Bekijk het origineel

Van be gemeene Gratie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van be gemeene Gratie

18 minuten leestijd

XIX.

Alleenlijk zie, dit heb ik gevonden, dat God den mensch recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht. Pred. 7 : ï9-

Is nu het Gereformeerde hoofdpunt, dat ook onze schepping naar den heelde Gods niet om den mensch, maar om God plaats greep, scherp in het oog gevat, dan valt hieruit vanzelf licht op de »oorspronkelijke gerechtigheid". Wie een spiegel heeft af te leveren, moet dien afleveren in onbewolkte zuiverheid, zoodat de eigenaar er zijn beeld, zooveel als de natuur van het met kwik gedekte glas slechts even toelaat, volkomen in ziet afgekaatst. Later moge, uit wat oorzaak ook, het glas bersten krijgen, oi het kwikzilver aanslaan, maar dit mag niet zoo zijn bij de aflevering. Bij de leverantie moet de spiegel in orde zijn, en mag er, om een volksterm te gebruiken, niets aan mankeeren. Dit vooreerst. Maar ook ten andere moet de afgeleverde spiegel gaaf zijn. Een afgeholpen gebrek blijft een gebrek. En wie een spiegel ontving, die wel zuiver spiegelde, maar waarvan een gedeelte onklaar was geweest, maar zóó, dat uiterst kunstig over dat onklare gedeelte een dun, fijn gepolijst stuk glas ware heengedekt, zou, zoodra hij dit merkte, weigeren dien spiegel aan te nemen. Of nu de spiegelmaker zulk een spiegel op bestelling voor een ander, of wel voor zich zelven, had gemaakt, brengt hierin uiteraard geen verandering. Ook aan een spiegel voor eigen gebruik zou hij, mits hij spiegelmaker met eere ware, den dubbelen eisch moeten stellen, i". dat hij er zijn beeld zóó zuiver in zien kon als de aard en natuur van het glas toeliet; en 2°. dat de spiegel deze werking deed, zonder bijgeknutsel, door zuivere formatie, zóó dat het, om een fabrieksterm te bezigen, bekijks kon velen.

Welnu, juist zoo staat het hier. In de schepping des menschen maakt God voor zich zelven een spiegel, waarin Hij zijn eigen beeld aanschouwen wil, zóó zuiver als de aard van het creatuurlijke dit mogelijk maakt. Hij is daarbij niet, gelijk de sjjiegelmaker, afhankelijk van glas en kwikzilver, dat reeds bestaat, maar vormt zelf dat glas en kwik, naardat Hij het voor deze zijn schepping van noode hceit. En daarom nu zou deze schepping Gode onwaardig en mislukt zijn geweest, indien niet, zoodra Adam gereed was, God in Adam, als in een spiegel zuiverlijk de weerkaatsing van zijn eigen beeld had gezien. Dat zuivere, dat volkomene der weerkaatsing nu, drukken de kerken uit door te spreken van Adams schepping in »oorspronkelijke gerechtigheid." Dat deze afspiegeling en weerkaatsing later onzuiver kon worden, en geworden is, raakt een geheel andere quaestie, en heeft niets uitstaande met de volmaaktheid van het werk van den Schepper als zoodanig. Wat moet vastgehouden is alleen, dat op het oogenblik toen de mensch uit Gods scheppingshand voortkwam, er in den mensch datgene was, waarom God hem schiep, d. w. z. dat God er zuiverlijk zijn beeld in aanschouwde. Creatuurlij k, dat spreekt vanzelf, maar dan toch met al die zuiverheid, die in het creatuurlijke bestaanbaar is. En nu ten andere. Het product van Gods schepping in den mensch, moest zuiverlijk werken, niet dank zij reparatie en bijgeknutsel, zoodat de mensch eigenlijk de weerkaatsing niet gaf, maar God door een hulpmiddel dat gebrek verhielp, gelijk Bellarminus het leert, maar zuiverlijk werken zqnder eenig opplaksel of bijvoegsel. Had eenig schepsel beproefd zulk een resultaat te verkrijgen, - en ware dit gebrekkig gebleven, dan laat het zich denken, dat God dit aangevuld en verbeterd had, maar het strijdt met de volkomenheid van den Schepper en met de gaafheid van het scheppingswerk, om zich God voor te stellen, als afleverend een eigenlijk ongaaf creatuur, dat Hij om het ongave onschadelijk te maken, voorziet van een omkleedsel of hulpveer. En uit dien hoofde is het, dat onze kerken niet slechts in Adam de «oorspronkelijke gerechtigheid" beleden, maar bovendien, tegenover Rome, staande hielden, dat deze »oorspronkelijke gerechtigheid" niet bij zijn natuur bijkwam, maar organisch met zijn natuur samenhing. Adam, om een ander beeld te gebruiken, was in zijn oorspronkelijken staat, niet een rozenstruik zonder rozenknop, waar een ruiker met rozenknoppen aan was vastgebonden, maar een struik met knoppen die aan den struik hoorden. Zoo blijft het er bij, dat ook van den pas geschapen mensch geldt dat God zag dat hij isecr goed was (Gen I ; 8i), en 'voorts dé uitspraak: ^Gód heef den mensch recht gemaakt", die ons in Pred. 7 : 29 geboekt staat.

God wilde alzoo een beeld van Zichzelven in zijn schepping aanschouwen, en deswege schiep Hij den mensch in »oorspronkelijke gerechtigheid" en die «oorspronkelijke gerechtigheid" in, niet bij zijn natuur. Bij dit laatste rijst intusschen een vraag, die, al knnnen wij haar niet stelliglijk beantwoorden, toch onder de oogen moet worden gezien. Komen we op den rozenstruik met de knoppen terug. Voor ons zijn aan dien struik geen knoppen denkbaar, tenzij we ons voorstellen, dat eerst die struik opschoot, en dat uit de twijgen van dien struik de knoppen zijn uitgeloopen. Alleszins begrijpelijk is het daarom, dat men, aan de schepping toegekomen, het zich liefst zóó voorstelt, dat God in de aarde het zaad voor den rozenstruik inschiep, en dat uit dit zaad de struik opschoot, en aan dien struik de knop uitbotte. Tot zooverre is dit dan ook~ met het Scheppingsverhaal niet in strijd, want er staat in Gen. i: ii: »EnGodzeide, dat de aarde tntschiete grasscheutjes, kruid zaad zaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde." Anders wordt het daarentegen, indien men dit zóó gaat verklaren, alsof de eerste palmboom jaren noodig had gehad, om groot te worden, en alsof derhalve het plantenrijk eerst na vijftig en meerjaren in zijn volle kracht zou hebben gestaan. Dan toch komt men in rechtstreekschen strijd met het 13e vers: sToen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag." Immers, zonder nu in te gaan op de vraag, of hierbij aan dagen van 24 uur te denken zij, volgt toch uit de omschrijving van'avond en morgen, dat slechts ééne lichtwisseling bedoeld is, niet een lange reeks van Uchtwisselingen. Klaarblijkelijk mag het uit dien hoofde niet zóó verstaan, als schiep God alleen de zaden, opdat die verder natuurlijk zouden opschieten, en hiertoe een tijdsverloop zouden gebruiken, ongeveer als nu, maar is de kennelijke bedoeling, dat God door zijn wonderbare scheppingsmacht, op eenmaal, uit de aarde de volwassen plant liet opkomen, den vruchtboom met de rijpe vrucht er aan. Intusschen blijft het ook zoo vaststaan, dat ze niet van buiten af in de aarde werden ingezet, maar dat ze uit de aarde opschoten, alleen met een versneld proces, zoodat die ééne maal door Gods almacht in één oogenblik des tijds tot stand kwam, wat thans, dank zij zijn onderhoudende Almacht, soms vijftig jaren en meer noodig heeft, om tot gelijk resultaat te komen. — Gaan we^.van de planten op de dieren over, dan vinden we iets soortgelijks, maar toch reeds met wijziging. In VS. 24 toch lezen we wel eenerzijds: »God zeide: » De aarde brenge voort levende zielen, naar haar aard, vee, Icruipend, en wild gedierte der aarde, naar haren aard"; maar in vs. 25 heet het heel anders: »J5« God maakte het wild gedierte enz." Hier is het dus wel uit de aarde dat de stof voor de dierenwereld genomen wordt, maar van uitschieten of van versnelden groei is hier geen sprake. God maakte de dieren. Alle tusschenschakel valt hier weg. De vraag van kip en ei is hiermede in dien zin beslist, dat eerst de kip in volle gestalte geschapen werd, en dat die aldus geschapen vogel eerst het ei legde, waaruit de generatie volgen zou.

Aan dea mensch toegekomen is het verschil nu nóg grooter. Hier wordt niet gezegd, evenals bij de dieren: »De aarde brenge menschen voort, en God maakte den mensch". Tot de aarde wordt hier niets gezegd. De aarde doet hier niets, en blijft geheel lijdelijk. Niet tot de aarde, maar tot de Personen in het Drieëenig Wezen gaat de stem uit: «Laat ons menschen maken", en daarop wordt uit het stof der aarde Adams lichaam geboetseerd, en in dat lichaam de ziel ingeschapen, tot de geest des levens hem ademen doet. Desniettemin kan men ook hier de vraag stellen, of hier aan een versneld groeiproces te denken is, dan wel aan een rechtstreeksche schepping in volheid der afmetingen. Men gevoelt, wat hiermee bedoeld is. Thans wordt ook de mensch opgebouwd uit een kleine inneriijke kiem. In die kiem zitten de gegevens voor heel zijn lichaam in; negen maanden heeft God gesteld om uit die kiem wonderbaar den eerst ongevormden klomp als een kunstig borduursel te ontwikkelen; dan wordt het kindeke geboren; en dat kindeke gebruikt omstreeks 3 X 7, of 21 jaren om op te groeien tot volwassen staat. Hoe ging nu Adams schepping toe? Was ook hier eerst een embryo, en liet God uit dit embryo, , door versneld proces, in één oogenblik des . tijds den vollen mensch opgroeien ? Of wel t stelde Hij den m'ènscli op eenmaal in zijn volle afmeting in hét Paradijs? Nu voegt het ons niet, hier meer te beslissen, dan de Schrift ons openbaart, en een stellige uitspraak is er niet; maar toch zij opgemerkt, dat het Schriftverhaal niet de eerste, wel de tweede voorstelling begunstigt. Er staat toch i". dat God den mensch formeerde uit het stof der aarde; 2°. dat God daarna in zijn neusgaten blies den adem des levens; ens", dat de mensch alzoo eerst werd tot »een levend persoon'' ^). Bij ons nu gaat dit anders toe. Ook ons vs^ordt wel, eerst als het lichaam gereed is, de adem in de neusgaten geblazen, maar het kindeke leeft toch en beweegt zich reeds in moeders lichaam, nog eer het zelf ademen kan. Nu blijft het zeker de vraag, of men het recht heeft uit zulke kleine aanduidingen gevolgtrekkingen af te leiden; maar dit neemt niet weg, dat men stellig nader aan de Schrift blijft, zoo men bij Adams schepping niet aan een versneld telingsproces, maar aan een onmiddellijke, rechtstreeksche formeering in de afmetingen van den volwassen mensch denkt. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat Adams lichaam daarna geen verandering zou kunnen ondergaan. Bij onszelven toch onderscheiden we drie perioden: i". ons leven in demoedei; 2". ons leven van onze geboorte tot dat we volwassen zijn; en 3". ons leven na dat we volwassen zijn als man en grijsaard. En het scheppingsverhaal opgevat gelijk wij deden, zegt alleen, dat Adam op eenmaal aan het eind van de tweede periode stond, d. i. als volwassen man, maar zóó, dat de derde periode, met de veranderingen die aan haar eigen zijn, bij hem nog volgen moest.

Dit nu moest, wat het lichaam betreft, aldus nauwkeurig worden uiteengezet, omdat we op die manier eerst tot de quaestie kunnen komen, die ons thans bezig houdt, t. w. Adams geestelijk bestaan, toen hij pas geschapen was. Deze quaestie ligt natuurlijk veel moeilijker, omdat we zooveel minder van onze ziel af weten, dan van ons lichaam. Men spreekt van een zielkunde, maar wat weet de geleerdste man van het eigenlijke wezen der ziel meer af, dan de Schrift er ons van openbaart ? Uitingen van het zielsleven kan men waarnemen, en ook het verband van ziel en lichaam van de zij des lichaams vaststellen, maar, van hetgeen binnenin ons omgaat, weten we zoo bitter weinig. We hebben er geen voorstelling, geen begrip van, we hebben er geen taal en geen woorden voor, en al wat we over de ziel spreken, gaat eigenlijk in beeldspraak toe. Zijner onwetendheid op dit terrein blijve men zich dus helder bewust. Met tot de ziel te komen, raken we een mysterie, en we mogen reeds dankbaar zijn, indien het ons gelukt uit Gods Woord in dat raadselachtig mysterie een enkelen lichtstraal te doen vallen. Toch belet dit niet, dat ook hier dezelfde vragen rijzen, als zoo straks bij plant en dier en bij 's menschen lichaam opkwamen. Nu staat zooveel vast, dat ook ons innerlijk en onzichtbaar wezen thans zeker proces van ontwikkeling doorloopt. We herinneren ons zelven zeer wel, hoe er een tijd was, dat we minder begrepen, minder doorzagen, minder wisten, zwakker beseften en min helder gevoelden. Achter den volwassene immers ligt een periode dat hij ook geestelijk is opgevoed en allengs gerijpt, en die rijping gaat nog steeds door. Zoo teruggaande in ons leven, stuiten we eindelijk op een tijdperk, waarvan we geen heugenis hebben, en eigenlijk niet weten wie en hoe we toen waren. Om die leemte aan te vullen, slaan we dan andere kleine kinderen gade, en onderstellen dat wij eveneens geweest zijn, zooals we nu die kinderen zien. Bij die kinderkens zien we dan een langzame ontwikkeling van het willoos klompje mensch, dat op bakers schoot ligt, tot den kleinen guit die voor het eerst den stoel loslaat en wegdribbelt. Maar onder en bij dit alles nemen we altoos waar, dat de ontwikkeling tzvee bestanddeelen bezigt. Er worden aan dat kind van buiten dingen aangebracht; maar ook dat kind bezit allerlei van binnen, waardoor het die van buiten aangebrachte dingen in zich opneemt. Opvoeding eixvoeding'htoh& vi dan ook groote overeenkomst. Bij de voeding zijn er twee dingen: ''. de spijs die van buiten komt; en 2". de eet-en verteringsorganen die in het kind van binnen inzitten. En zoo ook bij de opvoeding wordt het kind allerlei kennis aangedragen en ingeprent, maar dat dit bij het kind kan, en bij een jongen hond niet ican, is, omdat in het jonge kind geestelijke organen zitten, waardoor hij het in zich opneemt. Dit noemen we dan den aanleg, de vermogens, de inborst; en zooveel meer, en die vermogens en die aanleg en die inborst zijn nu in dat kindeke niet eerst na de wieg, en niet in de wieg ingekomen, maar daarmee is het ter wereld gekomen. Dat alles school en sluimerde in dat kleine wichtje, en onder het opgroeien kwam het er uit te voorschijn. Ook hier is alzoo een proces in drie stadiën:1°. de periode dat dit alles er wel inzit, maar nog schuilt; 2". de periode dat het er uit komt en zich tot volwassen afmetingen ontwikkelt; en 3". de periode daarna, waarin de volwassen persoon steeds meer rijpt en vrucht draagt.

Dit nu op Adam toepassende ontstaat dus de vraag: Is dit innerlijke in Adam geschapen in de gesteldheid van de eerste, tweede of derde periode? Was Adam, toen hij de oogen voor het levenslicht ontsloot, een groot kind ? Wel groot van persoon, maar onnoozel en dom als een pasgeboren wicht ? Ofwel werd hij geschapen in de tweede periode van ontwikkeling, zóó dat hij hoogstens iets begreep, zeg op de manier van een kind van zeven jaar? Of wel is Adam geestelijk in volwassen staat geschapen ? Hierop nu antwoorden we, naar analogie van hetgeen we straks bij plant en dier en bij het menschelijk lichaam vonden: Stellig in volwassen staat van geestelijke ontwikkeling. Iets wat voor ons vaststaat, ten eerste omdat een persoon, volwassen van natuur, maar onnoozel als een kind, reeds op ons den indruk maakt van iets dat dwaas en tegenstrijdig is en den lachlust opwekt. Een grijsaard die kindsch wordt is een onbeholpen figuur. Daarvan had God dus niet kunnen zeggen: dat hij zeer goed was. Ten tweede, omdat zulk een belachelijke figuur voor God - niet zou geweest zijn de spiegel waarin Hij zijn beeld aanschouwde. En ten derde, overmits hetgeen aanstonds daarop van Adam vermeld staat, van verre niet aan een onnoozel kind doet denken, maar wel terdege aan een rijp ontwikkeld man. —• Blijft nu de vraag, of we ons dit zóó te denken hebben, dat Adam in dien staat kwam door een versneld proces van ontwikkeling, of wel door onmiddellijke scheppingsdaad. Exi hierop nu antwoorden we: Door onmiddellijke scheppingsdaad, en niet door versneld proces. Immers zulk een proces van ontwikkeling heeft bij ons plaats door opvoeding, d. i. doordat iets van buiten ons te hulpe komt. Nooit uit ons zelf. Een kind aan zich zelf overgelaten, is, al groeit het op, op zijn twintigste jaar nog gansch dom en onnoozel. De proeven hébben het bewezen. Van een versneld proces kan hier alzoo, waar een der factoren voor het proces geheel ontbrak, geen sprake zijn. En zoo ligt het resultaat vast, dat de volwassen staat van geestelijk bestaan, waarin Adam geschapen werd, vrucht was van onmiddellijke rechtstreeksche schepping.

En nu eindelijk tot het moeilijkste, tot zijn godsdienstigen en zedelijken staat komende, spreekt het vanzelf, dat de slotsom ook hier geen andere kan zijn. Niet alleen zijn verstandelijke, maar ook zijn zedelijke en godsdienstige staat, moest die van een volwassen persoon zijn, en moest in hem resultaat zijn, niet van ontwikkeling, noch van een versneld proces, maar van onmiddellijke en rechtstreeksche schepping. Gelijk God, die thans de roos uit den knop en den knop uit de twijg en de twijg uit de kiem doet voortkomen, de eerste maal den rozenstruik met rozen eraan schiep, zoo ook schiep diezelfde God, die thans eerst het zaad, en uit het zaad het kind, en uit het kind den man doet voortkomen, Adam als man, in de manlijke rijpheid naar lichaam en ziel. Voor wat zijn verstandelijk leven aangaat, zegt dit nu dat hij geschapen is in oorspronkelijke wy.f//«f/, voor wat zijn zedelijk leven aangaat, dat hij geschapen is in oorspronkelijke heiligheid, en voor wat z\-\VLg.odsdienstig\t.\& ï\ht'ixtii, dat hij geschapen is in oorspronkelijke gerechtigheid. Sluit dit nu uit, dat hij daarom zijn wijzen geest nog op allerlei manier verrijken kon en vrucht dragen? Maar vraag u dan af, of de volwassen geleerde zich dan thans niet meer verrijkt en intellectueele vruchten voortbrengt tot aan zijn dood toe. En juist zoo, sluit het dan ook in het minst niet uit, dat hij ook zedelijk zich nog op allerlei manier te verrijken en vrucht te dragen had; en evenzoo op godsdienstig terrein nog op allerlei manier zich ontwikkelen en ontplooien zou en vrucht dragen. Daartoe strekte" dan ook het proefgebod van het Werkverbond. De staat van oorspronkelijke wijsheid, heiligheid en gerechtigheid is nog in het minst niet de staat van volstrekte voleinding. Die zou eerst daarna komen, en dat zou den overgang vormen in de eeuwige zaligheid.

Wat de Christelijke kerk met den staat der rechtheid heóodt, zal nu ook duidelijk zijn. Ze spreekt er mede uit, dit de eerste mensch geschapen is volwassen, zoo wat zijn lichaam als zijn ziel aangaat, en in die ziel volwassen zoo wat zijn verstandelijken, als zijn zedelijken en godsdienstigen aanleg betreft: wijs, heilig en rechtvaardig voor God. Ontkend wordt hiermede, dat in Adams geest eenige dwaasheid of leugen was, die aan de wijsheid afbreuk deed. Er was geen duisternis in hem. Geen nevel lag over zijn verstand. Klaar en helder doorzag hij de schepping om zich heen. Er was niets tusschen hem en de waarheid der dingen. Daarom was hij wijs. — Evenzoo was er op zedelijk gebied in hem gebrek noch zwakte, maar volkomen conformiteit in zijn neigingen en uitingen aan de wet des levens die in zijn hart geschreven stond. Daarom was hij heilig. — En eindelijk.'er was in hem geen zin of wil om anders dan Gods beeld te zijn, er was geen tweeheid tegenover God in zijn hart, maar hij gevoelde zich tegenover God als God ganschelijk als een schepsel voor zijn eere geschapen. Dat was zijn rechte stand voor God, zijn oorspronkelijke gerechtigheid.

Zoo stond hij in het Paradijs, onder God, voor Gods aangezicht, alleen voor God bestaande, en zoo droeg hij de heerschappij over heel de schepping. Godes is de heerschappij, en daarom kon in zijn beeld ook deze trek der heerschappij niet ontbreken; maar ook de heerschappij was in Adam niet anders dan afgebeeld, afgeschaduwd, en om Gode zijn-beeld in den mensch te ' doen aanschouwen. Het was niet Adam die de wereld voor zich nam, en er» Gode tien de van gaf, om de negen andere tienden voor zichzelf te behouden; maar de beelddrager Gods, die heel die wereld in zich opnam, om ze Gode toe te brengen. Koning doordien hij priester was. Een gezalfde, een dienstknecht des Heeren. Aldus was in het Paradijs de geestelijke volkomenheid, nog niet de voleinding, in haar drie sferen van het verstandelijke, het zedelijke en het godsdienstige leven. Uit die volkomenheid zou het, zonder zonde, door rijping, ontplooiing en vruchtdraging tot de voleinding zijn voortgeschreden. De gestalte van het beeld in zijn weze^i, de trekken van het beeld in zijn vermogens, de glans van het beeld in zijn detigden, tot de breuke kwam, en wel de grondgestalte bleef, inaar de glans verbleekte, en de trekken ombogen in onzuiverheid.

1) Er staat in onze vertaling: oi een levende ziel maar dat hetgeen wij persoon noemen, in liet Hebreeuwsch vaak door ziel wordt aangeduid, is te zien in 2 Kon. 12:4-en in Ps. 105 : 18. Als er toch van Jozef letterlijk staat: Zijn ziel Icwam in de ijzers», is dit terecht overgezet: Zijn persoon kwara in de ijzers», omdat een ziel niet geketend kan worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 januari 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Van be gemeene Gratie

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 januari 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken