Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Engelen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Engelen.

20 minuten leestijd

XXVII.

Gij gelooft, dat God een éénig God is; gij doet wel: e duivelen gelooven het ook, en zij sidderen. Jacobus 2 : 19.

Ons goed recht om den afval van Satan en de zijnen niet uit benijding van den mensch, maar uit vijandschap tegen God te verklaren, vindt zijn bevestiging in wat Jezus getuigde, »dat hij in de waarheid niet is staande gebleven, " maar leugen en leugenvader werd. Zelfs is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat de naam Satan oorspronkelijk niet; » verklager, belager van den mensch, " maar rechtstreeks wederpartijder Cöi/j beduidde. Iets zekers hieromtrent uitspreken, kan niemand, daar thans niet meer valt na te speuren, lioe deze naam in de wereld gekomen is. Maar evenmin mag uit het feit, dat deze naam later meer als »verklager, " slasteraar" werd opgevat (en daarom in het Grieksch diavol-os, d. i. lasteraar werd overgezet, waarvan dan weer ons duivel afstamt) afgeleid, dat oorspronkelijk , dit »verklagen der broederen" als hoofdgedachte in • dezen naam werd uitgedrukt. Satan komt af van een stam, die in den grond niets anders beteekent, dan iemand tveerstaan, om hem in zijn vaart te belemmeren of in zijn handeling te stuiten. Er lag op zich zelf dus niets onheiligs in. Als men iemand weerstond, die kwaad in den zin had, en hem van dit kwaad afhield, was juist de vrome op dat oogenblik van dien man de wederpartijder, en dus zijn sat4n.. Metterdaad wordt dan ook het woord »satan" het eerst riiet van den Duivel, maar juist omgekeerd van den Engel des Heeren, en wel in Num. 22 : 23 en 32, gebezigd. Daar toch staat letterlijk: Doch de toorn van God werd ontstoken, omdat hij (Bileam) henentoog, en de Engel des Heeren stelde zich in den weg, hem tot een satan ofte wederpartijdcr." Hieruit nu blijkt wel allerduidelijkst, dat de naam Satan op zich zelf niets naders bepaalt of uitspreekt omtrent dengene, wiens wederpartijder men is. De vorstelijke engel, die met zijn trawanten afviel, kan alzoo evengoed wederpartijder van God, als wederpartijder van den mensch, of ook van beiden saam bedoeld zijn. Die naam Satan past toch uitnemend wel, en drukt zeer goed zijn wezen uit, ook al neem ik aan, dat het begin van zijn zonde in wederpartijdigheid tegen God bestond; dat hij, als gevolg hiervan, wederpartijder van Gods uitverkorenen is geworden; en dat, ter wille van dit laatste, in de verdere historie zijn naam als »verklager der broederen" wordt opgevat.

Ook het feit, dat in het Oude Testament betrekkelijk zoo weinig over Satan gesproken wordt, en dat eerst in het Nieuwe Testament zijn optreden zoo veelvuldig gemeld wordt, houde niemand op. Want wel heeft men hieruit pogen af.te leiden, dat de erkentenis dat er een duivel met een rijk van demonen bestond, oorspronkelijk aan Israels belijdenis vreemd was, en dat de Joden eerst in de ballingschap, en vooral later onder Perzischen invloed, met de leer aangaande een boozen tegen-god, met zijn booze engelen, kennis hebben gemaakt; maar Von Darmestetter heeft op afdoende wijze geheel deze voorstelling weerlegd. In het scheppingsverhaal zelf treedt aanstonds de Slang op als de sluwe persoon, die de zonde van elders in 's menschen hart, en alzoo in deze wereld indraagt, en dat onder die Slang geen ander dan Satan te verstaan is, toont niet alleen de naam van »de oude Slang of Satanas", die in de Openbaring van Johannes voorkomt, maar evenzoo, de historie zelve. — Niemand met gezonde zinnen toch kan bij het lezen der historie van Gen. r—3 ook maar een oogenblik in den waan komen, dat het spreken van die Slang bedoeld zou zijn, als iets, dat zeker schuifelend dier uit zichzelf voortbracht. Het zijn allerminst dierlijke, maar veeleer de hoogste geestelijke vraagstukken, die tusschen deze Slang en Eva verhandeld werden. En blijve ook al de vraag onbeslist, of Satan metterdaad in een slang sloop en uit die slang sprak, dan wel of het woord slang hier slechts een naam is voor Satan zelf, vaststaat voor ieder onbevooroordeeld lezer, en in het Nieuwe Testament wordt ons dit ten overvloede bevestigd, dat metterdaad de eerste openbaring van Satan reeds voorkwam in het Paradijs. Dat nu daarna bijna niet van Satan gesproken wordt, en hij eigenlijk nog alleen in Job, in i Chron. 21 : i, en in Zacharia 3 : I voorkomt, trekt wel de aandacht, maar is allerminst onverklaarbaar. Als twee legers elkander uit verren afstand naderen, om eerst later, op het gereede oogenblik, elkander slag te leveren, is het geheel natuurlijk, dat men weken lang nog niets van den vijand te zien krijgt, en dat eerst één of twee dagen vóór het leveren van den hoofdslag, de vijandelijke slagorden in het gezicht komen. Nu is van het Paradijs af tot Golgotha toe heel de historie niets anders dan een langzame voorbereiding van den hoofdslag der geesten, die door Jezus zelf tegen Satan zou worden uitgestreden. Zoo is het dan een langzaam, de eeuwen door, elkander naderen van de twee machten, die elkander den slag op dood en leven leveren zouden. Eerst als Golgotha in het gezicht komt, nadert het oogenblik waarop de slagorden van Satan genoegzaam nabij zijn gekomen, om voor aller oog ontdekt te worden. Hiermee nu stemt het geheel ovei'een, dat het na den val in het Paradijs is, of Satan stil verdvvijnt, dat ge daarna slechts een enkel gerucht van zijn actie opvangt, maar dat waar Jezus komende is, ook de slagorden van Satan zichtbaar worden, totdat nu Jezus ten leste komt, en nu, met Golgotha vlak op handen, schier alle geestelijke grenzen door Satans invallen onveilig worden gemaakt. Het omgekeerde zou veeleer onnatuurlijk zijn geweest. Laast ge in het Oude Testament van Satan veel, nam dit af hoe verder ge kwaamt, verdween Satan bijna geheel van het tooneel in het Nieuwe Testament, en kondt ge in Jezus' woord en in het woord van zijn apostelen geen spoor meer van Satan overig vinden, dan juist zou heel dit stuk van Satan zich metterdaad voordoen, als een oorspronkelijk bijgeloof, dat allengs uitsleet, en dat ten leste bij het klaarder licht van Jezus en zijn jongeren geheel verdween. Dan juist zou heel de voorstelling van een geestelijke worsteling tusschen Jezus en Satan moeten vallen. En dan juist zou men aan de meer verlichte geleerden gelijk moeten geven, die ons aanmanen, om heel de leer aangaande Satan uit onze voorstelling en onze belijdenis uit te bannen.

Doch zoo staat de zaak niet. Juist in de dagen vanouds, toen het bijgeloof het meest vrije spel had, ontbreekt in de Schrift het veelvuldig optreden van Satan, en juist naarmate het klaarder licht des Evangelies doorbreekt, begint ge van Satan en zijn woelingen te meer te ontdekken. En is eindelijk uw Heiland verschenen, dan is het of Satan nu eerst op zijn volle kracht komt; dan hoort ge over Jezus' lippen meer omtrent Satan komen, dan ooit uit Mozes' of Jèsaja's pen over hem gevloeid was. Ja dan is het of u nu eerst klaar en duidelijk op Seri achtergrond des levens een schrikkelijke Satanische woehng ontsluierd wordt, waarvoor de vroegere Godsgezanten geen oog hadeu, en waarvan hun de realiteit niet was geopenbaard.

Juist dat uitblijven van Satans optreden in het Oude Verbond en zijn vermetel optreden in de dagen van Jezus, bevestigt ons dan ook veeleer in onze meening, dat Satans diepste en eerste en laatste strijd'niet tegen den mensch, uit nijd, maar tegen God, uit hoovaardij, gaat. Ware het toch Satan om den mensch in de eerste plaats, en om den mensch in hoofdzaak te doen geweest, dan zoudt ge zijn veelvuldig optreden vooral in de dagen van Noach, van Abraham en Mozes verwacht hebben. Dit is echter niet het geval. Breed geteekend ziet ge zijn optreden alleen tegen Job, een man, die wel de schaduw van den Man van Smarte droeg, maar toch geenszins als Noach, of Abraham, of Mozes een hoofdrol in de historie der openbaring vervult. We zien Job komen en gaan; hij laat ons de echo van zijn bittere klacht, en in het spreken van Jehova in het onweder den afglans van de majesteit des Heeren in zijn schepping achter; maar in het lot der wereld of in de historie van Israël is hij, noch zijn zijn kinderen, van eenige beteekenis. Dat Satan Job aanvalt, is dan ook niet, omdat Job als historische figuur zoo hoog stond, maar enkel omdat hij een dienstknecht des Allerhoogsten was. Ook in Job, wordt niet zoozeer de mensch, als veeleer God zelf op de proef gesteld, of Hij al dan niet, tegen Satans strikken in, zijn heilig bestel zal kunnen doorzetten. Daarentegen a's in Jezus God zelfo^ aarde verschijnt, als in den persoon van den Middelaar de kans voor Satan schoon komt, om God zelven aan te vallen, dan ziet ge op eenmaal den wederpartijder Gods met volle wapenrusting te voorschijn treden, niet om den Zoon des menschen, maar den Zone Gods in den Christus ten val te brengen, sindien gij de Zone Gods zijt, zeg dat deze steenen brooden worden." Ook van die zijde komt het dus uit, hoe Satan niet ten principale door nijd tegen den mensch, maar in hoofdzaak door zijn wederpartijdigheid tegen God als God, tot het openbaren van zijn satanisch werk gedreven wordt.

Dat nu onder de heidensche volkeren de bemoeienis met een rijk van booze geesten veelvuldiger was, en dat met name in het hoogland van Azië en in Egypte, het geloof aan een boos wezen, o. m. onder den naam van Ahriman en Set-Typhon, breeder plaats in de volksvoorstèlling vond dan bij Israël, is hiermee allerminst in strijd, en geeft zelfs geen schijn van recht om wat Jezus omtrent Satan beleed, als een nawerking van heidensch bijgeloof te brandmerken. Wat de Schrift omtrent Satan belijdt, wijkt zelfs zoo hemelsbreed af van wat de Aziatische dualisten omtrent een eeuwig Boos Wezen leerden, en in Egypte omtrent Set-Typhon werd rondverteld, dat hier verklaring van oorsprong te zoeken, stellig niet van scherp critischeu geest getuigt. Maar bovendien wie zoo spreken, verliezen geheel uit het oog, wat de Schrift ons leert omtrent den overwegend Satanischen invloed, waaronder toen vooral de heidensche volken stonden. Als Paulus de tafelen der afgoden »de \.zS.At.-a. der Du velen" noemt, spreekt hij feitelijk hetzelfde uit, wat Satan in de woestijn pretendeerde, t. w. dat hij de koninkrijken der wereld en al haar heerlijkheid te begeven had; ongeveer in gelijken zin, als waarin Jezus hem als »den overste der wereld" betitelde. Bij den Proselietendoop, die aan den Doop van Johannes den Dooper voorafging, was men zich van dien Satanischen tint des heidenschen levens dan ook volkomen bewust, en eischte deswege van den bekeerling, dat hij zelfs van zijn vader en moeder en van de geldelijke erfenis van zijn geslacht afstand zou doen. Alle gemeenschap met het onreine heidensche leven moest verbroken worden. En al moet toegegeven, dat de Christelijke kerk dit in haar exorcisme overdreven heeft, reden waarom onze Gereformeerde vaderen deze duivelafzwering bij den Doop der bondskinderen dan ook afschaften, toch valt het feit niet te loochenen, dat in de heidensche wereld vóór Christus' komst op aarde de demonische invloeden overheerschende waren. Als we in een volgende reeks opstellen aan het stuk van de algemeene genade toekomen, wordt dit punt vanzelf breeder toegelicht. Toch dient nu reeds uitgesproken, dat de algemeene genade wel de volledige doorwerking van het Satanische beginsel stuitte, maar tevens het feit niet ongedaan maakte, dat in de levensuiting der heidensche volkeren, telkens en telkens weer het demonische beginsel tot triomf en heerschappij kwam. Dit was alzoo in het sociale leven dezer volkereu, in hun denkend leven, in hun staatkundig leven, en niet het minst in hun godsdienstig leven. Alle dienst van de afgoden is Satanisch. En al mocht dan te Athene het altaar van den onbekenden god, als overblijfsel en nawerldng van de algemeene genade, nog breuke in Satans heerschappij slaan, toch aarzelt Paulus geen oogenblilf, om den tempeldienst van de Grieksche goden en godinnen te Corinthe seen dienst van duivelen" te noemen, die regelrecht tegen den dienst van God almachtig overstond. Alle afgoderij is omverwerping van het eerste gebod, en alzoo van dat groot en hoog gebod, dat uit het wezen van God als God onmiddellijk voortvloeit, en daarom wel eens heteenig »natuurlijke" en svolstrekt noodzakelijke" genoemd is.

Moet alzoo erkend, dat in de heidensche wereld Satan zich een heerschap]*|j had opgericht; dat hij in die wereld een gedeeltelijken triomf voerde; en dat hét heai gegeven en gelukt was, om uit die wereld den dienst van den éénigen waren God te bannen; dan kan het toch waarlijk geen verwondering baren, dat juist in die heidensche wereld ook de openbaring van het demonische en de belijdetiis van het demonische rijker ontwikkeld was dan bij Israël. In Israël toch was juist de eenige plek gegeven, die niet door Satan kon overheerd worden. Hier was hem een grens aangewezen. Hier kon hij niet triomfantelijk doordringen. En zoo verklaart het zich gèreedelijk, dat juist bij Israël en onder Israël minder over Satan gedacht en gesproken werd, dan buiten Israël, tot op den tijd toe, dat juist de ontwikkeling met de heidenwereld het Satanisme op den voorgrond drong, en het naderen van den Christus ook Israël dwong zich op den grooten strijd met Satan voor te bereiden. We ontkennen dus geenszins, dat de belijdenis omtrent Satan bij Israël lange jaren ten deele sliep, en eerst later krachtiger opwaakte; alleen houden we staande, dat dit feit én uit het demonisch karakter der heidensche wereld, én uit Israels eigenaardige positie, én uit het verschuiven van den hoofdstrijd totdat de i­Christus komen zou, gèreedelijk verklaard wordt. Doch hoe opmerkelijk dit onderscheid tusschen de voorstelling der heidenwereld en van Israël ook zij, het stemt ge­ heel overeen met wat we omtrent den oorspronkelijken toeleg van Satan stelden. Immers ook in de heidenwereld heeft Satan daarin vooral zijn grooten triomf .geyierd, dat_ hij er in geslaagd was, den dienst van den éénig waren God te vernietigen, en er den dienst van zijn eigen creaturen voor in de plaats te schuiven, ja bij de Perzen zelfs den dienst van den Booze zelven. Ook dit bevestigt alzoo onze opvatting, dat niet benijding van den mensch, vsxiax hoovaardij tegenover God bij Satan, en in zijn val, hoofdzaak is. Satan is in de eerste plaats wederpartijder Gods, en eerst als zoodanig wederpartijder en benijder van Gods menschen.

Komen we nu, na dit van alle zijden in het licht te hebben gesteld, op Jezus' uitspraak omtrent den Satan als leugen en leugenvader terug, dan zal ons blijken, hoe ook deze uitspraak van Jezus metterdaad geen andere opvatting toelaat. Om dit helder in te zien, hebben we ons intusschen eerst af te vragen, wat we onder zwaarheid" in Joh. 8, : 44 hebben te verstaan. Velen denken hierbij voornamelijk aan de formeele leugen van de Slang in het Paradijs. Satan verdraaide in het Paradijs Gods woorden, heette wat God gezegd had liegen, en blies aan Eva de booze gedachte in, dat God, tegen beter weten in, den mensch belogen had. God had wel gezegd: Als ge van den boom eet, zult ge den dood sterven"; maar God wist dat het heel anders stond. Neen, als ze van dien boom aten, zouden ze juist omgekeerd tot hooger gelukstaat opklimmen, en zouden ze als God zijn, kennende het goed en het kwaad. En juist omdat God dat niet wilde, maar den mensch in lager staat ten onder wiide houden, daarom had Ilij den mensch diets gemaakt, dat in het eten van dien boom de dood zat. In Satans eerste optreden, zoo zegt men, school dus een formeele leugen. Leugen was het wapen, waarvan hij zich bediende. En uit dien hoofde is het, dat Christus zegt: Hij is in de waarheid niet staande gebleven, maar een vader der leugen geworden." Zóó opgevat, zou hierin dus niets meer liggen, dan dat Satan het eerst gelogen heeft, dat de eerste leugen over , ; /)«lippen is gekomen, en dat hij in dien zin »de vader der leugen" moet heeten, een leugen die wij dan van hem geleerd hebben. Heel Jezus' zeggen zou dan op niets anders doelen, dan op het formeele liegen, het zeggen %'an ja, als het neen is, op de leugen als middel ter misleiding.

Deze verklaring kan echter, bij eenigszins nauwkeuriger bezien van wat Jezus verklaarde, geen oogenblik steek houden. In VS. 40 toch had Jezus tot de afvallige Joden gezegd: »Gij zoekt mij te dooden, een mensch die u de waarheid gesproken heb, welke ik van God gehoord heb". Nu stemt ieder toe, dat dit niet zeggen wil, datjezus zich aan geen leugen schuldig maakt, en dat men alzoo op Jezus woord aan kon. Als Jezus zegt: »Ik verkondig u de waarheid, die ik bij God gehoord heb, " laat dit geen anderen zin toe, dan dat Jezus met zijn overtuiging omtrent de dingen in hemel en op aarde tegen de overtuiging van de zondige, dolende wereld overstond ; dat hij deze zuivere, juiste en ware overtuiging omtrent de dingen in hemel en op aarde, niet van menschen, maar van zijn God had; dat deze zuivere overtuiging . voor hem de waarheid was, die tegenover de overtuiging der wereld als de leugen, overstond; en datjezus deze waarheid te midden der wereld onbewimpeld had uitgesproken. Volgt hier nu onmiddellijk op, dat Satan in de waarheid niet

is staande gebleven, dan kan dit niet anders beteekenen dan tweeërlei: i". dat ook Satan oorspronkelijk de juiste kennis omtrent de dingen in hemel en op aarde gehad heeft, eer hij viel; maar ook 2". dat hij deze oorspronkelijke zuivere ea juiste kennis niet bleef vasthouden, dat hij er niet in staan bleef, maar er uitging, en nu overging in een valsche, leugenachtige voorstelling omtrent de dingen in hemel en op aarde, die lijnrecht tegen de waarheid ervan overstond. Van formeel onwaarheid spreken wordt dus zelfs niet gerept. Als Jezus hier van waarheid spreekt, bedoelt hij den waren, wezenlijken toestand der dingen in hemel en op aarde, gelijk ze krachtens Gods schepping bestond. Zooals de dingen waarlijk zijn, zóó is hun waarheid. Of wil men het nog enger bepaald, dan is de waarheid niet het wezen der dingen zelf, maar zulk een inzicht in, zulk een kennis van, en zulk een overtuiging omtrent de dingen in hemel en op aarde, als overeenkomt met het werkelijk bestand der dingen gelijk ze zijn. Daarin nu stond de Satan oorspronkelijk. D. w. z. toen God dezen vorstelijken engel schiep, prentte Hij hem bij zijn schepping zulk een overtuiging en zulk een kennis van God en alle creatuur in, als geheel en zuiver overeenliwam met de werkelijkheid. Satan stond er reeds voor, en zag het alles in gelijk het werkelijk was. Alzoo had ook hij zijn stand oorspronkelijk in de waarheid.

Maar ia die vvaarheid bleef hij niet staande i). Hij viel er uit. Hij ging er tegen in. Hij onttrok er zich aan. Hij stelde er zich tegenover. Immers die waarheid hield voor hem. Satan, ten principale in, dat hij creatuur, in alles afhankelijk, dat hij een knecht en instrument _. Go.ds was, aan zijn God in alles onderworpen, en eeniglijk bestemd, om niet, voor zich zelf, maar om voor dien God en de glorie van dien God te leven. En hier nu ligt de wortel en oorsprong van alle zonde'. Die positie wilde Satan niet. Hij toch moest als redelijk en zedelijk wezen niet slechts alzoo bestaan, maar ook zoo zvillen bestaan. Hij moest, gelijk we reeds in ons vorig artikel aanstipten, door een daad van persoonlijk geloof, deze afhankelijke positie aanvaarden. Niet er zich in schikken, en er in berusten, maar ze aanvaarden, als zijn hoogste gelukzaligheid. En om dit nu te kunnen doen, moest wel in hem de voorstelling van het tegenovergestelde opkomen, en met volle heldere bewustheid door hem verworpen worden. Niet hij alleen toch heeft voor deze keuze gestaan. Voor die keuze stonden alle engelen. Ook Michael en Gabriel, gelijk we een vorig maal reeds opmerkten. Doch bij die keuze hebben deze andere engelen creatuur willen zijn; met volle bewustheid de door God hun geschapen positie aanvaard; en zijn door die eenige, en tevens eeuwige keuze, krachtens Gods genadebestel, in den staat der volstandigheid overgegaan, zoodat ze nu nimmer vervallen noch uitvallen konden. De zonde heeft op hen geen vat meer. Ze dienen God eeuwiglijk. Maar in die keuze nu juist, in die eerste, éénige en eeuwige keuze, koos Satan tegen God. Hij wilde die afhankelijke positie niet. Toen voor zijn geest de voorstelling voorbijging van het tegenovergestelde, heeft de hoovaardij zijns harten, die andere voorstelling schooner, wenschelijker, begeerlijker gekeurd. Hij heeft verworpen de positie die God hem geschapen had, en ^^i'özeu een positie, gelijk die hem in zijn eigen voorstelling toelachte. Niet de afhankelijke, maar de zelfstandige positie. Niet onder God, maar tegenover God.

Veranderde nu hiermee Satans positie ook in de werkelijkheid r Werd hij hierdoor nu metterdaad onafhankelijk!' Natuurlijk niet. : De waarheid was en bleef, dat ook Satan, als afhankelijk creatuur, in alles aan God onderworpen bleef. Zoo was de waarheid, en zoo bleef de waarheid. En al Satans zvillen en kiezen kon aan deze waarheid en werkelijkheid niets hoegenaamd veranderen. Al wat hij doen kon, was derhalve zich, als we ons zoo mogen uitdrukken, in een anderen toestand indrootnen; zich verbeelden dat het anders was; het zich op een tegenovergestelde wijze voorstellen; het alzoo in een leugenachtig beeld voor zich laten opdoemen. Daarom zegt Jezus, dat er van dit oogenblik af •sgeen tvaarheid ineer in hem zaas", d. w. z. de werkelijkheid bestond voor hem niet meer; daar had hij de oogen voor toegesloten; en hij leefde nu in een denkbeeldigen hemel en een denkbeeldige wereld, die hij uit zichzelf, uit zijn eigen gedachte, verzon en uitspon.

Die ^denkbeeldige - ivereld" was nu in alles het tegendeel van de werkelijke wereld. Ze was dus leugen en die leugen kwam Satan niet van elders toe, maar hij spon ze uit zich zelven uit. Vandaar dat Jezus er op volgen liet:

Als hij de leugen spreekt, soo spreekt hij uit zich zelven, want hij is de leugenverziniier en de vader van heel deze leugenachtige en' denkbeeldige wereld." Ea zoo kwam dan Waarheid ea. Leugen tegenover eikander te staan. De Waarheid a's de afspiegeling voor ons besef van de dingen in hemel en op aarde, gelijk ze werkelijk door God besteld waren; ea de Leugen als de afspiegeling van de denkbeeldige wereld, die alleen in Satans voorstelling bestond. Eu terwijl nu Jezus de Waarheid der dingen, die hij van zijn Vader gehoord had, aan de kinderen der menschen weer bekend maakte, en alzoo liua leerde hoe de dingen in hemel en op aarde metterdaad zijn, bleef Satan voortgaan ons met zijn denkbeeldige wereld te verleiden, opdat

1) De bedenking dat de Grieksche uitdrukking • oech liesléke, alleen bcleekencn zou: liij staat niet in de zmarkeiil, en dat er «/> / in zou liggen: liij is in de waarheid niet staande gebleven, 'n slechts ten. deele juist. De vorm van het perfectum drukt v/el c«n toestand uit, maar een toestand &amp; \(t\i^< i.ge-jo il et resultaat is van een daad of handeling. Bovendien, bij de andere opvatting zou Satan boos geschapen zijn j y/at niet kon. de dingen voor ons mochten staan, niet gelijk ze zijn, maar gelijk Satan ze verzonnen had.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 april 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Engelen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 april 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken