Bekijk het origineel

Van de Engelen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Engelen.

19 minuten leestijd

XXXV.

Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen? Hebr. i : 14.

De engelen hebben ten eerste God te loven; ze hebben ten tweede voor den naam huns Gods te strijden; en in de derde plaats hebben zé hun God te dienen. Natuurlijk kan men deze laatste twee niet in volstrekten zin van elkander afscheiden. TiQ krijg \% zélïeea dienst. Wie in den strijd meê optrekt, moet dienen. En evenmin kan men in zoo volstrekten zin onderscheiden wat de engelen voor God en wat ze voor ons menschen doen. Immers hun strijden voor God wordt telkens een strijden ten behoeve van Gods gunstgenooten. »Des Heeren engel schaart een onverwinbre legermacht rondom hem, die Gods wil betracht." En ook in Psalm 91 strekt de belofte: »Hij zal zijn engelen gebieden, dat ze u op de handen dragen" verder dan den Messias alleen. Wel hem 't eerst en in hoofdzaak. Maar in en onder en na hem toch ook zijn verlosten. De onderscheiding tusschen het loven, strijden en dienen, die we volgen, neme men derhalve gelijk ze bedoeld is, t. w. in het algemeen.

Bij dit dienen der engelen rijst nu aanstonds de alles beheerschende vraag, of God de Heere het werk zijner instandhouding en bestiering van heel de schepping, zelf rechtstreeks, of wel door den instrumenteelen dienst van engelen, uitricht. Om hierbij niet in verwarring te geraken, is het intusschen noodig, scherp te onderscheiden tusschen den geivonen en den buitengewonen dienst der engelen; en bega men niet de fout om uit wat bij dien buitengewonen dienst plaats greep, zonder meer, tot het gehalte enden aard van hun gewonen dienst te besluiten. Buitengewoon hebben de engelen gediend, en zullen ze nogmaals dienen, bij het werk van Gods bijzondere openbaring, waarvoor nu wel tijdelijk een pauze is ingetreden, maar die toch straks bij de wederkomst des Heeren in nieuwe teekenen en wonderen zal voortvaren; en ook bij die wederkomst van Christus en dat oordeel zullen de engelen nogmaals hun buiiengewonen dienst waarnemen. Nu is uit den aard der zaak juist die btutengewone dienst ons het meest bekend, springt het meest in het oog, en biedt u den meest grijpbaren vorm aan, terwijl ge over hun gewonen en normalen dienst niets anders hebt dan zeer algemeene aanduidingen. Dit nu heeft menigeen verlokt, om zijn denkbeelden over den dienst der engelen schier uitsluitend aan hun buitengezvonen dienst te verleenen, en alzoo een voorstelling van den dienst der engelen ingang te doen vinden, die met de ervaring van de geloovigen en met de gewone feiten des levens in strijd is.

Ter voorkoming van zulk een verwarring, en ter afsnijding van al zulk misverstand, houden we daarom beide uit elkaar. De buitengewone dienst der engelen zou niet voorgekomen zijn, indien de zonde niet ware ingetreden, en het Raadsbesluit der Genade niet tegen de zonde gereageerd had. Vandaar dat deze buitengewone dienst van engelen terstond intreedt na den val, toen de Cherub met het lemmet zich bij den ingang van den Hof plaatste, om dien te bewaken. En nu voorts ziet ge heel de Schrift door de engelen, op buitengewone wijze tusschenbeide treden, deels om Gods raad en wil aan te kondigen, deels om de onheilige machten tegen te staan, deels om zijn Christus in zijn volk te eeren en te beschermen. Verdervend treden ze over Sodom en Gomorra op, verdervend over Sanheribs leger, verdervend op Arauna's dorschvloer. Gods wil aankondigend bij Abraham en Jacob, bij Manoach, bij Zacharia, bij Maria, in het visioen van Zacharia en op Pathmos. En reddend en beschermend in de tenten der Patriarchen, als het volk uit Egypte trekt, in de woestijn omdoolt, de wet op Sinaï ontvangt, Kanaan binnentrekt, en met de heidenen worstelt. En geheel deze buitengewone engelendienst vindt zijn middenpunt in het dienen van den Christus, wiens komst zij aankondigen, wiens geboorte zij toezingen, dien zij dienen in de woestijn, ondersteunen in Gethsémané, wien zij den steen van het graf afwentelen, bij zijn opvaren ten hemel te gemoet snellen, en dien ze bij zijn wederkomst zullen verzeilen. Immers de Zoon des menschen zal verschijnen met zijne heilige engelen. En ook in afwachting van dien dag der dagen, hooren we hen in den hemel dankbaar een echo geven op het lied van het Lam dat geslacht is. Deze buitengewone dienst der enge'en begon in het Paradijs, strekt zich alzoo uit over eeuwen, en zal dan eerst een einde nemen, als de laatste vijand geveld is en God zijn zal »alles in allen". Dien buitengewonen dienst hebben ze vervuld in het Paradijs, bij de Patriarchen en in Palestina, maar ook in Egypte, in Babyion en in Griekenland, denkelijk ook bij den stokbewaarder te Philippi. Ze hebben dezen buitengewonen dienst meestal vervuld, na verschenen te zijn, d. w. z. na een zichtbare, waarneembare gestalte te hebben aangenomen, en die zichtbare gestalte was dan, zooverre we kunnen nagaan, altoos de gestalte van een mensch, zóó zelfs dat de personen aan wie ze verschenen, hen eerst voor een mensch aanzagen. Die verschijningsgestalte schiepen ze natuurlijk zelf niet, maar ontvingen ze te hunner beschikking van Hem, die alleen scheppen kan, en die gestalte bleef hun niet bij, maar loste zich weer op zoodra hun last volvoerd was. Die last bestond de ééne maal in het overbrengen van een boodschap, een aankondiging, een aanzegging van Gods raad en wil, zooals aan Abraham de geboorte van Isaak, aan Maria de geboorte van den Christus werd aangezegd. Een ander maal bestond de last in het oefenen van de wrake of ds straffe Gods, gelijk toen Sodom verwoest is, de worgengel in Egypte optrad, de pestilentie Jeruzalem sloeg, of ook Sanheribs leger - op eenmaal 80, 000 gedooden had te beweenen. Weer een ander maal is het een reddende last die hun is opgelegd, gelijk de uitleiding van Loth uit Sodom, van de jongelingen uit den brandenden oven, of van Petrus uit den kerker, het laatste tot tweemalen toe. Het is dus niet moeilijk zich van dezen hun buitengewonen dienst een algemeenen indruk te vormen, en er mag bijgevoegd, dat ze dezen dienst niet zonder kennis van zaken verrichten, en niet zonder heilige sympathie uitoefenen. Immers ze zijn zelven begeerig om in te zien in het heil, dat ze aankondigen, en als weer een zondaar bekeerd wordt, gaat er een gejuich op onder de engelen in den hemel. Verder dringen we in dezen buitengewonen dienst dan ook niet door. Een nadere bespreking van elk der gelegenheden waarbij de engelen Gods in dezen buitengewonen dienst optraden, hoort thuis in de heilige geschiedenis. Hier kan slechts gewezen worden op het algemeen karakter, dat deze buitengewone dienst dusver gedragen heeft, en nogmaals aan het einde der dagen dragen zal, als de Immanuël met zijne heilige engelen ten gerichte zal verschijnen.

We keeren daarom aanstonds tot den gewonen dienst der engelen terug, en herhalen de vraag, ot we ons Gods voorzienig bestuur hebben voor te stellen, als gemeenlijk door den instrumenteelen dienst der engelen uitgericht, of wel ais buiten hen omgaande en rechtstreeks werkende. Ge verstaat welk verschil hier bedoeld wordt. Als God iemand met een ziekte slaatj is het dan alzoo, dat God Almachtig door een woord zijns willens rechtstreeks die ziekte in ons doet opkomen, of wel bezigt Hij alsdan, om die ziekte in ons te werken, den dienst, den instrumenteelen dienst van een engel? En zoo ook wanneer God de Heere een - reddende, een beschermende daad te onzen behoeve uitricht, doet Hij zulks dan rechtstreeks door het woord zijner kracht, of wel gebruikt Hij dan daarbij een eugel als instrument of tusschenschakel r Of, aigemeener nog gezegd, als God de Heere, op wat punt ook, het lot der wereld, het lot ook van deze aarde, en op haar het lot van volken en personen bestuurt, regelt en bewerkt, hebben we ons dat dan voor te stellen als rechtstreeks door Gods wil en woord en kracht gewerkt, dan wel als uitgaande van God, maar uitgevoerd door den tusschenin tredenden dienst van zijn engelen ? Gemeenlijk stelt men het eerste. Men cijfert den dienst der engelen weg, dringt hen op zijde, en stelt zich alle actie die van God op ons uitgaat, als een onmiddellijk uitgaande actie voor. Het is voor ons besef als een bliksem die inslaat en als een stemme Gods die op de wateren is en tot ons'weerklinkt uit zijnen donder. Vraagt men nu daarentegen of deze voorstelling metterdaad strookt met wat God de Heere zelf ons in zijn Woord geopenbaard heeft, dan schijnt het moeilijk, om hierop in bevestigenden zin te antwoorden.

Vooreerst toch zou dan de vraag rijzen, waarom God de Heere dan ook in zijn buitengewone werkzaamheden niet evenzoo onmiddellijk was te werk gegaan, en waarom dan bij die buitengewone wonderwerken de tusschenkomst der engelen zoo telkens gebezigd en getoond wordt. Hoe diep ons de indruk van het spreken en handelen van een engel mocht zijn, de indruk zou altoos nóg dieper geweest zijn, indien gelijke stem en daad rechtstreeks van God ware uitgegaan. Ten tweede zien we hoe er in de Heilige Schrift zelve feitelijk onderscheid gemaakt wordt tusschen de rechtstreeksche en de middellijke daad Gods. Op Sinaï, het wordt ons herhaaldelijk op het hart gedrukt, mogen we de stem die sprak, ons niet anders voorstellen, dan als de stem van God zelf. Mozes komt hierop gedurig terug. Geen ander volk was als het volk van Israël, dat de stem van den levenden God uit het midden des vuurs gehoord had. Toen echter had Israël het niet kunnen uithouden, en zelf gebeden, dat God niet meer onmiddellijk, rechtstreeks, maar middellijk tot hen spreken mocht, gelijk dan ook geschied is. Wel hadden ook de engelen dienst gedaan, om de Wet in de hand des Middelaars te bestellen, maar dit mag nooit zóó verklaard, dat het rechtstreeksch spreken van God zelf er door zou worden weggenomen. En evenzoo lezen we na Israels val in de woes­ tijn, dat de Heere zelf zegt, dat Hij zijn rechtstreeksche tegenwoordigheid uit Israël weg zal nemen, en die instrumenteel door een dienst van engelen zal vervangen. »Ik zelf zal niet meer met u kunnen optrekken, maar ik zal mijnen Engel voor uw aangezicht zenden." Dit nu geelt den indruk, dat er tweeërlei mogelijk is, zoowel een rechtstreeksche daad van God, als een daad die instrumenteel door den dienst van een ci'eatuur gaat, en ook vaak door den dienst van een engel.

Ten derde kan kwalijk ontkend, dat hoe verder we in de kennis der natuur indringen, ons steeds meer blijkt, dat het oorzakelijk verband ook daar doorgaat, waar wij het ternauwernood vermoed hadden. Vooral op medisch gebied is dit steeds duidelijker geworden. Wat een ziekte was, en hoe een ziekte ontstond, begreep men niet. Wel als men kou had gevat of zich gekwetst had; maar niet hoe plotseling cholera, pestilentie, typhus en andere ziekten haar intocht hielden. Men sprak van besmetting, maar beproefde tevergeefs er zich iets bij voor te stellen. Thans echter heeft de microscoop ons in staat gesteld iets dieper en nauwkeuriger waar te nemen, wat er bij zulke ziekten in het menschelijk lichaam plaats grijpt, en heeft men gezien, dat er een soort wezentjes waren, die men dan bacillen of microben noemt, die zich zeer snel vermenigvuldigden, en die met het optreden en verdwijnen van de ziekte verband hielden. Hiermee is men er natuurlijk nog niet, want van waar komen nu deze bacillen, hoe komen ze zoo plotseling op, om dan weer jarenlang weg te blijven, en boverial wie zendt deze bacillen op den één af, om ze den ander te doen voorbijgaan? Maar toch, al moet achter die bacillen een nog veel dieper oorzaak liggen, toch is onze kennis weer een schrede vooruitgekomen, en heeft getoond, dat al zulke ziekte, die wij rechtstreeks poogden te verklaren, metterdaad middellijk verklaard moet worden. En dit nu is zoo op elk gebied, zelfs ten opzichte van de verschijnselen die in de lucht \óorkomen, zoodat het naspeuren van wind en storm reeds ten deele geslaagd is. Bij den landbouw deed men dezelfde ervaring op; minder goed gewas, mislukte oogst, en zooveel meer, dat men vroeger rechtstreeks verklaarde, blijkt nu tusschenintredende oorzaken te hebben. Zelfs op het gebied van het zieleleven komt men al meer tot de overtuiging, dat én het lichaam én de nawerking uit vroegere geslachten op den geestelijken toestand van wie nu leven inwerken, ja, dat voortgezet zielkundig onderzoek, ons almeer de waarheid zal bevestigen, dat de Arminiaansche voorstelling, alsof de ziel een vermogen zonder oorzakelijk verband ware, eenvoudig op onkunde en inbeelding berust. Schier op elk gebied, omhoog en omlaag, in het grof stoffelijke en in het fijn geestelijke, blijkt het almeer, dat er geval noch toeval, fortuin noch geluk bestaat, maar dat het alles zich beweegt naar raderen en veeren, die bewogen worden door vaste krachten, gestuurd en beheerscht naar het systematisch beleid van Hem, dien we als onzen Vadsr in de hemelen aanbidden.

Reeds op deze drie gronden zouden we er daarom toe neigen, om meer dan dusver zekere plaats in te ruimen aan de voorstelling, dat het Voorzienig bestuur van den Heere onzen God niet met gewelddadige sprongen of reuzenschreden noch ook evenals in de Schepping onmiddellijk en rechtstreeks werkt, maar trilt langs geleidingen in het creatuurlijke, die zich van hooger naar lager toe bewegen, en waarbij alzoo ook de engelen een instrumenteelen dienst vervullen. En hier komt nu bij, dat de Heilige Schrift ons althans enkele uitspraken van meer algemeen karakter voorlegt, die deze voorstelling eer bevestigen, dan veroordeelen. Tot deze uitspraken behoort allereerst, wat in Hebr, i : 14 gezegd wordt, »dat de engelen tot dienst bestemde geesten zijn, die uit worden gezonden om dergenen wil, die de zaligheid beerven zullen". Dit te beperken tot die enkele uitverkorenen, aan wie een engel verschenen is, gaat niet aan, en doet aan het woord van den apostel geweld aan. Alles te zaam genomen zijn er nog geen vijftig personen, aan wie persoonlijk zulk een engel verschijning, in verband met hun zaligheid, verschenen is, en hoe zou men dan zeggen kunnen, dat de engelen uit worden gezonden om dergenen wil die de zaligheid beërven zullen? Dit zeggen is gansch algemeen en moet dus ook algemeen verstaan worden. Ongetwijfeld ligt hier dus in opgesloten dat er niet één uitverkorene is, die de zaligheid beërven zal, zonder dat bij dit werk der genade de dienst van engelen gebezigd wordt. Hetzij dan zulk een uitverkorene sterft oud en wel bedaagd zijnde, of reeds van de wieg het oogelijn voor het levenslicht sluit, zoomin in het ééne als in het andere geval kan de dienst van engelen geloochend worden.

Van een algemeene strekking is evenzeer wat onze Heiland zegt, dat »de engelen van de kinderkens altijd zien het aangezicht van zijnen Vader die in de hemelen is". Dat zeer bepaaldelijk de engelen van de kinderkens, die zalig zvorden, bedoeld zijn, blijkt uit het verband. Er is sprake van »de kleinen". En met het oog op deze kleinen zegt Jezus nu: gt; Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht, want ik zeg u, dat hunne engelen altijd zien, " enz, Jezus stelt dus zeker persoonlijk verband tusschen deze engelen en die kleinen, en duidt ze daarom als de engelen dezer kleinen aan. In verband nu met Hebr. i : 14 wijst dit er op, dat de engelen die voor Gods troon staan zekere gestadige bemoeienis hebben met de uitverkorenen op aarde, ook al zijn ze nog tot de kleinen te rekenen. Dit is op zichzelf nog volstrekt niet de leer van een beschermengel. Daaronder toch verstaat men een engel die het bijzonderlijk voor ons opneemt en bij God voor ons zorgt; terwijl in Matth. 18:10 veeleer geleerd wordt, é& t God zelf voor zijn uitverkorenen zorgt door een engel. We ontkenhen daarom niet, dat er ook in den hemel onder Gods engelen verdeeling van arbeid is. Eer zou het tegendeel ondenkbaar zijn, en de beeldspraak van slagorde, legerschare, enz. die gedurig voorkomt, wijst allerminst op een chaotische verwarring. Men zal dus zeer zeker wel hebben aan te nemen, dat de dienst der engelen ten opzichte van de uitverkorenen, en ook van de kleinen onder hen, geregeld, verdeeld en geordend is, zoodat niet alle engelen tegelijk voor allen, maar een bepaalde engel voor een aangewezen persoon te zorgen heeft, lietzij duurzaam, hetzij tijdelijk. Maar ook bij dezen persoonlijken dienst, dien ze aan Gods uitverkorenen bewijzen, zijn het niet de engelen die dit uit eigen keuze, uit eigen beweging, uit eigen sympathie doen, en die nu voor ons optreden, om onze zaak bij God voor te staan; maar is het omgekeerd onze Vader in den hemel zelf, die één engel of meerdere engelen in dienst stelt, ons toebeschikt, en hun gelast dat ze op deze en die wijze ons dienen zullen. Slechts zij hierbij opgemerkt,

dat deze dienst der engelen geen dienst als van machinale knechten is, maar veeleer de dienst van hooge, goddelijke ambtenaren, die met eigen besef op onze nooden ingaan, en ze zelven op het hart dragen. Vandaar dat de engelen dan ook gezegd worden voor de menschen te bidden. InZach. i : 12 is het een uitgezonden engel die voor Jeruzalem bidt, dat God zich over de heilige stad mocht ontfermen. En in Openb. 8 : 2 en 3 is het een engel die de gebeden der heiligen voor God draagt. Al is het toch zoo, dat in Zach. i : 12 de »engel des Heeren" bidt, en men dit bidden alzoo in de voorbede van Messias kan doen invloeien, toch blijkt uit hun juichen, als er een zondaar bekeerd wordt, genoegzaam, dat ze allerminst werktuiglijk dienen, maar met hun hart er bij zijn, en de nooden van Gods uitverkorenen zelf in hun geestelijk besef opnemen.

Voeg hier nu in de laatste plaats nog bij de zoo verrassende uitspraak van Jezus in Luk. 16 : 22, dat de arme Lazarus, toen hij stierf, van de engelen Gods gedragen werd hl Abrahams schoot, en ge kunt niet ontkomen aan de erkentenis, dat de Heilige Schrift wel terdege een gestadige en tot het einde toe doorgaande, bemoeienis van Gods engelen, en dan natuurlijk van bepaalde engelen, met Gods uitverkorenen leert. Immers Jezus vlecht dien trek in een gelijkenis, in wier voorstelling hij geheel vrij was. Hij vlecht er dien trek in, zonder dat iets er toe dwong. Te zeggen dat ook Lazarus stierf, ware op zich zelf voor het verhaal voldoende geweest. Maar zie, ons ter bemoediging en ter vertroosting ook in ons sterven, zegt de Heiland er nu geheel eigener beweging bij, dat de engelen Gods ook in ons sterven bij ons zijn, en na ons sterven, Gods uitverkorenen als in triomf ten hemel indragen. Niet natuurlijk alsof ze dan een zichtbare gestalte aannamen. Ze zijn en blijven geesten. Maar als geesten zijn ze dan toch in het sterven den geest van Gods kind nabij, komen hem tegemoet bij zijn ingang in het Vaderhuis, en voeren hem Gods hemel binnen.

Over den geivonen dienst der engelen bij Gods uitverkorenen kan alzoo moeielijk verschil van gevoelen bestaan; de Schrift spreekt hier duidelijk. Niet juist van een engel die apart voor u zou zijn, alsof de overige engelen u niet aangingen. Niet één engel haalt u bij uw sterven at, maar vele engelen. Niet één engel heeft gejuicht, toen ge u eindelijk bekeerd hebt, maar meerdere engelen. En evenmin kunnen we zeggen, dat de bepaalde engelen die ons bijstaan, altoos dezelfde engelen zijn. Daarin blijft God de Heere'vrij. Hij kan bij u of bij mij altoos dezelfde engelen. Hij kan ook bij afwisseling, naar den aard van onze nooden, andere engelen bezigen, ' mits het feit maar vaststa, en niet ontkend worde, dïit Gocf de Heere zijn genadewerkingen aan zijn uitverkorenen zóó inricht, dat de dienst zijner engelen, en dan natuurlijk van bepaald aangewezen, engelen hierbij voorkomt, hi ons laatste: artikel zal nog nader blijken, hoe ditln^^verband staat niet den dienst dien Satans engelen ter onzer verleiding en verzoeking en om onze zielen te moorden als we uitglijden, ïhans stippen we dit slechts aan. Er alleen nog aan toevoegende, hoe uiteraard deze dienst der engelen, zoowel op ons lichamelijk leven als op ons zielsleven betrekking heeft. Al is en büjft toch de engel een geest, dit belet hem even weinig ook op ons lichaam ia te werken, als onze ziel, omdat ze geest is, deswege niet door den rvil onze spieren en zenuwen zou kunnen beheerschen.

Komt men nu echter tot de laatste vraag, die vooral den laatsten tijd veel verhandeld is, of namelijk deze dienst der engelen zich uitsluitend tot de uitverkorenen bepaalt, en dus geen betrekking zou hebben op andere menschen, noch ook op de krachten en elementen der natuur, dan neigen vve er sterk toe, om tegen deze uitsluitende voorstelling te kiezen, al geven we volgaarne toe, dat deze dienst der engelen alleen ten opzichte van Gods uitverkorenen, dit bepaalde en teedere karakter dr-aagt. Niet dan zeer schuchterlijk spreken we ons hierover uit, overmits de Heilige Schrift dit vraagstuk niet bepaaldelijk aanroert, en toch is het op de Schrift alleen, dat onze kennis ten deze rust. Was toch de dienst der engelen uitsluitend tot de zaliging der uitverkorenen bepaald, dan zou het engelenheir, stel de mensch wzx^^iet gevallen, ^-^«^ dienst gehad hebben, en als eens de zaliging der uitverkorenen voltooid zal zijn, geen dienst meer hebben. En dit nu is ondenkbaar. Zulk een wereld van heilige wezens is niet in het leven geroepen zonder een heerlijke, altijd voortgaande levenstaak. Waar ten andere dit nog bijkomt, dat de dienst der engelen bij Gods uitverkorenen uiteraard met het leven met andere menschen, en met hun leven in de natuur saamhangt. Ware alzoo de dienst der engelen van het leven der overige menschen en van i\et leven der natuur en der elementen afgesloten, ZÜO zouden ze ook iuui dienst bij de uitverkorenen niet volbrengen kunnen. Op deze gronden staat het voor ons vast, dat de iiistrunienteele dienst der engelen in het Voorzienigheidsbestuur zich naar alle deelen der schepping uitstrekt, al vermeten we ons niet te zeggen, of dit, na afloop der schepping, allerwegen en altoos zoo is, en veel min nog om de wijze te bepalen, waarop deze instrumenteele dienst der engelen plaats grijpt. Waar de Schrift zwijgt, zwijgen ook wij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 juni 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Engelen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 juni 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken