Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Tucht en Doop.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Tucht en Doop.

9 minuten leestijd

VI

Ons vorig artikel heeft de practijk onzer vaderen in het minst niet gespaard, maar onomwonden uitgesproken, dat, vooral na 1618, de verleiding der Volkskerk ook hun parten heeft gespeeld.

Intusschen mogen de voorstanders van het stelsel der vrije kerk wel toezien, dat ze in dit opzicht over de vaderen gesa onrechtvaardig oordeel vellen.

De toenmalige verhoudingen - in Europa brachten teweeg, dat de geheele Europeesche politiek door de religie-quaestie beheerscht werd. Het stond Roomsch tegen Protestant. En indien het destijds aan de Protestantsche mogendheden niet gelukt was, te land en ter zee, de Roomsche mogendheden met de wapenen te weerstaan en af te slaan, zoo zou het met de vrijheid der religie gedaan zijn geweest.

Die gespannen verhoudingen buitenaf hadden allengs ook invloed op de binnenlandsche verhoudingen.

Niet in de eerste periode, maar wel in de latere periode van onzej worsteling, ontstond de vrees, dat de Roomschen hier te lande heimelijk de partij van Spanje begunstigden. Daaruit werd de behoefte geboren, om althans de meerderheid der bevolking in de Gereformeerde Staatskerk te lokken, en Noord-Brabant c. a. buiten de Unie te houden.

Bezorgdheid voor 's lands veiligheid dreef ten deze, zoowel de Kerk als de Overheid, en die Overheid onder beide fractiën.

Men zag geen kans om het vol te houden, als de Gereformeerde kerken, die eerst slechts één tiende der bevolking herbergden, het niet brachten tot over de helft.

Dat heeft toen geleid tot de geweldige reformatie van heel wat kerken in Drente en Groningen, en het is uit dien zelfden drang dat men zich den weerzin te verklaren heeft, om door te strenge tucht de kerken te zeer te ontvolken.

Martinist en Baptist, en al wie maar even kon, moest gelokt en in de kerk opgenomen. Het moest vooral één groote kerk zijn. Een kerk die zoo mogelijk heel de bevolking omvatte.

Eerst zóó gevoelde men zich in Europa, gevoelde men zich tegen Spanje, veilig.

Nu zeggen we niet, dat we daarom deze practijk goedkeuren. Soms moet men voorzeker uit nood handelen. Maar ook dan heiligt toch het doel de middelen nooit. Eu maar al te bitter hebben de Gereformeerde kerken dan ook later ervaren, waar het op uitloopt, als men zijn kracht gaat zoeken in het cijfer 'm stee van in de belijdenis.

Met gansche hoopen zijn al die ongereformcerde en anti-gereformeerde elementen toen in den heiligen kring binnengedrongen, en toen ze er waren hebben ze er den baas gespeeld, het Gereformeerde element teruggedrongen, en ten slotte aan de echte geesteskinderen onzer vaderen geen andere keuze gelaten, dan om alle privileges prijs te geven, en het bedreigde leven der kerken te redden.

Nu lag het in den aard der zaak, dat vooral de Doop hier het kwaad voedde.

Als men belijdenis deed, moest men altoos nog meer of min de Gereformeerde belijdenis beamen, en kwam altoos onder zekere tucht. Maar ook zonder dat kon men enkel door Doop in de kerk zijn. Dan deed men eenvoudig geen belijdenis. Liep daardoor alle tucht vrij. Om kerkelijke rechten bekreunde men zich niet. En als men zelf maar gedoopt was, kon immers ook zijn kind gedoopt worden. Zoo liep alles vanzelf.

En dat nu zelfs ernstige leeraars zich hier niet tegen verzett'en, lag bijna uitsluitend aan de valsche redeneering, die reeds op de Synode van Dordt, rakende de Indische kinderen, opdook.

Die redeneering was deze: Doop ze maar, dan krijgt ge hun opvoeding in de macht. Door die opvoeding maaltt ge het volgende geslacht dan vanzelf Gereformeerd. En over twee, drie geslachten verkrijgt ge één schoon, rustig, 'Gereformeerd Sion in deze landen.

Zoo werd de Doop als Sacrament losgelaten, en veranderd in zeker paedagogisch middel, om zich van de opvoeding der jeugd te verzekeren.

Dit door en door valsche stelsel nu vond reeds op de Synode van Dordt verdedigers, maar is toen gelukkig nog door het krachtig optreden vooral van Voetius gekeerd.

Later echter sloop het toch weer in, juist zooals het nu reeds langen tijd bij de Zending heerschte.

Ook bij de Zending onder Heidenen en Mahomedanen toch mag men volwassenen niet dan na belijdenis doopen, op onderstelling van wedergeboorte, gelijk die uit die belijdenis en uit den wandel wordt opgemaakt ; met wat onze vaderen noemden ^een fundam^enteele gissing."

De practijk daarentegen is ook nu weer, dat men op de Zendingsstations doopt al wie zekere toeneiging openbaart, zekere verklaring doet, en om den Doop vraagt. En dit verdedigt men ook nu weer met te zeggen: Zoo doopen we eerst de ouden, dan krijgen we hen onder onzen invloed, en hun kinderen op school, en in het tweede geslacht inoet er aldus de kerk uitkomen.

Ook hier derhalve het sacramenteel karakter van den Doop losgelaten, en er een paedagogische bedoeling voor in de plaats gesteld.

Doch al laat zich de latere lakse practijk der vaderen voor geen gering deel uit deze verkeerde bron verklaren, toch is hiermee volstrekt nog niet alles gezegd.

Integendeel, de practijk der vaderen, die schijnbaar van den vasten regel vaak afweek, werd ook beheerscht door overwegingen, die alleszins te rechtvaardigen zijn, en die ook wij niet uit het oog mogen verliezen. En dat wel overwegingen die juist uit den aard van het heilig Doopsel werden afgeleid.

Zij oordeelden, en dat volkomen te recht, dat de Doop niet toebediend werd, om door die handeling iemand lid der gemeente van Christus te maken, ' maar heel anders, om door dien Doop te constateeren, dat hij het •was, eer hij gedoopt werd.

» Bekent gij niet dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten zijner gemeente, behooren gedoopt te wezen? "

Een gedoopt persoon gold dus voor een geloovige, zoolang de kerkeraad niet anders en nader over hem geoordeeld had, ook al deed hij geen belijdenis, en al kwam hij niet ten heilig Avondmaal.

Gold hij nu als seen geloovige, " dan behoorde ook zijn kindeke tot de »kinderkens der geloovigen", en mocht alzoo ook aan dat kindeke het Sacrament van den Doop niet geweigerd worden.

Vandaar dat de regel niet werd, en niet kon, noch mocht worden: »Wij, kerk, doopen alleen de kinderkens van hen die ten Avondmaal zijn toegelaten"; maar dat de regel moest zijn; Wij doopen ook de kinderen van hen die als zelven gedoopt, en niet door de kerk gedisqualificeerd, onder de geloovigen te rekenen zijn.

Dit was geen uitweg, dien men zocht, maar een noodzakelijk gevolg van de ware belijdenis des Doops.

Zoo moest de regel, hij mocht niet anders gesteld.

Deze regel zou anders geweest zijn, als men gezegd . had: »Als wij, kerk, iemand doopen, beschouwen wij hem 7iiet als een geloovige, maar nemen hem in ons kerkverband slechts op, om te zien, of wij er een geloovige vaxi maken kunnen".

Zoo echter kon wel een Remonstrantsche, maar niet een Gereformeerde kerk spreken.

Zou ze toch haar belijdenis getrouw blijven, dan moest de Doop van »de lundamenteele gissing van geloof' ('t zij dan daadwerkelijk geloof of geloofsvermogen) uitgaan, en kon van het denkbeeld om van iemand eeti geloovige te maken, geen sprake zijn.

Wie verkeerd dacht, stelde het zich voor, dat iemand eerst door zijn belijdenis een geloovige werd, wie Gereformeerd beleed, zag in, dat iemand reeds in den Doop als een geloovige voorkomt.

Hieruit zou nu niet het minste ongerief geboren zijn, indien de kerk de tucht had gehandhaafd ook ten opzichte van hen, die, na gedoopt te zijn, als kind, op later leeftijd niet tot belijdenis kwamen. Maar dit kwaad moest er wel uit voortkomen, toen, de kerken de tucht verslappen lieten, en bij personen, die hoewel als kind gedoopt, toch later niet tot belijdenis kwamen, zelfs aan geen lucht dachten.

Zoodoende toch kwam er een breede catfgorij van personen, die gedoopt en volwassen in de kerk leefden, maar buiten belijdenis. Avondmaal en tucht bleven, en wier kinderen krachtens den Verbondseisch tcch moesten gedoopt worden.

Immers de gedoopten golden, zoolang de kerken geen inspraak maakten, allen voor ïgeloovigen" in kerkdijken zin.

En dit nu strekte zelfs nog verder.

Een punt waarvoor we wel de aandacht vragen.

Men zegt namelijk wel eens, dat bij den Kinderdoop niet alleen te vragen is naar de ïuaaststaande ouders, " maar dat ook moet gevraagd naar de grootouders.

En dit is ook zoo, maar zij die dit beamen, toonen blijkbaar niet gevat te hebben, waarop deze regel steunt.

Men beeldt zich in dat dit rust op de overtuiging, dat de genade in geslachten rust, en dus ook de geslachten kan overspringen. Iets wat men dan vooral met het voorbeeld van de koningen van Juda staaft.

Dit feit nu geven we natuurlijk grif toe. Alleen maar men vergist zich, zoo men waant, dat hierop het kerkelijk recht van den Doop steunt.

Het kerkelijk recht van den Doop rust evenals alle kerkelijke handelingen wel op geestelijke onderstellingen, maar die geestelijke onderstellingen worden door de kerk nooit anders geconstateerd dan op grond van zvaarneembare feiten.

De zaak ligt dan ook kerkelijk ders.

De kerkelijke redeneering is deze: Als A in de kerk als geloovige bekend stond, en hij krijgt een zoon B, dan wprdt die zoon B als zijn kind, d. i. als »het kind van een geloovige" gedoopt. Als kind van een geloovige gedoopt zijnde, wordt B evenzoo in de kerk als een »geloovige" erkend, zoolang de kerk geen inspraak maakt. Krijgt nu ook B een zoon C, dan geldt bij C dezelfde regel. En komt het nu voor, dat B of ontvalt door den dood, of den Doop verwaarloost, dan gaat de kerk van C rechtstreeks op A terug, en laat dtn grootvader optreden.

Edoch altoos met den tusschenschakel, dat B zelf als uit A geboren voor de kerk als »geloovige" gold, en dat alzoo C uitB geboren, als het »kind van een geloovige'' te doopen is.

Hier is dan ook niets tegen in te brengen, en al de schuld ligt hier aan de kerk, die B, als uit A geboren, niet nader beoordeeld en gekeurd heeft.

Juist nu deze ongeestelijke practijken leidden tot een geestelijke reactie, die met name in Ds. De Herder, van Bleiswijk, aan het woord kwam.

Daarover een volgend maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 17 November 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Tucht en Doop.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 17 November 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken