Bekijk het origineel

Brutaliteit. Laatste Jesaiaansche wee u.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Brutaliteit. Laatste Jesaiaansche wee u.

8 minuten leestijd

Wee dengenen, die helden zijn om wijn ie drinken, en die kloeke mannen zijn om sterkeS drank te mengen! Jesaia 5 : 22.

Jesaia's laatste wee u! keert zich tegen.de Brtttaliteif^ die deels uit den overmoed., deels uit den 7)toedwil opkomend, aldus door den profeet geteekend wordt: » Wee dengenen., die helden zijn om wijn te drinken^ en. die kloeke mannen zijn., om sterken drank te mengen; die den goddelooze rechtvaardigen om een geschenk., en de gerechtigheid der rechtvctardigen van hen afwenden."

Zoo liggen dan nu de zes schalmen in deze vreeslijke keten voor ons. Eerst de Geldzucht. Uit de geldzucht komt de Weelde op. De weelde verlokt tot Brooddronkenheid. Hieruit wordt bij nuchterder overleg de opzettelijke Begripsvervalsching geboren. Die zedelijke begripsvervalsching loopt uit op Betweterij. En nu ten slotte prikkelt die betweterij lot wat we Brutaliteit noemen.

Die Brutatiteit heeft twee vormen, den éénen die op den persoon zelf ziet, en den tweeden die aangeeft hoe hij zijn naaste behandelt.

Brutaal wat zijn eigen persoon aangaat, is de man die over alles heen is, en nu zijn eer in zijn schande zoekt en roemt in het, kwaad. En brutaal tegen den naaste is wie als rechter den gerechte zijn recht onthoudt en den onschuldige veroordeelt.

Vandaar dat Jesaia deze tweeërlei uiting van brutaliteit in één wee u! saam vat. Een zelfde wee 11! voor wie er zich op beroemt, dat hij zoo en zooveel drinken kan, en.tegelijk voor den goddelooze, die als rechter zit en toch het recht verkracht.

En let er nu op, hoe al dit booze kwaad, aan het eind van den doorloopen weg, in zijn oorsprong terugkeert.

Met geldzticht begon het, en in rechtsverkrachting voor geld eindigt het.

Het geld, zegt men, is de zenuw van den oorlog, njaar het is ook de zenuw van de zonde in haar booze ontwikkeling.

Onder al haar ontwikkelingsvorraen is en blijft de geldzucht een wortel van alle kwaad.

Zoo lang in den mensch de worsteling tusschen goed en kwaad nog aanhoudt, loopt hij de zonde wel na, en geniet er in als hij ze grijpen kan, ma: ar met dat al heeft hij toch liever, dat het niet gemerkt wordt, en hUjft hij zijn best doen, om een goeden dunk van zich te vestigen.

Zoo dikwijls hij ontwaart, dat men hem voor een gewoon, maar toch eerbaar man houdt, is dit hem een oorzaak van blijdschap. En omgekeerd, bespeurt hij, dat men de schouders over hem ophaalt, of hem nafluistert, dan geeft hem dit angst.

Dit komt "daar vandaan, dat de mensch in dit eerste stadium der zonde nog met zijn conscicntie rekent, dat die conscientie hem bestraft en daardoor klein houdt, en dat^ alzoo door die hem vernederende conscientiewerking de overmoed nog wordt ten ondergehouden.

Maar komt hij in dit laatste stadium, dan staat dit alles zoo heel anders.

Hij is dan reeds lang over zijn conscientie heen. Er is een ontzindheid over hem gekomen. Zijn zedelijke smaak, zijn redelijk besef is ver valscht. Hij is de mensch van vroeger niet meer. Booze verwildering heeft zich van zijn , hart meester gemaakt.

Zijn goede naam was nu toch weg. Hij merkte het al duidelijker, hoe ieder hem nakeek En toen bedankte hij er ten slotte voor, om nog langer zijn oogen neer te slaan. Hij dorst ook wel, en brutaal weg zou hij nu voortaan zijn berispers met al hun lastige aanmerkingen, in de oogen zien. Wat zouden ze hem maken ?

Hij was minstens even goed als zij. Of eigenlijk welbezien, die achterklap kwam enkel van geniepige lieden, die bang waren om te zondigen, en die den moed misten om zich aan de zonde over te geven. Kleinzielige en klein geestige lafaards.

En nu, zoo'n lafaard was hij niet. Hij dorst wel terdege.'

In hem was moed, overmoed zelfs om voor aller oog de zonde aan te durven. Zie maar wat held hij was, om zich dronken te drinken aan den wijn, of om zich op te winden door den sterken drank.

En zeg nu niet, dat deze-brutaliteit van den overmoed een uitzondering is, want het is een feit, dat ze, vooral onder de jeugd, in alle wereldsche kringen rondspookt.

Om onder zijn makkers, om onder zijn kame-• raden als een hachje bekend te staan, om te durven wat een ander niet durft, pocht men er op, dat men drinken kan als een tempelier; dat men met namen en toenamen de plaatsen der • ontucht kent; dat men vloeken kan en durft als de ruwste; dat men in brutaliteit tegen zijn meesters en superieuren voor niemand onder doet; dat men in het booze kaartspel een matador is; dat men zijn vrienden of zijn schuldeischers op de laaghartigste wijze afscheept; dat men zijn vader het geld weet af te zetten; eerzame juffers brutaliseeren durft; en vooral dat men op het stuk der religie in spot en in ontkenning den puursten atheist te boven gaat.

Dat is het zich beroemen in het kwaad. Dat is het stellen van zijn eer in zijn schande.

En dit gaat dan zóóver, en daar is men zóótuk op, en daar legt men in zulke onheilige kringen een zóó. groote eer meê in, dat. men ten slotte zelfs zich beroemen gaat op zonden die men niet bedreven heeft, als had men er zich aan schuldig gemaakt.

Dat is het bluffen, het pochen, het opsnijden in de zonde.

Steeds al sterker vormen, waarin de brutaU teit haar duivelsch wezen openbaart.

Wat kwaad door dit brutaal-zijn voor iemands eigen persoon reeds gesticht wordt, is ongelooflijk.

Soms reeds bij knapen van veertien, vijftien jaar wordt er de ziel door vermoord.

Die knapen zijn dan wat eerzuchtig uitgevallen. Ze spelen graag onder hun kennissen de eerste viool. En nu merken ze, dat niets onder hen zoozeer opgeld doet, als dat durven zondigen ; dat voor niets uit den weg gaan; dat voor niets staan.

En dan prikkelt eerst de conscientie nog wel, en aarzelen ze.

Maar zegt dan een die reeds door de wol geverfd is, bij ongeluk: Kom^ gij durft toch niet! dan is die enkele gedachte, dat ze iets niet zouden durven^ dat ze dus zonder moed^ dat ze /((/zouden zijn, voor hen derwijs ondraaglijk, dat ze er tegen instuiven, en het nu eens toonen zullen, en zoo glijden ze in de diepte der zonde af.

Bij d; vrouw ontwaakt dat booze durven gemeenlijk eerst op wat later leeftijd.

Maar toch vergist ge u, zoo ge waant, dat deze brutaliteit der zonde alleen bij knapen en jonge mannen voorkomt.

Bij onze gehuwde mannen, én vrouwen, wordt ze evengoed, zij het ook in minder winderigen vorm aangetroffen.

Een enkel maal zelfs vindt ge een man met grijze haren, die er nog helsch genot in vindt, die brutaliteit der zonde bij de jongeren aan te moedigen.

Denk ook aan vloot en leger.

Van oudsher heeft het brutaalweg over de zonde praten en het in brutaliteit der zonde van anderen winnen, tot de zedeleer van oorlogsschip en kazerne behoord.

Heeft nu eenmaal deze brutaliteit van den overmoed diep genoeg wortel geschoten, dan slaat ze over in de brutaliteit van den moedwil, die het (? / anderen gemunt heeft.

Dat begint dan onder de jongens met een ander te plagen, te belachen, te sarren, en eindelijk, wat het volk noemt, te judassen. Een helsche kunst, waarin zelfs menig jongen van goeden huize het ongelooflijk ver gebracht heeft.

Wordt men dan ouder, en krijgt men in de maatschappij een zelfstandige positie, dan keert zich die moedwil der brutaliteit tegen eenieder waar men zekere macht over heeft, tegen zijn vrouw, zijn kinderen, zijn bedienden, zijn dienstboden, zijn schuldeischers.

Dan wordt deze brutale mensch in zijn kleine kringetje een tiran.

En is dit reeds schandelijk, toch komt het schandelijkste eerst, als zulk een moedwillig en brutaal persoon met breeder gezag bekleed wordt. Een rentmeester over de pachtboeren, een meesterknecht over de werklieden; een lui-• tenant over de troep; een burgemeester. over een dorp; of eindelijk een rechter over wie recht zoekt of wegens overtreding van het recht vervolgd wordt.

Dan toch verleidt diezelfde moedwil, die eigen tirannieke inborst, die niets achtende brutaliteit er al zulke personeii toe, om wilkeur voor recht, eigendunkelijk goedvinden voor rede te laten gelden, en in hun moedwil er lust aan te hebben, om willens en wetens het recht, dat immers/; «/lig moest zijn, te verkrachten.

Heel de profetie toont het u 'dan ook, hoe God de Heere steeds op den ; W< ; (AOT7 in den rechter als op het zekere, stellige teeken.wijst, dat de ondergang van een volk nabij is.

Wat er ook wankelt en waggelt, als het recht nog staande blijft, is er nog hope. ïEen koning, zegt Salomo, houdt het land staande (/wr ïw/iA" ïSion, aldus spreekt de Heere bij Jesaia, zal ^/fsr recht verlost worden." En als teeken van zijn welgevallen, belooft Hij aan zijn volk: sik zal u weer rechters geven als in het eerste."

En daarom, als de zonde zóó ver gaat, dat ze in brutaliteit, uit moedwil, zelfs het recht willens en wetens verkracht; erger nog die rechtsverkrachting gebruikt als schand-middel om zich te bevoordeelen; dan is het volk rijp voor het bederf; dan is er niets meer dat het kwaad stuiten kan; dan ^woelt er een gif luaar geen tegengif tegen bestaat.

Want vergeet het niet, dit kwaad sluipt nooit in de vierschaar, of het moet in huis en op school en in allerlei gezelschap eerst uitgebroed zijn.

Alle brutaliteit is in haar wortel, een zich er op beroemen, dat men geen mensch ontziet.

En wie geen mensch ontziet, is in den grond der zaak altoos een vermetele, die ook God niet vreest in zijn hart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Brutaliteit. Laatste Jesaiaansche wee u.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken