Bekijk het origineel

„Ben ik mijns broeders hoeder?”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Ben ik mijns broeders hoeder?”

9 minuten leestijd

En de Heere zeide tot Kaïn: aar is Habel, uw broeder ? En hij zeide; Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder? Gen. 4:9.

Indien er ooit sprake kan zijn van een »gevleugeld woord", dan komt wel aan Kaïn de droevej eere toe, zulk een de eeuwen tartend woord over zijn lippen te hebben uitgebracht.

Schier heel de historie der wereld ligt tusschen hem en ons in, en toch is het of zijn booze uitroep: »Ben ik mijns broeders hoeder? " in meer dan honderd talen overgezet, nog steeds wint in beteekenis, en nog snijdender dan ooit vroeger tot in de binnenkamer van ons hart doordringt.

Kaïn was in dien harden, stootenden uitroep zoo stuitend oprecht.

De zonde bestond nog te kort op aarde; ze kwam pas op; en had nog den tijd niet gevonden, om zich in het huichlend gewaad onkenbaar te maken.

Zooals ze in het vergiftigde hart opkwam, zóó giftig trad ze in het woord naar buiten.

Op den naaste toegepast, was de zonde de verstoring der liefde, de verbreking van den band, de verscheuring van allen geestelijken samenhang.

Abel was er, en Kaïn was er, en die beiden waren twee los naast elkaar geplaatste individuen. Zooals de gebergten van Ebal en Garizim elk op zichzelf tegenover elkander lagen, zoo ook stonden die twee. mannen, voor Kaïns besef, als twee machten tegenover elkander.

Abel hoefde voor hem niet te zorgen. Maar wat zou hij zich dan ook op zijn beurt om Abel bekreunen ? Als hij Abel verdeed, stond het voor hem. Kaïn, nóg beter. En daarom versloeg hij dien man, die tegenover hem stond. En na dien moord gevraagd, waar Abel was, draagt Kaïn het booze hart op zijn tong, en stelt roekeloos en rauwelings de ruwe wedervraag: sBen ik mijns broeders hoeder? "

In die vraag ligt alzoo principieel en onverbloemd de ontkenning, dat we saam^hooren; de loochening van de liefde die ons'saam moet binden; het stoppen van den mond aan de stem van het ééne bloed, dat in al wat mensch heet, roept; de uiteenrafeling van heel ons geslacht op aarde; de triomf van het egoïsme.

En overmits nu die worsteling van het egoïsme^ dat Satan inblaast, tegen de liefde, die God in onze harten uitstort, op eiken dag, in alle eeuw terugkeert, en woelt tusschen man en vrouw, tusschen ouders en kinderen, onder vrienden en magen, tusschen armen en rijken, tusschen wie loon biedt en loon trekt, kortom op heel het breede veld van het maatschappelijk leven, — daarom heeft Kaïns uitroep de eeuwen verduurd, is die uitroep als verweer of ter aanklacht, eeuw in eeuw uit, onder alle volk herhaald geworden, en wordt thans zelfs, nu het egoïsme den kop zoo driest opheft, da'; sBen ik mijns broeders hoeder? " almeer de leus, die de hoofd stroomingen van onzen tijd verdeelt.

Eenerzijds het egoïsme, met zijn koele berekening, den broeder niet achtend en alleen zichzelf bedoelend, en in den mensch, als loonslaaf, niet anders ziende, dan een vanzelf gegroeide machine, die gebruikt, en na gebruik weggeworpen wordt.

Marr ook anderzijds de sociale macht der liefde, die verbindt en saamstrengelt; die geen menschelijk lijden om zich vreemd acht; den broeder zoekt om zichzelven hem toe te wijden; en die, in den mensch nooit het schepsel Gods vergetend, steeds indachtig blijft aan de heilige ordinance, dat' God ons gesteld heeft opdat we onzen broeder tot een schutsengel, tot een verantwoordelijk beschermer, tot een broeder in al den rijken zin van dit woord zouden zijn.

Bij dien strijd doet zich echter dit vreemde voor, dat bij die broederhoede gedurig en op alle manier sprake valt van den meer verwijderden broeder^ en dat er op den naasten broeder nauwlijks wordt gelet.

Oorspronkelijk en in strengen zin is uw broeder toch alleen hij, die met u uit eenzelfden vader en eenzelfde moeder geboren is.

Van huis uit is de broederband een hiiislijke band.

Uw eigenlijke, uw naaste, uw volle broeders leven niet buiten u in de wereld, maar met u onder eenzelfde dak, met u aanzittende aan eenzelfde tafel, eenzelfde leven met u deelende.

En zie, terwijl nu ieder er den mond vol van heeft, dat men zijn broeders onder de heidenen door zending zoeken zal, en zijn broeders onder zijn landgenooten eeren, en zijn broeders onder de werklieden steunen, en zijn broeders onder de ellendigen en lijdenden vertroosten zal, is het al een zeldzame witte raaf, als ge, zelfs in de predikatie, de kinderen van eenzelfde huisgezin vermanen en op hoort wekken tot het oefenen van broeder-en zusterliefde onder elkander.

Dat keurt men overtollig. Dat hoeft niet meer gezegd te worden. Die soort huislijke broederliefde kweekt het huisgezin vanzelf aan; die plant zich door zelfzaaiing voort. Daar nog op aan te dringen ware een aanprediken van wat ieder toch reeds weet.

En, onderwijl als wrange vrucht van dat stilzwijgen juist die liefde onder de broeders en zusters van eenzelfden vader en eenzelfde moeder vaak, o, zooveel te wenschen overlaat, heeft men dan den mond vol van eèn algemeene, ver reikende, allen omvattende broederliefde, er niet aan denkend, dat ze dan nu, ja, wel zeer ver reikt, maar tegelijk al meer van zichzelve vervreemdt, tot schier niemand meer verstaat, wat toch in oorsprong en wezen de broederliefde is.

Is dit nu niet de averechtsche weg?

Tusschen broeders naar dn bloede komt immers in Abel en Kaïn de twist van het heilloos egoïsme op. De uitroep: »Ben ik mijns broeders hoe­ der? " is van een broeder naar den vleesche bedoeld. Alleen in den band des bloeds genomen is de uitdrukking: broeder^ eigenlijk. Op elk ander gebied is ze niet dan overdrachtelijk.

God zelf gaf het huisgezin; en in dat huisgezin het saamleven, om er den broederband in te doen opkomen, om er broeders in te doen saamleven, om er de broederliefde in te kweeken.

Da zonde heeft het eerst in zulk een huisgezin de broederliefde naar de hartader gestoken, en nog roept het bloed van Abel, dien Kaïn, zijn broeder, vermoordde, uit den aardbodem naar God.

En terwijl alzoo de broederliefde, niet in klank en woord, maar eigenlijk en wezenlijk door God zelf in het Imisgezin als macht is ingezet, om, slaat ze in broedertwist om, nogmaals van uit het huisgezin, vloek en oordeel over de wereld te brengen, zullen wij in onze ingebeelde wijsheid over allerlei soort en allerlei graad van broederliefde den mond vol hebben, en intusschen de broederliefde aan den huishaard, waar ze moet gekweekt en gekoesterd worden, wel niet vergeten, maar dan toch nauwlijks rekenen.

En toch ook hier zijn Gods ordinantiën niet te weerstaan,

In een land, bij een volk, waar het huislijk leven bloeit, en in dat bloeien des huislijken levens ook de band tusschen broeders en zusters sterk trekt, zal uit dit vriendelijk samenleven van mannenbroeders, een bindende kracht der liefde in heel de maatschappij uitgaan.

Maar ook omgekeerd, in een land en bij een volk, waar het huislijkïleven kwijnt, en broeders en zusters het saamleven als een last ondergaan, om zoodra de jaren komen uiteen te spatten en van elkander te vervreemden, daar zal de band der liefde ook in het maatschappelijk saamleven alle zegenende werking verliezen, en geheel het maatschappelijk samenstel door het koud egoïsme worden beheerscht.

Dat dan toch althans al zulke ouders, die den Doop voor hun kinderen inriepen, hier hun ernstige roeping begrijpen mochten, om van meet af, reeds bij het eerste opgroeien, die liefde des bloeds, die broederlijke verkleefdheid en aanhankelijkheid onder hun kinderen aan te kweeken.

Niet naar den boozen regel van selk voor zich, en God voor ons allen", maar naarMe stem des bloeds, waarin Gods heilige ordinaütie spreekt, opdat reeds het jonge kind beseffen moge, dat het met anderen, dat het voor anderen, dat het ook om anderen bestaat en leeft.

Want het is wel zoo, dat het bloed toch trekt, ook al schiet de opvoeding te kort, en dat bij ernstige ziekte, of als de dood tusschenbeide komt, zelfs in het meest verwaarloosde gezin die natuurlijke broederliefde nog wonderbaar uitkomt.

Maar hier staat tegenover, dat het feitelijke leven gedurig die broederliefde bedreigt, dat allerlei kleine belangen gedurig broeders en zusters tegen elkander stellen, en dat van deze schijnbaar onbeduidende huislijke twisten onder broeders en zusters een indruk op het karakter uitgaat, die straks uitbot in den nijd van het hart, in het bittere, booze woord, soms in feitelijke mishandeling.

Ook onder broeders en zusters is het spreekwoord waarachtig, dat het niet al goud is wat er blinkt. En al mogen de belijders^van den Christus nog in een rijker huislijk leven roemen, toch vergaapt zich üan schijn en blinddoekt zich voor de werkelijkheid, wie zich inbeeldt, dat in onze Christen huisgezinnen de geest van Kaïn nooit inkwam en de broedernijd nooit werd gekend.

En daarom, laat varen den waan, alsof de broederliefde een plante was, die zich vanzelf kweekte, en die uw teedere zorgen derven kon.

Integendeel, ook deze teedere plante wordt door zoo menig boos insect, en giitige schimmel bedreigd; ze derft zoo vaak het levenwekkende licht en de koesterende zomerwarmte; ze dreigt zoo dikwijls te verdorren in zomerdroogte of te verstijven van koude — dat ze niet kan bloeien, of ze moet met stille zorge, met een zorge die zich nooit verloochent, nagespeurd, geleid, gezuiverd en behoed worden.

In die zorge ligt der ouderen plicht jegens hun kroost, maar ook der kinderen plicht onderUng, vooral van de oudere jegens de jongere, van de zusters jegens haar broeders. Niet het minst dit laatste.

Of leert de ervaring niet, dat de band onder dt zusters in een zelfde gezin gemeenlijk veel enger bindt dan de band die de broeders moest omstrengelen ?

Vergelijkenderwijs hoort ge van broedernijd zooveel meer dan er ooit van zusternijd gefluisterd werd.

Dat komt omdat de zusters meer door het huiselijk leven omslotenzijn, minder eigen wegen bewandelen, en daardoor zooveel minder tegenover elkander komen te staan, terwijl haar broeders al spoedig de wereld ingaan, en omdat hun aard meer op het kiezen van eigen paden j^is aangelegd.

Vandaar dat juist de zusterliefde onderling, en hare lie^e waarmee ze haar bioederen omvangen, voor het bloeien der broederliefde in het huisgezin zoo ongemeene kracht bezit.

Dat dan toch onze jongedochters ook in dit stuk haar roeping mochten verstaan.

Want, ja, het is wel zoo, dat we het ook van Gods kerke zingen: sHoe lieflijk is 't als zonen van hetzelfde huis, als broeders samenwonen."

Maar opdat het geestelij/< waar zij, en God geve het, geestelijk steeds meer waar worde, blijft het toch vóór alle dingen eisch, dat het huislijk leven., waarvan het geestelijk beeld genomen is, zulk saamwonen van de zonen van een zelfde gezin vertoone.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 mei 1895

De Heraut | 4 Pagina's

„Ben ik mijns broeders hoeder?”

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 mei 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken