Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Getuigenis der Daberen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Getuigenis der Daberen.

4 minuten leestijd

Amsterdam, 10 Mei 1895.

I

GUIDO DE BRAY.

Er is onlangs op Ursinus en Olevianus en beroep gedaan, om deze beide opstellers an onzen Catechismus te laten optreden ala etuigen tegen de Gereformeeerde belijdenis an den Doop.

Hoe onjuist dit beroep was, is later aan e toonen.

We beginnen met tegenover dit onjuiste eroep den opsteller van onze Belijdenis te tellen.

Ursinus en Olevianus waren vreemdelingen, uido de Bres behoorde tot onze kerken.

Bovendien, Guido de Bres stierf als marlaar, en bezegelde zijn getuigenis met zijn bloed.

Ook, Guido de Bres schreef de Belijdenis, de Heldelberger is slechts een kerkelijk vraagboek.

En einuclijk, Cruiao ue ürca bcliauucit uc quaestie, waarover het loopt, breedvoerig en opzettelijk.

Hij schreef namelijk Tegen de Wederdoopers, en in dat boek nu lezen we op blz. 289», dat hij aldus de Wederdoopers aanspreekt: »Voorts aangaande dat gij zegt, dat de kleine kinderen der geloovigen niet kunnen wedergeboren zijn en dat er geen andere wedergeboorte is dan door het Woord, .. zulks verhindert niet datdekinderkens ook wedergeboren zijn, door de kracht des Hee ren, die ons onbegrijpelijk is."

Is dit nu duidelijk?

Doch hoor verder: Op blz. 290» lezen we: »De verderving van de aangeborea boosheid is in alle en over alle kinderen Adams uitgestort, en volgens dien zijn zij allen onder den vloek begrepen, uitgenomen de kinderen der geloovigen, die door Gods genadige aaimeming, en door de kracht der belofte en des Verbonds, van zulke verderfenisse verlost, geheiligd en wedergeboren zijn, hoewel de verderfelijkheid der natuur nog in hen blijft."

Doch dan komen de Doopers weer, en vragen: »Maar^jhoe zullen de kinderkens kunnen wedergeboren - worden, die noch goed noch kwaad onderkennen? " - «Waarop wij ant woorden, " zegt De Bres, »dat hoewel het werk Gods voor ons verstand verborgen is, zoo is het niettemin waar ... Het is zeker en gewis dat God de kinderkens zelf wederbaart, en maakt ze nieuwe creaturen." (p. 291a).

Dan gaat Guido de Bres met de Doopers spotten en zegt: »Maar ik wilde van ulieden wel weten, gij goede lieden, waarom dat de kinderkens niet zoowel bekwaam zijn, om de wedergeboorte te ontfangen, als ze bekvvaam zijn om de verderfelijkheid te ontvangen." (p. 291 b).

Al spottende gaat hij voort; »Zoo wanneer hij (Dierick Philips) ontkent, dat de kleine kinderkens kunnen wedergeboren worden, zoo verloochent hij met eenen, hetgeen dat hij zelf beleden heeft, t. w. dat ze in het bloed Christi gewasschen zijn. Ziet dan, wat dat voor een leeraar isl" (p, 292a).

Breed en uitvoerig zet hij dan zijn betoog op, en komt veertien bladzijden later tot deze conclusie: i'De kinderkens worden óók door Gods Geest vernieuwd naar de mate en de begrijpelijkheid huns ouderdoms. En deze Goddelijke kracht, die in hen verborgen is, wast en neemt allengskens toe, en vertoont zich te har er tijd klaar lijk" (p. 298(5).

Met opzicht tot de vele kinderen die jong wegsterven, zegt hij, blz. 299b:

«Meent gij dat God deze niet inwendiglijk tvederbaart, eer Hij die uit dit leven wegneemt? ”

Toch houde men wel in het oog, dat Guido de Bres de jong wegstervende kinderen slechts als voorbeeld bijbrengt, en het in hoofdzaak niet over hen, maar over de kinderkens der geloovigen in het algemeen heeft, en den grond aanwijst, waarom deze »als lidmaten van Christus" behooren gedoopt te worden.

Natuurlijk weet ook Guido de Bres zeer wel, dat niet alle kinderen van geloovige ouders daarom uitverkoren zijn, en voegt hij er deswege bij: i> die kinderkens die Hij zalig maakt" (p. 290b).

En ook ontkent Guido de Bres, zoomin als wij, dat God vrijmachtig is, en dat het dus ook kan voorkomen, dat iemand eerst later wedergeboren wordt.

Maar als regel, als grond voor den Doop, stelt hij steeds en allerwegen vast, dat wij, zonder desaangaande persoonlijke zekerheid voor elk kind, hoofd voor hoofd, te hebben, och de kinderen der geloovigen, die ten oop gepresenteerd worden, te beschouwen ebben als kinderkens, in wie inwendig het erste werk der genade reeds geschied is.

En zoo schreef nu de man die onze Beijdenis gesteld heeft, de martelaar in wiens oord onze Gereformeerde kerken de uitrukking van haar geloof bezegelden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 mei 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Getuigenis der Daberen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 mei 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken