aangediend; maar deze vraag, waarop we later terugkomen, heelt met de zaak die ons thans bezig houdt, niets uitstaande, eenvoudig wijl we hier op de eeuwigheid vóór de Schepping teruggaan, toen er nóch mensch nóch engel bestond.

Tot zooverre levert dit vraagstuk dan ook weinig bedenking op. Men kan zelfs zeggen, dat er tot zooverre over dit leerstuk onder de belijders vaii den Christus geen verschil hoegenaamd bestaat. Maar hiermede zijn we er nog niet. Immers we lezen in Col. i : 20, dat het des Vaders welbehagen was, dat Hij door Christus, nadat er »vrede was gemaakt door het bloed des kruises, alle ding tot zich zei ven verzoenen zou", en dan volgt er: hetzij de dingen die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijji"; vfooïdtn die op het eerste lezen zelfs den indruk maken, alsof ook de engelen »verzoening" van noode hadden. Evenzoo lezen we in Ef I : 10, dat God »in zichzelven had voorgenomen, om in de bedeeling van de volheid der tijden, wederom alles bijeen te vergaderen, beide dat in den hemel en dat op de aarde is"; een uitspraak die nog krasser in het oorspronkelijke luidt, waar het (5y> if«vergaderen letterlijk heet: eer onder één hoofdbrengen {duxKe(p< x-? .iX.iib(jX(j5(xt]. De v is alzoo niet te ontwijken, in hoeverre ook het Verzoeningsmiddéla? irschap van den Zone Gods betrekking heeft op de engelenwereld. Dat hij als de Zoon, door wien alle ding geschapen is, ook der engelen Scheppingsmiddelaar is, levert geen bezwaar op, maar daarvan is in Ef. i : 10 en Col. I : 19, 20 geen sprake. In deze beide plaatsen wordt ontwijfelbaar gedoeld op den Middelaar, die verzoening aanbracht door het bloed des kruises, gelijk er dit in Col I : 20 zelfs uitdrukkelijk bijstaat. Alzoo rijst dan de vraag, hoe we dit hebben op te vatten.

Ter beantwoording van die vraag nu moeten we teruggaan op den val der eens goede engelen, maar die nu duivelen en demonen geworden zijn. Immers uit den val der engelen blijkt dat zij oorspronkelijk vallen konden; terwijl nu, omgekeerd, van de goede engelen beleden wordt, dat ze tegen alle gevaar om te vallen beveiligd ^n. Oorspronkelijk waren dus ook de e^iis heilige engelen blootgesteld aan de mogelijkheid van afval, nu daarentegen bestaW die mogelijkheid voor hen niet meer. Ook voor hen geldt thans de volharding der heiligen. Alzoo heeft er een verandering in hun bestaanswijze plaats gegrepen. Eerst konden ze vallen, nu niet meer; en dat ze thans niet meer vallen kunnen, is natuurlijk geen uitvloeisel van iets dat hun eigen kracht zou zijn, maar moet uitvloeisel zijn van een kracht Gods die hen houdt. Deze kracht der bewaring nu kan men zeer wel bewarende genade noemen, zonder dat hier ook maar voor het minst uit volgt, dat deze «bewarende genade" een vrucht van het Kruis zou zijn. Om u hiervan te overtuigen behoeft ge u slechts in te denken in den toestand, waarin Adam zou geraakt zijn, indien hij niet gevallen ware. Zou hij alsdan eeuwiglijk gebleven zijn die hij was? Stellig niet. Ook Adam was immers zóó geschapen, dat hij kon vallen, maar indien hij de eerste piincipieele verzoeking overwinnend had doorgestaan, zou die mogelijkheid van te vallen ook voor hem hebben opgehouden. In het Werkverbond als zoodanig was de prijs juist deze, dat wie stand hield en niet viel, door dit stand houden het eeuwige leven verwierf; wat natuurlijk zeggen wil, dat dit gevaar van te vallen alsdan van hem zou zijn afgewend. Bij vergelijking volgt hieruit alzoo, dat »de bewarende genade" die thans de heilige engelen volstandig maakt, en ze in hun heilige existentie doet volharden, niet uit de Jurschepping, maar uit de schepping voortvloeit. Engelen en menschen waren beiden alzoo door God geschapen, dat hun stand houden in de principieele verzoeking voortaan onkwetsbaarheid voor alle verzoeking met zich zou brengen.

Het verschil tusschen den engel en den mensch bestond alleen hierin, dat de engel die viel, onredbaar verloren was, terwijl de gevallen mensch nog voor verlossing vatbaar bleef, en, eens verlost zijnde, tot de volharding der heiligen zou vraag komen. Maar wat het standhouden in de principieele verzoeking aanging, stond de zaak voor den engel en den mensch volkomen gelijk. Ware Adam staande gebleven, zoo zou zelfs de mogelijkheid van den val voor hem op hebben gehouden te bestaan; en zoo ook is van de engelen, die staande bleven, de mogelijkheid van te vallen nu voor altoos afgewend. Van verzoening is bij de engelen alzoo ganschelijk geen sprake. Geen sprake bij de gevallen engelen, omdat een gevallen engel niet meerredbaaris; enevenmin sprake bij de engelen die niet vielen, overmits zij geen verzoening, maar alleen bewarende genade, van noode hebben, en deze bewarende genade in de Scheppingsordinantie zelve gegrond was. Het woord »genade" leide hier alzoo niemand op een dwaalspoor. Er is tweeërlei genade, de genade der schepping, en de genade der verzoening. Ook al ware er nooit zonde uitgebroken, noch ia de wereld der engelen noch in de wereld der menschenkinderen, zoo zou toch alles wat óf engel óf mensch ontving, ongehouden genade geweest zijn, uit het louter welbehagen Gods ons toekomende. Zoo bezit het schepsel niets, dat niet uit de vrije genade van zijn Schepper hem toekwam ; en neemt deze genade steeds een gewijzigd karakter aan, waar ze zich uitstrekt niet naar het schepsel in welbehagen, maar naar den schiddigen zondaar in ontferming. : ? Zelfs op zijn heilige (engelen)" zegt Job, ïzou Hij niet betrouwen", om sterk het verschil tusschen de oorspronkelijke heerlijkheid vaii God en de uit genade aan zijn engelen verleende heerlijkheid te doen uitkomen. Ook onder dit opzicht is alzoo van een Verzoeningsmiddelaarschap v/at de engelen aangaat geen sprake; en aldus blijven we bij de engelen steeds op het terrein der schepping, zonder ook maar met een enkele schrede het terrein der herschepping te betreden.

Anders daarentegen wordt dit zoo we nu ten slotte het oog vestigen op de verhouding tusschen de engelenwereld en de herboren of herschapen menschheid. Naar de Scheppingsordinantie, dit spreekt] vanzelf, bestond er tusschen deze beide zeker verband.

Zulk verband bestaat tusschen al de deelen van de Schepping Gods. We zien dit duidelijk bij de vergelijking van mensch en dier, van dier en plant, van plant en stof, en zelfs tusschen onze aarde en de hemelbollen boven ons is het reeds gelukt door de telescopie en de spectraal analyse allerlei verband aan te toonen. Het heelal is geen in elkaar gezet werktuig, dat uit losse, onsamenhangende deelen bestaat, maar een organisme, waarvan alle deelen door voegselen en verbindingen van allerlei aard met elkaar in onderlinge betrekking staan. Geen twijfel alzoo, of ook tusschen de engelenwereld en de wereld der menschenkinderen bestond er oorspronkelijk zulk een verband krachtens de Schepping. Dit verband echter is door de zonde verstoord. Toen de engelenwereld in twee deelen uiteenging, in een wereld van booze en van goede engelen, koos de mensch in zijn val voor de kwade engelen, en verbrak alzoo zijn verband met de goede engelen; zóó zelfs, dat we in den Cherub aan den ingang van het Paradijs, den goeden engel niet met den mensch in verband en te zijner bescherming zien optreden, maar positie zien nemen tegenover den mensch. Voor zooveel het aan den mensch hing, zou alzoo de menschenwereld voortaan alleen in verband zijn gebleven met de wereld der duivelen, en alle verband met de wereld der goede engelen ware afgesneden geweest. Dat zulk verband toch weer intrad, is dan ook geen gevolg van 's menschen keus, maar van Goddelijk genadebestel. God was het, die de goede engelen weer met ons in verband bracht, maar nu natuurlijk in een geheel ander verband, dan hetwelk oorspronkelijk krachtens de Schepping had bestaan. Van nu voortaan verkrijgen de goede engelen een taak, een dienst, een opdracht in liet rijk der genade. Ze worden dienstbaar gesteld in het groote wetk der verlossing. Ze worden uitgezonden om dergenen wil die de zaligheid beërven zullen. De hierdoor ontstaande betrekking is dus niet meer de normale, die oorspronkelijk bestond, en eeuwig bestaan zal, maar een extraordinaire, tijdelijke en voorbijgaande; maar die zoolang moet onderhouden, tot het werk der verlossing zal volbracht zijn, en de herboren menschheid, in het »lichaam van Christus", d. i. de gemeente, ten hemel zal zijn ingeleid.

En zoo nu bezien, treedt, zoo we ons niet vergissen, de beteekenis van Ef. i: lo terstond in klaar en helder licht. God heeft, zoo betuigt de heilige apostel, »in zijn welbehagen zich voorgenomen, om in de volheid der tijden, in Christus alle ding weder bijeen te vergaderen, beide dat in den hemel is en dat op de aarde is." Hiermee nu wordt uitgesproken, dat de wereld daarboven en de wereld op aarde haar oorspronkelijk verband en haar in de Schepping gegronde harmonie verloren hadden. Juist wat we zeiden, dat het oorspronkelijk verband tusschen engelenwereld en menschenwereld was verbroken. Doch zoo zou het niet blijven. Eens zou ook dit verband weer hersteld worden.

Dit zou geschieden »in de volheid der tijden", d. i. als het verlossingswerk volbracht was. En het zou geschieden door Christus, als den Verzoeningsmiddelaar, omdat hij de verloren menschheid als herdoren menschheid naar God zou terugleiden. Zelfs ontvangt het woord »bijeen vergaderen", waarop we zoo straks reeds nadruk legden, aldus een zeer bijzondere beteekenis. Immers het »bijeenvergaderen" wordt in het Grieksch uitgedrukt door een woord, dat letterlijk, gelijk we boven opmerkten, beteekent: weer onder één hoofd brengen. Dit nu is juist het organische begrip, het begrip van een lichaam. Stel u de ledematen van het lichaam voor als alle uit elkander genomen, dan is er geen lichaam; maar als ge deze ledematen nu weer onder één hoofd saambrengt, dan keert het organisch verband terug, en dan is het lichaam er weder. En zoo nu ook was het hier. Engelen en menschen waren uiteengeslagen. Ze misten hun gemeenschappelijk hoofd.

Nu echter, dank zij het werk der Verlossing, wordt de herboren menschheid weer vatbaar, om met de engelenwereld in het oorspronkelijk organisch verband hersteld te worden, en deswege wordt de wereld in den hemel en de wereld die op de aarde is, weer onder het ééne Hoofd, Christus, bijeengebracht.

Nu zegt Col. I : 19 en 20 bijna hetzelfde. Daar toch heet het: Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in hem al de volheid wonen zou, en dat Hij, door hem vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn, " Toch is hierin zoover een verschil aanwezig, dat hier wel, en niet in Ef I : 10, sprake is van verzoening. Hier staat •< idat hij alle dingen tot zich selven versoenen zou, hetzij de dingen die op aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.

Daarover dus ten besluite nog een enkel woord. Verzoenen kan beteekenen: schuld wegnemen, maar het kan ook beduiden: » een bestaande verwijderingdoeu. ophouden", en het is in den laatsten zin, dat het hier gebezigd wordt. Immers er staat in het Grieksch het woord dToxxTa}> .M^ixi, dat letterlijk beteekent: de vervreemding ten volle wegnemen. Van Jc/(f«/ö? verzoening is alzoo hier geen sprake, maar wel van het weer doen opleven van een te loor gegane harmonie, van het doen ophouden van een ontstane vervreemding en verwijdering. En dit nu past geheel bij de gegeven voorstelling. De harmonie was verbroken in Gods Schepping, en zulks met name tusschen de engelenwereld en de menschenwereld; en deze verbroken harmonie kon niet hersteld worden, overmits de gevallen menschheid er niet vatbaar voor was. Er' m o t h g t l m a n staat niet dat God de engelen en de menschen als personen verzoenen zou in Christus, maar er wordt op de engelenw^r^/^/ en menschenwf/'^/ü? in het gemeen gedoeld, zöoals blijkt uit de uitdrukking; - ude di7tgen diz op de aarde en de dingen die in de hemelen zijn. »Dingen" toch is geen woord dat van de engelen of menschen als zoodanig kan gebezigd worden. Zij zijn geen dingen, maar personen. Welnu, die twee werelden lagen in onnatuurlijke verhouding. De oorspronkelijke harmonie bestond niet meer. Er was vervreemding, er was verwijdering ontstaan.En die verwijdering is het, die eerst in Christus een einde kon nemen. Hij is het, die in de voleinding der eeuwen ^«"/^^ werelden, die van menschen en engelen, weer herstellen zal in oorspronkelijk verband. En dat er nu staat, dat God d«ze twee werelden tot zich zelven verzoenen zal, is volkomen natuurlijk. Immers alle disharmonie, alle storing" van de verordineerde orde, gaat tegen God in. En eerst waar deze storing verdwijnt, en de door Hem gewilde harmonie weer in haar .oorspronkelijke glansen schittert, heeft Hij alle dingen ook tot zichzelven verzoend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 maart 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de Engelen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 maart 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken