Bekijk het origineel

„De mannen, die erban wisten.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„De mannen, die erban wisten.”

10 minuten leestijd

Toen antwoordden aan Jeremia alle de mannen, die ervan wisten dat hunne vrouwen anderen goden rookten, en alle de vrouwen, die daar stonden, zijnde een groote hoop, mitsgaders al het volk, die in Egypteland, in Pathros, woonden, zeggende) Aangaande het woord, dat gij tot ons in des Heeren naam gesproken hebt, wij zullen naar u niet hooren. Jeremia 44 : 15, 16.

Onder Israël was de verhouding tusschen man en vrouw voorbeeldig. Voorbeeldig in zoo buitengemeene mate, dat thans, na twee duizend jaren, " het type van het Joodsche huwelijk nóg onder de verstrooide kinderen Jacobs nawerkt, ja, soms zelfs nog o, zoo schoon en aantrekkelijk uitkomt, in het hooghouden van het manlijk en vaderlijk gezag, in het eeren van de vrouw en moeder, en in de hartelijke saamverbinding van »man en vrouw en kroost" tot één schier aan elkaar klevend geheel.

Wat we daarvan thans nog in onze eigen omgeving aanschouwen, is een vrucht van wat Gods Woord in Israël wrocht.

Hi] heeft facob zijne woorden bekendgemaakt., aan Israel zijne inzettingen en zijne rechten. Alzoo heeft Hij aan geen volk gedaan., en zijne rechten., die kennen ze niet.

Toch werkte ook op de Joodsche vrouw van oudsher het voorbeeld der heiden sche vrouw ten kwade in.

Dat bleek sterk toen, na Jeruzalems val, een groep Jüodsche gezinnen naar Egyptewas uitgeweken, en Jeremia derwaarts met zich nam. Toen toch ontdekte Jeremia, dat een menigte Joodsche vrouwen in stilte afzwierven naar de weelderige lust-tempels der Heidenen, en, met die vreemde vrouwen s4am, offeranden offerden aan den afgod, dien ze noemden: de Koninginne des hemels.

Daarover heeft Jeremia ze toen bestraft en ze tot boete opgeroepen.

Maar de onheilige omgang met die wereldsche vrouwen had reeds in korten tijd den geest dier Joodsche vrouwen derwijs verwilderd, dat ze driest en roekeloos weg tot Jeremia riepen: »Wij zullen naar u niet hooren, maar ganschelijk doen wat onzen mond is uitgegaan, rookende aan de Melecheth, d. i. aan de Koninginne des hemels" (vs. 16, 17).

Reeds dit was ergerlijk, maar toch teeken van nog dieper verval school in wat ze er, om Jeremia te tergen, bijvoegden: sZoudt ge meenen, dat we aan de koningin des tempels rookten, zonder medeweten van onze mannen? "

Daaruit toch bleek, dat de vrouwen wel alleen onder elkaar deze zonde bedreven, maar dat haar mannen, ook al deden ze er zelven niet aan mede, en al hielden ze zich, alsof ze er niet van wisten, wel terdege door hun vrouwen waren overgehaald, om er geld voor te geven. Want natuurlijk zulke weelderige uitgangspartijtjes, naar de Melecheth-tempels! waren én door de kostbare toiletten, én door de fijne offeranden, die men brengen moest, duur. Zoo zondigden de vrouwen bitterlijk, maar haar mannen droegen de schuld mede, want, zoo teekent Jeremia in vs. is op, het waren •^mannen die ervan WJV? ««, " wisten dat hun vrouwen alzoo God verachtten en de knie bogen voor Melecheth.

Op zichzelf ligt hierin niets vreemds.

Uit onze zondige natuur komt op, en ook onder ons is nog veelszins gemeen, dat benepen stelsel, om seen hand voor de oogen te houden", veel wat men weet dat plaats grijpt in zijn huis idoor de vingers te zien", zich te houden sof men er niet van weet", en te doen »alsof men het niet heeft gemerkt".

Zelfs mag gezegd, dat hierin tot op zekere hoogte iets goeds ligt.

Het swees niet al te rechtvaardig" heeft zijn betrekkelijk recht. iWie op alle slakken zout wil leggen" mat af en verslapt de veer van het vermaan. Wie altoos verbiedt, vindt ten slotte geen gehoor meer. Een klok die aldoor tikt, tikt, ja, slaat ten leste, uur-en halfuur-slag, zonder dat ge het merkt.

En de uitkomst toont dan ook, dat het bij slot van rekening nog het best in die gezinnen loopt, waar men in den regel den teugel eenigszins viert, en slechts als de zaak het waard is, den teugel, maar dan ook terdege aantrekt desnoods geholpen door de zweep.

Maar wat hier van die mannen en die vrouwen in Tachpanhes bericht wordt, gold heel iets anders.

Wat hier plaats greep was een stilleken s insluipen van een gansch zondige levenswijs onder de vrouwen, maar zoo dat haar mannen in het geheim waren, en al hielden ze zich er kwansuis buiten, er wel terdege van afwisten.

Hier brak een kwaad uit, dat de maa, zoodra hij er van wist, onverwijld en onverbiddelijk had moeten stuiten, en dat hij nochtans gaan en geworden liet, ja, waar hij geld voor gaf, om thuis geen ongenoegen te hebben, en niet op voet van oorlog te komen met zijn vrouw.

Zoo heerschte hier de vrouw, en de man, die van Godswege verantwoordelijk was, deed alsot hij van den prins geen kwaad wist, en liet zich, in strijd met Gods wet, de zondige wet van het Heidensche leven stellen door zijn vrouw.

En dit nu is een omkeeren van de orde die God voor het gezin besteld heeft.

De man ia het hoofd en moet het hoofd blijven.

Hij is de aan God verantwoordelijke persoon voor den geest waarin zijn gezin binnenshuis leeft en zich openbaart naar buiten.

Hij heeft niet te heerschen in dien zin, alsof hij zich zelf in zijn huis een koninkrijkje had te scheppen, maar wel zijn gezin alzoo te regeeren, dat alle verzet tegen het Koningschap van God in zijn huis gebroken worde.

Een gezin komt er niet vanzelf. God schept het en verwekt er man en vrouw en kinderen voor. En daarom heeft Hij. over dat gezin zeggenschap, geeft Hij aan dat gezin zijn ordinantiën. En nu is in Gods naam en van Gods wege de ; nan en vader in dat gezin als wachter besteld, om toe te zien, dat die ordinantiën Gods tot haar recht komen.

In die aanstelling wortelt zijn gezag; daarin alleen; en het is uit dien hoofde, dat hij alle verkrachting van zijn gezag moet tegengaan, • en ook dat gezag niet ongebruikt mag laten, maar het voor dat ééne groote doel moet aanwenden.

Elk ander regeeren van zijn gezin mist hoogere wijding.

Alleen zoo grijpt het de conscientie aan. En de man die dit niet doet, komt zelf in de schuld voor God, wijl hij spot met zijn verantwoordelijkheid aan den Kenner der harten.

Of er naar zijn woord geluisterd wordt, is een tweede vraag. Dat deden ze naar Jeremia's woord ook niet. En de brutaliteit van vrouw en kroost kan soms zoover gaan, dat ze evenals die vrouwen tot Jeremia, zoo ook tot den man en vader, na zulk vermaan zeggen: iWe zullen naar u niet hooren, maar toch onzen zin doen."

Maar mits de man zorg droeg, dat hij zijn gezag niet wegwierp, is het dan van hem af, en zal de dubbel schuldige vrouw, met haar verleid kroost, alsdan de dubbele schuld voor God dragen.

Het geld is hier van ernstige beteekenis.

Die Joodsche vrouwen van Tachpanhes erkenden het zelven, toen ze aan Jeremia vroegen: »Denkt ge dan dat we ons die weelde veroorloven knnnen, zonder onze mannen? " (vs. 19).

Niet bij Israël, maar ten onzent, kan een vrouw eigen geld hebben, en bij huwelijkssluiting bedingen hebben gemaakt, om haar onafhankelijkheid te verzekeren, en dan natuurlijk is de man er wel verantwoordelijk voor, of hij goed deed, met op die voorwaarde te huwen, maar, eens gehuwd, ontgaat dan wat zijn vrouw op zulk een wijze uitgaf aan zijn macht.

Maar in den regel is dit niet zoo.

In den regel heeft de vrouw geen ander geld, dan wat de man haar uitreikt, , en daarom blijft de man ook voor de uitgaven van zijn vrouw verantwoordelijk.

De zucht naar het wereldsche, de neiging tot ijdelheid, de trek om met vrouwen die God niet vreezen, mee te doen, kan bijna nooit anders dan door geld bevrediging vinden.

Zoo was het te Tachpanhes, zoo is het onder ons nog.

En daarom de man die zegt: jlk geef mijn vrouw geld, en wat zij er mee doet, komt te harer verantwoording", zal aan zijn God van dit luchthartig spel eens rekenschap geven.

Zeker, aan de vrouw, gelijk ze zijn moet, en voor zoover ze in de vreeze Gods wandelt, moet de ruimste eere en de grootste vrijheid van beweging worden gelaten.

Maar als de man merkt, dat het misloopt, en hij er van afweet, dat het op zondige paden gaat, dan mag hij niet doen alsof hij het niet wist.

Dan zal, ook wat zijn vrouW betreft, het bloed harer ziele eens van zijn hand geëischt worden.

Iets wat doorgaat ook waar geen geld in het spel komt, en het verkeerde praktijken geldt, of in de opvoeding van de kinderen, ofin de behan­ deling der dienstboden, of in den omgang met wie buiten zijn, of in de besteding van eigen kracht, eigen tijd, en eigen leven.

Niets is er in het huislijk leven, waar geen wille Gods over gaat.

God schiep niets en riep niets in het leven, of Hij gaf er een verordening voor. Een ordinantie voor het gebruik van elke kracht, voor het besteden van eiken dag, voor het zuiver houden van elke betrekking. En stellig niet de minste kracht van het Gereformeerde leven onzer vaderen school hierin, dat ze voor den man de verplichting erkenden, om wel toe te zien, dat de Heere onze God in dit alles tot zijn eere kwam.

Zeker hij moet priester in zijn huis zijn, om voor te gaan in den gebede, en om ook voor zijn huis de verzoening zijns Gods in te roepen. Maar hierbij mag het niet blijven. Er staat ook geschreven: -tDe lippen der priesters zullen de wetenschap bewaren"., wat hier bepaaldelijk doelt op de wetenschap, op de kennisse der wet Gods. Zooals er elders staat: t> De wet zal niet vergaan van de priesters" of gelijk er tot Israël gezegd wordt: »Vraag toch de priesters < 2Vr w^/." Welnu, alzoo in zijn huis te staan, behoort ook tot het priesterschap van den man en vader in zijn gezin.

Een levende prediking van de Wet des Heeren moet hij in het godvruchtig gezin zijn. 'Zoo ge wilt, de publieke conscientie van allen, die in zijn gezin aan zijn hoede zijn toevertrouwd.

En daarom is het een verstikken, een smoren, een toeschroeven van de conscientie, als de man heult met zijn vrouw in het kwade, en er wel van afweet, maar zich aanstelt alsof hij niets merkte.

Dat is zedelijk laf.

Dat is zijn eere als man, en zijn priesterschap voor God wegwerpen. Een zich bezondigen aan zijn eigen ziel, en aan de ziel van zijn vrouw.

Natuurlijk geldt dit omgekeerd ook. Ook een vrouw moet voor de ziel van haar man waken.

Maar toch is deze verhouding gansch anders. Ook een kind is van de ziel zijner ouders niet vrij; en wie als kind in geestelijken zin iets voor vader en moeder kan zijn, en het niet is, staat schuldig. Maar dit neemt niet weg, dat toch de verantwoordelijkheid van een vader voor zijn kind een heel ander karakter draagt dan die van een kind voor zijn vader.

Die van den vader voor zijn kind is ambtelijk. En zoo ook is het met de verantwoordelijkheid van den man voor de vrouw.

Hier is een bijzondere plicht, een plicht van eigen soort en orde, door God en van Godswege aan den man opgelegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 februari 1896

De Heraut | 6 Pagina's

„De mannen, die erban wisten.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 februari 1896

De Heraut | 6 Pagina's

PDF Bekijken