Bekijk het origineel

Van de Engelen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Engelen.

19 minuten leestijd

XXIV.

En er we^-d krijg iti den hemel: ichael en zijne engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijne engelen. Openb. 12 : 7.

Voor zoover Michael ia het boek Daniël optreedt, bleek het ons aan geen redelijken twijfel onderhevig, of onder dezen naam is in dat boek een geschapen engel te verstaan; en wel zulk een, die onder de engelen een vorstelijke gestalte vertoont; en wederom onder deze vorstelijke engelen vooraan staat. Dat hij daarom een soort schutsengel of beschermengel van het volk Israël, vóór zijn val, zou geweest zijn, volgt hieruit nog niet. Strijden de goede engelen, onder Michaels aanvoering, tegen de gevallen engelen onder Satan, voor de zake onzes Gods; en was voor lange eeuwen, gelijk in de dagen van Mozes tot aan Golgotha, de zake Gods onder alle andere volken verlaten, en alleen nog onder Israël, en uitsluitend bij dit ééne volk, staande gebleven ; dan spreekt het vanzelf, dat Michael, gelijk het in Dan. 12 : i heet, voor »de kinderen van Daniels volk, bij God staat." Alleen maar, dit is dan zóó, niet omdat Michael en Israël door een bijzondere ordinantie Gods, maar omdat ze door het gemeenschappelijk doel van beider strijd, d. i. door het bedoelen van het koninkrijk Gods, saam verbonden zijn. Daar echter het vraagstuk der beschermengelen, dat hier ter plaatse, gelijk ook in een vorig artikel slechts kon worden aangestipt, later opzettelijk aan de orde komt, stappen we hier van af, om nu terstond de beide andere plaatsen onder de odgen te zien, waar Michael vermeld wordt, t. w. Judas vs. 9 en Openb. 12 : 7. Uitspraken waarbij we dan tevens i Thess. 4 : 16 aan de orde stellen, overmits daar de Archangel vermeld staat, en in Judas vs. 9 Michael zelf »de Archangel" genoemd wordt.

Zoo beginnen we dan met Judas vs. 9, waar we dit lezen: »Maar Michael, de Archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde over het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering voortbrengen tegen hem, maar zeide: DeHeere bestraffe u." Om deze woorden wel te verstaan, moet men zich eerst helder voorstellen, waarover Judas in zijn korten brief handelt. Hij treedt namelijk in dit schrijven op tegen een soort menschen, die elders de Nicolaieten worden genoemd, en die reeds in de eerste apostolische kerken een ontzettend gevaar in de gemeente des Heeren deden insluipen. Deze lieden waren oude zondaren, die, met een onbekeerd hart, zich toch hadden laten doopen, omdat ze zich inbeeldden, dat de vrijheid van het Evangelie hun een vrijbrief voor hun zondig leven bood. Van huis uit schijnen ze geen Heidenen, maar Joden te zijn geweest; iets wat men daaruit kan opmaken, dat ze door Judas gewezen worden op den val der engelen, op het gebeurde met Sodom en Gomon-ha, op Kaïn, op Mozes en op Bileam; altemaal gebeurtenissen en personen, die aan de Heidenen onbekend waren. maar waar een Jood alles van gehoord had. De hier bedoelde Joden waren intusschen aan de eere van Israël ganschelijk vervreemd, en door het indringen van de Heidenen in hun land, almeer geheel in een Heidensch-zondige levenswijs vervallen. Vooral de vleeschelijke zonde van den wellust schijnt schaamteloos door hen gedreven te zijn, en bovendien zekere verregaande minachting van de door God gestelde machten onder hen veld te hebben gewonnen. Althans het is met name tegen de vleescheszonde en verachting van de heerschappijen, dat Judas in zijn brief te velde trekt. Dat nu juist zulke ontrouwe en onheilige Joden, licht geneigd waren om met het Farizeesche Jodendom te breken, en zich te laten doopen, kan ons niet vreemd schijnen. De strenge handhaving van de wet, zelfs in haar meest formalistische opvatting, moest zulke libertijnsche vrijgeesten, uiteraard geheel tegen de borst stuiten; en toen ze nu hoorden van de prediking van een Evangelie, dat een zaligheid predikte, niet uit de wet maar in de vrijheid des geestes door het geloof, lag het zelfs voor de hand, dat ze, het Christendom geheel miskennende, zich juist daarom hierbij aansloten. Men vergete toch niet, dat ook destijds de sijver zonder verstand" vanden Methodist, evenals nu, er op uit was, om maar veel en altoos meer menschen tot de belijdenis van den Christus te brengen. De vooral in den aanvang zoo sterk gedreven propaganda, bracht dit als vanzelf mede.

Ten einde nu de »heiligen" tegen deze valsche indringers ten ernstigste te waarschuwen, wijst Judas op de oordeelen Gods die over soortgelijke geesten, zoo onder de engelen als onder de menschen, eertijds gekomen zijn. De val der engelen was alleen daaruit voortgesproten, dat Satan en de zijnen de heerschappij van God Almachtig hadden betwist. Deze losmaking van de heerschappij Gods had, eenmaal ook onder menschen ingeslopen, het tweeledig gevolg gehad, dat schrikkelijke vleescheszonde den mensch verdierlijkt had, gelijk in Sodom en Gomorrha, en ook dat men onder menschen de van God gestelde machten veracht had, gelijk in de dagen van Korach. En het is hiertegenover nu dat Judas op het exempel van Michael den Aartsengel wijst, die wel verre van de ordinantiën Gods, waar ze in schepselen vastgelegd waren, te verachten, integendeel die majesteit Gods zelfs waar ze in den Duivel nog doorschemerde, niet dorst aantasten, maar eeren bleef, het oordeel overlatende aan God.

Men versta dit niet verkeerd. Natuurlijk is in Satan niets eerbiedwaardigs voor wat hem zelven aangaat. In Satcin is geen majesteit. Maar dat er in Satan geen majesteit is, moet ge niet daaruit verklaren dat hij viel, maar daaruit dat hij een creatuur, een schepsel is. In een schepsel is geen majesteit. Dat is het hoofdpunt waar het op aankomt. Er is geen majesteit dan in God. Belieft het Gode dus om iets van zijn majesteit op een creatuur, hetzij dan engel of mensch, te leggen, dan doet het er niets toe, of dat creatuur een heilig of een onheilig creatuur is; maar dan zult ge die majesteit ook in het diepst gezonken creatuur blijven eeren, omdat ze Godes is. Hing die majesteit af van de meerdere of mindere heiligheid van zulk een creatuur, dan zoudt ge een koning of magistraatspersoon alleen zoolang hebben te eeren. als hij een goed en eerbaar regent bleek te zijn; en, als dit anders' werd, hem mogen verwerpen; en zoo ook als kind uw vader en moeder wel hebben te eeren zoolang ze braaf en lief bleven, maar, zc')di/ Uiiimdersblee!: , hun die eere mogen onthouden. Nu daarentegen die op hen gelegde majesteit niet afhangt van hun braaiheid, liefheid of heiligheid, maar eeniglijk van Gods bestel, nu kan geen enkele zonde van vader of moeder u van de gehoorzaamheid aan het vijfde Gebod ontslaan, en zoo ook geen Nero zelfs u onthefifea van de verplichting, om, hoe hij ook tiranniseert en woedt, voor hem te bidden, en, zoolang ge zijn onderdaan zijt, de majesteit Gods, die op hem rust, in zijn persoon te eeren. Geldt dit nu voor het creatuur dat ««^wj-cA heet, dan geldt het natuurlijk ook van elk ander creatuur, en dus ook zoo dat creatuur een ejigel is. Wordt er, gelijk ons bleek, ook in de engelenwereld door de Tronen, Machten en Heerschappijen zeker gezag van Godswege uitgeoefend, dan oefenen ook deze rijkbegaafden onder de engelen dit gezag niet uit krachtens eigen recht, maar alleen krachtens Gods bestel. Doch dit zoo zijnde, blijft dit gezag dan ook staan, onverschillig of zulk een engel goed blijft, of dat hij kwaad wordt; gelijk Gabriel voor God lofzingt of als Satan zich Gode ten wederpartijder stelt. En zoo min nu een heilig man als Petrus ofPaulus het recht had Nero om zijn slechtheid te weerstaan, evenmin kwam het aan Michael toe, om aan Satan het gezag te betwisten voor zoover hij dit krachtens de ordinantie Gods uitoefende.

Deze uitweiding was noodzakelijk, om het doorzichtig en duidelijk te maken, niet alleen waarom Michael Satans gezag niet betwistte, maar ook hoe Judas deze houding van Michael aan de toenmalige Christenen ten voorbeeldkon stellen. Zoo bii 01 «pervlakkige lezing ontstaat meestal de indruk, alsof Michael eigenlijk Satan wel had mogen lasteren, maar hoe hij, uit overgroote bescheidenheid, dit naliet. En dan is natuurlijk alle klem van Judas' woord af. Dan toch zou menigeen allicht denken: »Nu ja, maar zoo overbescheiden ben ik nu eenmaal niet; ik behoef ook niet als een engel te zijn; en daarom wat Michael niet aandorst, dat durf ik wel." Deze gedachte toch van »wel te durven" zit diep in ons zondig hart in. Geen kind, of het toont wel eens gaarne, wat het wel durft tegen vader en moeder, durft op school tegen zijn meester, durft in gezelschap tegen zijn meerdere. Zoo stellen jongere broeders of zusters er vaak een eer in »wel te durven" tegenover hun oudere broers of zusters. Zoo vindt menige vrouw er een geheim genoegen in, te toonen dat z; »wel durft tegenover haar man, " die door God als haar hoofd over haar gesteld is. En waar op die wijze eenmaal in onzen huislijken kring, dat valsche > durven" wordt toegejuicht, en zelfs zekere eere heeft, valt licht te begrijpen, hoe ook op straat én de jeugd én de menigte der volwassenen er lust aan heeft, om tegenover de politie te durven; straks ook de op vrijheid beluste schare om te durven tegenover allen die in hoogheid geplaatst zijn; de minder met gaven bedeelden, om te durven tegenover degenen aan wie God meerder schonk; en tot zelfs in allerlei vereeniging en instelling, om te durven tegenover hen, die daarin zeggen­ schap en oordeel over ons hebben. Daarom is het zoo noodzakelijk, dat men uit Judas VS. 9, dit valsche begrip over het durven en niet durven, met wortel en tak wegnem.e. Dat Michael niet dorst, was in het minst niet uit blooheid, maar uit eerbied voor de ordinantie Gods, en overmits Michael, evenals elk schepsel, van Godswege gehouden was, om die ordinantie te eerbiedigen, ook al was het, dat die eerbied voor het oogenblik aan Satan ten goede kwam. Eerst van uit dit algemeene gezichtspunt bezien, is de zaak voor ons en Michael één en kan zijn exempel op ons worden toegepast. Hij mocht in Satan de ordinantie Gods niet aanranden, ook al was Satan nog zoo diep gezonken; en zoo ook mogen wij, tot zelfs in een Nero, de ordinantie Gods niet te niete doen, ook al verandert zulk een Nero zich in een duivelsch despoot.

Doorziet men dit nu wel, dan is hiermede tevens de vraag beslist, of we hier onder Michael een geschapen engel hebben te verstaan, of wel den Christus in zijn Godheid. Zal toch Michaels exempel op ons als creatuur slaan, dan moet Michael zelf ook een creatuur zijn. Anders toch zou Judas' betoog geen steek houden, en zijn voorbeeld verkeerd gekozen zijn. Iets wat bovendien nog daaruit blijkt, dat Michael, volgens vs. 9 geacht wordt, zich aldus te hebben uitgelaten: sNiet ik oordeel u, maar ik geef het oordeel over aan God." Dat toch kan alleen gezegd worden, door wie zelf creatuur is, maar zou geen zin hebben, zoo wie het zegt, zelf God ware. Iets waartegen men niet aanvoere, dat de Christus »zich zelf vernietigd heeft, de gestalte eens dienstknechts aannemende; " want in Judas vs. 9 is sprake van de dagen van Mozes, en toentertijd had de vleeschwording des Woords nog niet plaats gegrepen. Uit dien hoofde kunnen we ook hier tot geen ander resultaat komen, dan dat ook in Judas vs. 9, evenals in Daniël 10 en 12, Michael als een geschapen engel voorkomt, die hier ter plaatse als cBcatuur aan ons, wijl we ook creaturen zijn, ten exempel gesteld wordt. En wat nu het geding zelf over het lijk van Mozes aanbelangt, zoo ligt dit hier wel buiten oSs bestek, maar is het ter toelichting toch leter, ook hierover klaarder inzicht te gevae, daar er nog altoos zoo velen zijn, voor wie de desbetreffende woorden uit vs. 9 ganschelijk onverstaanbaar bleven.

Mozes is een exceptioneel persoon. Dit blijkt uit heel zijn historie. Zooals geen enkel profeet voor of na hem, heeft hij God gezien van aangezicht tot aangezicht. Hiermee hangt het dan ook saam, dat Mozes anders stierf dan wij, en dat we in Deut. 34 : 5 en 6 lezen: Alzoo stierf Mozes, de knecht des Heeren, en de Heere begroef hem in het land van Moab, en niemand heeft zijn graf geweten tot op dezen dag." Men mag daarom wel niet zeggen, dat hij als Elia ten hemel opvoer, maar toch staat hij in zoover met Elia op één lijn, dat hij met Elia op den Thabor aan den Christus verschenen is, om hem zijn uitgang aan te zeggen, dien hij volbrengen moest te Jeruzalem. Hoe dit te verklaren zij, is ons niet nader bericht, en eigen verzinning baat ons niet en is zelfs ongeoor­ loofd. Alleen vernemen we thans uit Judas' brief, dat Satan op het lijk van Mozes aanspraak heeft gemaakt; dat Michael hierop inspraak heeft gemaakt; maar dat, toen Satan zich beriep op Iret, htra door God verleende recht, Michael terugtrad, en de beslissing in het geding over Mozes' lijk aan God overgaf. Satan heeft, gelijk Hebr. 2 : 14 het uitdrukt, - uhet geweld des doods" een uitspraak waai'bij ge het woord »geweld" niet moogt opvatten in den zin van brutale overmacht en geweldpleging, maar moet nemen in den zin van ecne hem verleende macht. Er staat toch in het Grieksch hetzelfde woord, wat elders gebezigd wordt om de souvereiniteit uit te drukken. Deze macht nu bezit Satan niet uit zich zelf. Dat kan niet, wijl ook hij creatuur is. Ook hij bezit die macht derhalve krachtens een ordinantie Gods. Iets wat we nu niet zoo hebben te verstaan, alsof bij zeker Goddelijk decreet bepaald was: Satan zal het zeggenschap over den dood hebben; " maar heel anders, t. w. dat, naar luid van Gods scheppingsordinantie, aan Satan als creatuur zulk een beteekenis en hooge positie was gegeven, dat, viel hij af, een ieder die voor hem als gevallen creatuur koos, daardoor vanzelf onder zijn macht kwam, en tot in den wortel zijns levens, door den dood en door het verderf van het grat, de schrikkelijke overmacht van Satan zou moeten ervaren. Wij denken dat we door Satan te dienen alleen ojize ziel onder zijn macht stellen. Maar zoo is het niet. We kunnen niet over onze ziel beschikken zonder tegelijk over heel onzen persoon naar ziel en lichaam te beschikken ; en wie zijn ziel aan Satan overgeeft, verleent hem dus daardoor vanzelf een recht ook over zijn lichaam; een recht dat Satan in ons sterven, en als we gestorven zijn, nog ons lijk komt opeischen. Daarom moet het lijk verteerd worden. Dat nu Satan dit zijn recht ook op Mozes' lijk zou mogen doen gelden, vond Michael ondenkbaar. Daarom twistte hij met Satan. Doch toen Satan op zijn recht stond, trad Michael terug. Hij dorst, niet uit gebrek aan moed, en veelmin uit eerbied voor Satan, maar eeniglijk uit eerbied voor Gods ordinantie, niet doortasten, en gaf deswege de beslissing aan God over. Hoe die beslissing uitviel blijkt wel het duidelijkst uit wat Deut. 34 : 6 zegt, dat niet een mensch, maar dat God zelf Mozes' lijk begroef, en dat niemand ooit zijn graf gevonden heeft. God kan ons lichaam uit dezen aardschen staat in den staat der heerlijkheid doen overgaan door de groeve der vertering heen, ja, al heeft een wild dier ons geheel verslonden. Maar Hij kan het ook zonder en buiten de groeve der vertering om doen. Denk slechts aan Psalm 16 : 10: Gij zult niet toelaten, dat uw heilige de verderving zie."

Doch hoe dit ook zij, onze slotsom kan ook bij Judas vs. 9 geen andere wezen, dan dat Michael een creatuur, een geschapen engel was, die juist als creatuur ons ten voorbeeld wordt gesteld, en als schepsel het oordeel niet zelf aandorst, maar het aan God overgaf. Iets waaruit dan vanzelf volgt, dat onder den Archangel of Aartsengel in I Thess. 4:16 evenzoo een geschapen engel, en niet de Christus is te verstaan. Immers in Judas vs. 9 wordt van Michael met zoovele woorden gezegd, dat hij seen aarts-

engel" is. Lezen we nu in Thess. 4:16, dat de Christus zelf »met een geroep, met de stem des Archangels en met de bazuin Gods nederdalen zal van den hemel", dan blijft het zeker mogelijk dat we onder de sstem des Archangels" hier te verstaan hebben: »met de stem als van een archangel"; maar ook bij die opvatting is en blijft de Archangel dan toch van den Christus onderscheiden, en is Michael een ander persoon. Over de vraag eindelijk, of de naam van Archangel uitsluitend aan Michael toekomt, of wel dat deze naam gemeen is aan »de zeven engelen die voor Gods troon staan", valt geen uitsluitsel te geven, wijl de Schrift er ons niets van zegt. Michael kan zoowel voorkomen als de Archangel, in dien zin, dat hij alleen dit is, als in de hoedanigheid van één der Archangelen, gelijk hij in Dan, 10:13 séén der vorsten heet", zoodat Ga briël evengoed Aartsengel zou zijn als hij.

Over Openb. 12:7 kunnen we korter zijn. Daar komt de naam Michael voor in deze uitspraak: En er werd krijg in den hemel Michael en zijne engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijne engelen, en zij hebben niet vermocht, en hunne plaate is niet meer gevonden in den hemel." Te dezer plaatse nu is door verreweg de meeste uitleggers in Michael niet de geschapen engel gelezen, maar de Christus als het Hoofd der engelen. De reden waarom men aan deze uitlegging de voorkeur gaf, lag voor de hand. Het visioen toch, aan Johannes op Pathmos te beurt gevallen, speelt na de Vleeschwording en na de Hemelvaart van den Christus, toen hij gezet was in den hemel en bekleed was geworden met macht en heerlijkheid, niet alleen over zijn kerk op aarde en de zaligen in den hemel, maar ook over alle engelen om Gods troon. Dit nu zoo zijnde, zoo kan men niet anders oordeelen, of na de hemelvaart is het Christus, als onze Middelaar, die, als we ons zoo mogen uitdrukken, het opperbevel voert ook over de heirscharen Gods in den herael. En hieruit nu heeft men afgeleid, dat derhalve, waar de engelen ten strijde tegen Satan optrekken, niet meer hun vroeger hoofd, de geschapen engel Michael, maar de Christus als de sterkere Michael aan hun hoofd is getreden, en den slag der geesten tegen den draak en zijn trawanten geleverd heeft. Een anderen grond bezit men voor deze uitlegging niet. De woorden zelf toch vermelden Michaels naam zonder eenige bijvoeging, en we vinden alleen dat Michael als aanvoerder der engelenheiren den slag der geesten tegen den draak en zijn booze slagorden onderneemt.

Hier komt het geschil dus metterdaad op een twist over woorden neer. Niemand toch, die zich aan de Schrift houdt, zal ontkennen, dat na Jezus'hemelvaart, alle, en zelfs de rijkst begaafde engelen, aan Christus, als onzen Middelaar, onderworpen zijn geworden; en dat hij, als het bevel over de engelen op zich nemende, overdrachtelijk hun Michael kon genoemd worden, vindt evenmin tegenspraak. De vraag waar het op neerkomt is dan ook alleen, of de onderwerping van de engelen aan Christus inhoudt, dat de aartsengel Michael van het bevel over de engelen ontheven is, zoodat de Middelaar in zijn plaats trad, of wel dat de engelenheiren, met Michael aan het hoofd, te zamen onder den Christus zijn gesteld. In het eerste geval zou Michael dan zijn teruggetreden, en Christus zelf de engelen hebben aangevoerd; in het laatste zou wel de Christus den aanval gelast en voorgeschreven hebben, maar zou hij onder zijn hoog bevel, door den aartsengel Michael zijn uitgevoerd. Thans kiezen de meeste uitleggers voor het laatste, wijl ze oordeelen dat onder »het kindeke" in VS. 4 het kindeke Jezus en onder »de zwangere vrouw" Maria zou zijn te verstaan. Uit dien hoofde toch zeggen ze, kan onder Michael niet dezelfde persoon begrepen worden, daar Michael opstaat om het kindeke te redden. Afdoende is dit intusschen allerminst, overmits, gelijk onze Kantteekenaren zeer juist opmerken, in het visoen van Pathmos niet geschilderd wordt, wat vroeger geschied was, maar hetgeen in de toekomst stond te gebeuren.

Dat ook wij desniettemin meer overhellen tot de laatste uitlegging heelt dan ook een anderen grond. Het opzij schuiven van Michael, om den Middelaar in zijn plaats te laten treden, komt ons toch voor noch met zijn Middelaarschap noch met de vastheid vaia Gods scheppingsordinantie te kunnen bestaan. Christus is mensch geworden, en niet engel. Hij is in ons menschelijk geslicht ingelijfd, opdat ons geslacht in hem ingelijfd zou worden, maar hij is niet ingelijfd in het korps der engelen. Daarom zou het innemen van Michaels plaats tegen den aard van zijn Middelaarschap indruischen. Hoofd der engelen was hij naar scheppingsrecht, gelijk hij naar scheppingsrecht het Hoofd van alle creatuur, of gelijk in Col. I staat»de eerstgeborene, " d. i. »de met eere bekleede ten opzichte van alle creatuur" is. En dat hij als Middelaar Hoofd der engelen in engeren zin wordt, spruit daaruit vooxt, dat de engelenwereld er was, om aan de menschenwereld ondergeschikt te worden. »Wij zullen de engelen oordeelen". Lijft men daarentegen den Christus als een anderen Michael in de engelenwereld in, dan keert men deze gansche ordening om.

En evenmin dunkt ons zulk een in de plaats stellen van Michael met de scheppingsordinantie te strooken. Onder ons menschen kan het, dat de een in de plaats van den ander treedt. De afgedankte treedt dan terug en raakt buiten dienst. Maar juist dit is in het onschendbaar bestel van Gods scheppingsordinantie ondenkbaar. Eenengelenvorst, die, als we ons zoo mogen uitdrukken, op nonactiviteit zou worden gesteld, is een aardsche gedachte, die niet op de hemelsche dingen mag worden overgedragen. Toch behoeft niemand wat de hoofdzaak betreft hier in het onzekere te blijven verkeeren. In Dan. 10 en 12, en evenzoo in Judas vs. 9 is Michael zeer zeker eoa geschapen engel. Ware het dan al dat in Openb. 12:7 Michael van den Christus te verstaan was, zoo zou dit toch nooit anders dan de naam van een geschapen engel zijn, die, om zijn oppermacht aan te duiden, van den Middelaar op overdrachtelijke wijze werd gebezigd.

CORRIGENDUM.

In Art. XXIII van de Engelen sloop door schuld van den corrector onzin in. Zie het in kolom 3, regel 25 van onderen.

Daar staat: sVat men toch Gabriel op als beteekenendc: »man Gods", dan zou hier staan:

»AIs ik nog sprak in het gebed, zoo kwam de man Gods tot mij; wat uiteraard niet kan".

Dit; , nu isi^niet te verstaan.

Waarom zou dit niet kunnen r

Er^moftBt dan ook heel iets anders gedrukt zijn. Dit naiaelijk:

Vat men toch Gabriel op als beteekenende: man Gods", dan zou hier staan:2Als ik nog sprak in ket gebedj zoo kwam de man sde man Gods" tot mij"; wat uiteraard niet kan.

Gelieve men dit in zijn exemplaar te verbeteren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Engelen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken