Bekijk het origineel

Van de Engelen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Engelen.

18 minuten leestijd

XXVI.

Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerte uws vaders doen; die was eenmenschenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven, want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zoo spreekt hij uit zijn eigen: ant hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen. Joh. 8 : 44.

Het thans afgehandelde punt, t. w. de verhouding van de engelenwereld tot den Christus, brengt ons vanzelf tot de bespreking van de afgevallen engelen, onder hun hoofd Satan. Luther heelt eens niet onjuist den Satan »den aap van Christus" genoemd; iets waarmee hij zeggen wilde, dat al Satans wijsheid er in bestaat, om het doen van den Middelaar na te bootsen. Een voorstelling, die reeds daardoor gerechtvaardigd wordt, dat Satan ten slotte als de Antichrist of Tegen-Christus poogt op te treden, en de wonderen van den Christus ter bevestiging van zijn eigen heerschappij naaapt.Voorshands echter laten we ons met dit Antichristusschap van Satan nog niet in. Er werd in den aanvang van dit artikel slechts op gewezen, om de volgorde te rechtvaardigen, dat we na het verband van de engelenwereld met den Christus te hebben besproken, thans de gevallen engelen onder hun hoofd Satan, ter sprake brengen.

Dat de val der engelen reeds had plaats gegrepen, toen Adam nog in den staat der rechtheid in het paradijs verkeerde, is uit het geschiedverhaal duidelijk. Immers zoodra aan Adam het proefgebod is gegeven, dient Satan zich bij Eva aan, om haar, en door haar Adam, tegen dat proefgebod te prikkelen. Jezus zelf heeft in Joh. 8 : 44 het gebeurde in het paradijs alzoo uitgelegd. Wat de slang tot Eva sprak, was eefa spreken van Satan. Immers hij en niemand anders, zegt Jezus, was de menschenmoorder van den beginne, d. w. z. die onheilige persoon, die den dood over ons menschelijk geslacht heeft gebracht; — De schepping der engelen kan niet anders dan achter de schepping van het paradijs Uggen, en is vervat in het eerste woord der Heilige Schrift, dat God schiep den hemel en de aarde. Of nu ook de schepping der engelenwereld zekere stadiën doorloopen heeft, evenals de toebereiding dezer aarde in zes scheppings-stadiën verliep, is ons niet geopenbaard. Het kan zoo zijn; het kan ook anderszijn; maar wij weten het niet. Ons wordt alleen bericht, dat God ^den hemel en de aarde" schiep, en nu voorts wordt ons wel in bijzonderheden de voltooiing van de schepping der aarde, maar niet alzoo van den hemel gemeld. Alleen geeft, wat we in Job lezen, dat bij de voltooiing van de schepping dezer aarde, »de kinderen Gods juichten en de morgensterren vroolijk zongen", grond voor de meening, dat in elk geval de »wereld der geesten" geheel voltooid was, alvorens de voltooiing van deze aardsche schepping met de schepping van het licht begon. Onder de skinderen Gods" toch, die in dien aanvang juichten, kan men kwalijk iets anders dan de engelen Gods verstaan.

In deze voltooide »engelenwereld" nu heeft vóór het proeigebod tot Adam uitging, een principiëele afval van God plaats gegrepen. Om zich dit nader in te denken, houde men wel in het oog, dat de engelenwereld heel anders geschapen is dan de menschenwereld. Toen ons geslacht, dat in zijn voleinding duizend maal duizend millioenen personen zal bevatten, op deze aarde tot aanzijn werd geroepen, was dit geslacht nog, o, zoo klein. Eerst één man, toen ook een vrouw; saam twee personen; en uit deze twee personen zou heel het menschengeslacht voortkomen. Maar met de engelenwereld stond het heel anders geschapen. Onder de engelen is geen geboorte. Men kan dus niet spreken van een t.n%^txigeslacht. De ééne komt niet uit den andere voort. Er is geen voortteling. Er is onder de engelen noch man noch vrouw. Vandaar dat hun getal niet kan vermeerderen. Hieruit volgt dus, dat de engelen op eenmaal in hun volle aantal geschapen werden, en dat terstond na hun schepping de volledige engelenschare in haar «duizend maal tien duizend, ! de duizenden vermenigvuldigd" voor God stond. Wat met ons geslacht eerst plaats zal grijpen in het laatste oordeel, dat namelijk het volledige aantal van alle menschelijke personen voor God zal verschijnen, was met de engelen zoo van meet af. Terstond na hun schepping waren ze er allen. Alle heirscharen der engelen, zonder dat er één ontbrak, verschenen door hun schepping zelve voor het aangezicht des Heeren. Hun aantal is nooit toegenomen noch ooit verminderd. Ze zijn nu nog wat ze bij hun schepping waren, en zullen alzoo blijven ceuwiglijk.

Dit punt moet daarom met eenige klem op den voorgrond worden gesteld, omdat het ons verklaart, hoeveel nader de val in zonde voor de engelen lag, dan voor ons menschen. De mensch was in den aanvang zoo klein, zoo gering, zoo nietig. Twee personen «p heel deze aarde. Twee menschen in het gansch heelal. Niet meer dan twee geschapen menschelijke wezens tegenover den almachtigen God. Die kleinheid stemde tot ootmoed, want zelfs tegenover de rijke dierenwereld en de macht der natuur gevoelde de mensch zekere hulpbehoevendheid, die hem eer uitdreef om de hulpe Gods te zoeken, dan om zijn God te weerstaan. — Een gevoel van kleinheid en geringheid, dat te sterker moest werken, omdat de mensch was aangelegd op verdere ontwikkeling, en alzoo volstrekt nog niet was, wat hij worden kon. De mensch was niet geschapen in de volheid van zijn kracht, maar met een aanvang van kracht, dragende in zich de profetie van wat uit dien aanvang zich eens als zijn volheid en rijpheid zou ontwikkelen. Vandaar dat in het Werkverbond aan den mensch een meerder iets, een krachtiger en rijker bestaan, zoo hij stand hield, beloofd werd. Doch juist uit die belofte volgt dan ook, dat hij aanvankelijk, bij zijn schepping veel minder was dan hij worden kon, en alzoo in zekere zwakheid voor God stond. Hij was wel heilig, maar daarom nog niet tot de volharding der heiligen gekomen. Wel heilig en recht, maar zoo, dat hij nog vallen kon. Wel stond hij op den weg, maar op dien weg nog bij den aanvang, en het einde van dien weg lag nog verre. — En neemt ge nu die twee samen, dat de mensch ten eerste nog slechts in twee personen bestond, en ten andere, dat deze twee personen nog geheel bij den aanvang van hun ontwikkelingstonden, dan gevoelt ge, hoe heel hun bestaan, bij hun schepping, er op was aangelegd om den mensch tot ootmoed en nederigheid te stemmen, en alleszins geschikt, ja, er op aangelegd was, om den mensch eer in zijn hulpbehoevendheid tot zijn God te doen vluchten, dan dat het denkbeeld om tegen Gods majesteit eigen maeht en kracht over te stellen, in hem kon opkomen. Zeer ernstige twijfel rijst dan ook, of de mensch, indien de Verzoeker niet tusschen beide ware getreden, ooit de hand naar den verboden boom zou hebben uitgestoken.

Maar natuurlijk, heel anders stond deze zaak voor de heirscharen der engelen. Deze toch gevoelden zich in het minst niet eenzaam en verlaten, maar stonden op eenmaal met hun millioenen en nogmaals millioenen voor 's Heeren aangezicht. Deze hun ontzaglijke menigte mqest hun wel een hoog gevoel van macht en hooge beteekenis inboezemen, en alzoo reeds door hun aantal het besef van hulpeloosheid uitsluiten. Reeds onder menschen zien we telkens, hoe het groote aantal den moed verhoogt en het besef yan kracht vertienvoudigt. Op school zal één jongen weinig durven, maar als heel de klasse, of zelfs heel de school meedoet, : is hij tot alles in staat. Wie alleen met zyn denkbeelden in zijn omgeving staat, voelt zich daardoor zwak, maar als hij de tolk is van duizenden en nogmaals duizenden, en tie publieke opinie op zijn hand is, spreekt |jij schier stout en vermetel. De eenling dié ontevreden is en mort, houdt zich stil, ma.ir als duizenden en duizenden een zelfde beklag hebben, en de menigte loopt te hoop, dqn leeft in die massa een gevoel van kracht ; dat tot overmoed leidt, en vaak omslaat iii; oproer. Juist omdat we op gemeenschap zijn aangelegd, voelt ge u zwak, als ge alleen staat, en dorst alles in u er naar, om gemeenschap met anderen te verkrijgen, en daardoor uw zaak en uw positie te sterken. —Reken nu daarnaar af, wat onbedwongen gevoel van kracht en mogendheid in de slagorde van Gods engelen trillen moest, toen ze op eenmaal in zoo onafzienbare heirscharen tot aanzijn werden geroepen. Van eenzaamheid of verlatenheid geen sprake. Op eenmaal stonden ze daar in de ongebroken en ongemeten volheid van de hun toegekende mogendheid. Bij ons voelt men zich reeds zoo sterk, als heel een volk als één man voor zijn nationale zaak en nationale eere opkomt. Wat zou het dan onder ons menschen niet zijn, indien op eenmaal heel een werelddeel, en ten slotte heel de wereld, met haar veertienhonderd milUoenen, door één gedachte bezield en in één geestdrift vereenigd ware.En toch zou zelfs dit nog slechts een fiauw denkbeeld geven van het krachtsbesef dat de engelen doorstroomen imoest. Immers bij hen was het niet één enkel geslacht dat tegelijk bestond, maar de geheelheid van alle engelen, en ge zoudt u dus moeten indenken, dat alle menschen die op deze aarde ooit geleefd hebben, nog leven, of ooit leven zullen, tegelijk leefden en bestonden, en alsdan hun eenheid ^S.^ »menschelijk geslacht" in haar vollen rijkdom doorzagen, om u op eenigszins juiste wijze te kunnen voorstellen, wat dit krachtsgevoel in de pas geschapen engelenwereld moet geweest zijn.

En dat ongelooflijke krachtsgevoel werd uu nog versterkt doordien ze elk persoonlijk, niet op ontwikkeling aangelegd, maar op eenmaal in hun volle kracht geschapen waren. De mensch zou toenemen in kennis, in heiligheid, in mogendheid, maar de engel niet. Wat hij bij zijn schepping was, blijft hij eeuwiglijli. Want wel zijn de goede engelen van voor vallen vatbaar onvatbaar voor vallen geworden, en evenzoo de gevallen engelen van goed slecht en duivelsch; maar hier steekt geen ontwikkeling in, geen toeneming, geen wasdom, geen vermeerdering, geen opklimming van minder tot meerder. Satan als hij het tegen God opneemt is geen pasbeginner, maar een geest in de volheid zijner voltooide engelenkracht. Hij is niet eerst door zijn val zoo machtig geworden, maar was dezelfde machtige engel, hetzelfde rijkbegaafde creatuur, terstond na zijn schepping uit niet. En ook dit moest natuurlijk het besef van kracht en mogendheid in deze onafzienbare engelenschare op ongeloofelijke wijze verhoogen. Niet enkel hun onmetelijk aantal, maar ook hun persoonlijke rijpheid deed in de slagorde der engelen een besef van macht^ en mogendheid zwellen, dat bijna niet voor overtreffing vatbaar was. Want wel zullen de heirscharen der uitverkorenen eens de heerlijkheid van het engelenheir te boven gaan, maar bij hen zal eeuwiglijk het besef van verloren geweest te zijn en te zijn verlost, elk gevoel van trots en hoogheid op eigen macht in de dankbaarheid voor het verkregen heil ten onder hQuden.

De meening. als'^t de val der kwade engelen ten principiëele uit benijding van den mensch zou te verklaren zijn, durven we dan ook, met hoeveel talent ze vaak bezongen zij, niet voor onze rekening nemen. Want wel Zegt Jezus, dat Satan een menschenmoorder van den beginne is; maar dit kan niet de verklaring van Satans eigen val inhouden, wel van den val des menschen. Om toch »menschenmoorder" te kunnen zijn, moest Satan reeds gevallen wezen. Ter verklaring van Satans eigen val moet dan ook veeleer nadruk gelegd, op wat Jezus er bijvoegt: »Hij is in de waarheid niet staande gebleven; want er is in Satan geen waarheid. Als hij de leugen uitspreekt, dan spreekt hij uit zichzelf; want zijn bestaan is: leugenaar te zijn, en tegelijk de vader van de leugen". Bij deze eenigszins vrije vertaling komt aanstonds uit, dat de iwdruk 7iiet valt op zijn »menschenmoord", m«tdr dat veeleer ook die menschenmoord verklaard wordt uit het feit, dat Satan de gepersonifieerde Leugen is. Niet, dat hij liegt, is zijn gruwel. Dat toch is slechts een gevolg. Maar dit is zijn afgrijzing, dat Satan in heel zijn persbon zelf het volstrekt onware en logenachtige, de ontkenning en het tegendeel van de Waarheid is. Hoe dit te verstaan zij, komt in ons volgend artikel ter sprake. Thans zij er alleen op gewezen, dat Jezus niet in Satans menschenmoord, maar in zijn leugen-wezen, en in zijn »niet staan gebleven zijn in de waarheid" de principale oorzaak van zijn val aanwijst; zoodat heel de voorstelling, alsof benijding van den mensch Satan ten val had gebracht, niet alleen in dit zeggen van Jezus geen steun vindt, maar er veeleer door weersproken wordt.

Dit kan ook niet wel anders. Vergeet toch niet, dat Satans val die gebeurtenis is, waaruit alle zonde zoo onder engelen als menschen is voortgekomen. Zijn eerste zonde was de zonde, waaruit alle overige zonde ontkiemen zou. Zooals Jezus het uitdrukt: hij werd niet alleen zelf leugen, maar tegelijk aller leugen vader; wat dus in het algemeen ook zoo is uit te drukken: hij werd zelf zonde en aller zonde oorsprong en bewerker. Zijn afval moest dus wel de meest principiëele zonde zijn. In zoo vollen en letterlijken zin de wortelzonde, dat alle overige zonde tot haar herleid en uit haar afgeleid kan worden. En zulk een zonde kan de benijding van den mensch niet geweest zijn. Het bestaan van den mensch toch was voor den engel slechts iets bijkomstigs. De engelenwereld bleef bestaan, ook als ge u de wereld der menschen geheel wegdenkt. Of bestond ze niet in volle heerlijkheid nog eer de mensch er was? Tegenover den mensch stond de engel in geen wortelverhouding, maar slechts in een bijkomstige betrekking, zelfs al houdt ge hierbij in het oog, dat de engel geroepen zou worden om den mensch te dienen. Het paard b. v. is als edel dier evenzoo geroepen om den mensch te dienen en op den mensch aangelegd; maar niettemin bestaat het paardenras op zichzelf, kan zonder en buiten den mensch voortbestaan, en staat tot den mensch nooit anders dan in zijdelingsche betrekking. Dit nu geldt in hooger zin ook van de engelen, en daarom kan de moederzonde der engelenwereld nooit uit haar zijdelingsche betrekking tot den mensch ontstaan zijn. Ook bij den mensch komt de zonde van den nijd eerst later op. Kaïn is de booze man van den nijd, die dien nijd op Abel koelt; maar hoe vreeslijk die zonde van Kaïn ook zij, ze is niet de moederzonde van het menschelijk geslacht. Die lag niet bij Kaïn maar bij Adam, en bestond niet in iets, dat diens betrekking tot Eva raakte, maar in iets, dat zijn verkouding tot God zelven betrof; en daarom niet in een moord, maar in een schenden van het proefgebod. En zoo nu ook kan de moederzonde van Satan niet daarin bestaan, dat hij, op zijn Kaïns, den mensch moordde, maar alleen daarin, dat. hij, evenals Adam, zijn verhouding tot God zelven verbrak.

Hiermede stemt dan ook overeen, wat we in Judas vs. 6 lezen, dat de booze engelen hierin zondigden, »dat ze htm eigen beginsel niet bewaard hebben, en hun woonstede verlieten", iets wat met de verleiding van Eva niets uitstaande heeft, en geen spoor van benijding der menschen vertoont. Letterlijk staat er niet hun eigen beginsel, maar ïhet beginsel vaii zich zelven, (tên heautoon archên). Ze verloochenden dus hun oorsprong; datgene waar hun reden van bestaan in lag, en waaraan ze hun ontstaan te danken hadden. Ze gingen rechtstreeks tegen hun scheppingsordonnantie in, en veranderden de waarheid dier scheppingsordonnantie in haar tegendeel, d. i. in de leugen. Dat ze hun woonstede verlieten moet dan ook niet plaatselijk verstaan. «Woonstede" staat hier voor »huishouding". De hun be-

stelde orde van zaken gaven ze prijs. Ze gingen uit de voor hen verordende engelenhuishouding uit. Ze waren als dienende geesten geschapen, en zie, ze stelden zich als heerschende geesten aan. En mits dit maar klaar en helder op den voorgrond sta, kan zeer zeker toegegeven, dat de hoogere positie, die voor den mensch besteld was, hun hartstocht geprikkeld heeft, mits het altoos maar zij en blijve een principieel verzet tegen de ordonnantie Gods over hun eigen engelenwereld als zoodanig. Niet tegen den mensch, maar tegen God richtte zich hun zondig bedenken. Alleen de zonde die rechtstreeks tegen God ingaat is principiëele zonde. En ge kunt daarom den val van Satan niet als de booze fontein van alle zonde inzien, tenzij ge Satans opzet verstaat als zich regelrecht tegen God zei ven als God aankantende. De worsteling ging om de souvereiniteit en de majesteit des Heeren HEEREN, niet om iets ia het schepsel. Tegen de overhoogheid van den levenden God als zoodanig waakte de eerste zonde in de creatuurlij ke engelenwereld op.

Juist daarom nu hebben we in den aanvang van dit artikel zulk een nadruk gelegd op de allesovertrefifendc macht en grootheid, waarin de engelen wereld, aanstonds na haar schepping, in voUedigen getale en in volkomen rijpheid van bestaan, voor God stond; en hiertegenover gesteld den kleinen aanvang van het menschelijk geslacht. Slechts twee personen, en die twee pas in den aanvang van hun hooger ontwikkeling. Ons menschelijk geslacht stond alzoo klein voor God, maar de engelenwereld reusachtig groot. En evenals nu onze kleinheid vanzelf tot ootmoed en nederigheid stemmen kon, zoo lag juist in die reusachtige mogendheid der engelenwereld de sterkte van de verleiding tot hoovaardij en trots.

Iets waar nog meer van moet gezegd. Immers veel sterker nog dan voor de gewone engelen moest deze verzoeking werken voor Satan persoonlijk. Op dien naam van Satan make men hier geen aanmerking. Natuurlijk was Satan nog geen Satan eer hij viel. Zelfs komt deze naam van Satan, die wëderpartijder en ver klager schijnt te beduiden, eerst in de latere boeken der Heilige Schrift voor. Die naam wordt hier alzoo uitslqitend gebezigd tot aanduiding van zijn persoon, daar we den naam van Lucifer, die buiten de Schrift ligt, niet mogen overnemen. In poëzie moge dit kunnen, in een Schriftbeschóuwing kan dit niet. Maar onder de engelen was deze engel in elk geval een hoofd. Niet het hoofd. Want hij is niet Michael, en waarschijnlijk zelfs van meet af aan Michael ondergeordend geweest. Maar in elk geval was Satan toch een hoofdengel, een ongemeen machtige engel, een engelengenic, een engel, die juist door deze voortreffelijkheid van zijn genie een hooge plaats der eere in de engelenwereld innam. Meer dus nog dan in een gewonen engel moest het hoog besef van de mogendheid der engelen, in hem tot klaar bewustzijn zijn gekomen. Wat andere engelen slechts ten deele gevoelden, moest hij gevoelen in al zijn diepte; tot op den bodem. Het engelenbeset moest in hem tot een zoo hoog creatuurlijk besef zijn gestegen, dat het dreigde het creatuurlijk karakter te verliezen. En dit besef werd nog versterkt en geprikkeld door de wetenschap, dat heel een heirschare van engelen uit zijn inspiratiën dacht, en alzoo gereed stond, om hem te steunen. Het was of in hun aantal zijn eigen mogendheid verduizendvoudigd was.

En terwijl nu Satan, als zulk een treffelijk wezen blinkende, en in zulk een macht gesteld zijnde, en door heel deze macht der engelenwereld omstuwd, voor Gods aangezicht stond, moet nu zijö eerste levensdaad zijn, om de feitelijke volstrekte afhankelijkheid van God, waarin hij geschapen was, door een daad van zijn eigen bewustzijn en zijn eigen wil, in zelf gewilde en bewuste onderworpenheid om te zetten. Feitelijk afhankelijk van God is alle creatuur, dfer, engel en mensch; maar voor het redelijk schepsel is dit niet genoeg. Het bewuste schepsel vindt eerst ruste, als ook dit feitelijke redelijk voor hem geworden, d. i. als hij het zelf alzoo inziet en het zelf niet anders wil. Dien overgang moet ook de mensch maken, en hierin bestaat al zijn geloof. Doch dit moest cvenzoo bij de engelen plaats hebben. Het kon, gelijk we een volgend maal nader aantoonen, maar ééns geschieden; want eenmaal die positie aanvaard en ingezien hebbende, stonden de engelen er in en konden er niet meer uitvallen Doch dat eerste oogenblik kon men, het inziende, met den wil er tegen ingaan, en dan natuurlijk was het voor eeuwig uit. Voor die keus stond dus niet alleen Satan, maar stonden alle engelen. Ook Michael, ook Gabriel, en zoo ook Satan. En in die eerste daad nu koos Michael, koos Gabriel, koos alle engel, die nu heilig is, voor God; accepteerde aldus met eigen besef en eigen wil de positie die God aan de engelen gegeven had-en kon diensvolgens, na die keuze, er nimmermeer uitvallen. Maar Satan deed anders. Bedwelmd door zijn heerlijkheid en door de mogendheid der engelenwereld verleid, dorst hij die creatuurlijke positie, die hem als engel was aangewezen, veriverpen. En daardoor viel hij; viel hij af en uit voor eeuwig; om nu voor eeuwig duivel te zijn en slechts duivelsch te kunnen werken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Engelen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken