Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de gemeene Gratie.

18 minuten leestijd

XXI.

• En de Heere God gebood den mensch, zeggende: an allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten. Maar van den boom der kennisse des goeds en , des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Gen. 2:16, 17

De dusver verkregen slotsom was, dat God den mensch zóó schiep, dat Hij zijn beeld in hem zag afgespiegeld, ten einde hem als instrument te zijner eere te kunnen gebruiken, en dat Hij hem voor dit doel schiep: wijs, heilig en rechtvaardig, d. i. niet slechts zonder eenig gebrek, maar ook in stelligen zin op die normale sterkte van het volwassen menschelijk leven, van waar de rijkere ontplooiing van dat leven eerst een aanvang neemt. Hiermede is echter over den geestelijken toestand van den mensch in het Paradijs nog op verre na niet genoeg gezegd. We behoeven den iboom der kennisse des goeds en des kwaads" slechts te noemen, om aanstonds een nieuw, en waarlijk niet beperkt, veld van onderzoek te ontsluiten. Om u op dat nieuwe veld thuis te gevoelen, behoort ge echter vooraf het u wel in te prenten, dat hetgeen wij »conscientie" noemen, in den pas geschapen mensch niet bestond. Iets dat bij het eerste hooren vreemd moge klinken, maar toch spoedig en duidelijk is in te zien, mits men onder de conscientie niet versta, wat de ongeloovige wereld er van gemaakt heeft, maar ze opvatte, gelijk onze vaderen dit steeds deden. Naar de lieden der wereld u diets willen maken, zou de conscientie een soort Urim en Thumim, een Goddelijk orakel in u zijn. Dat orakel hadt ge maar te ondervragen, om te weten wat God van u eischte. En ook waar gij tegen Gods wil ingingt, berispte dat orakel u van binnen. Wie maar deed wat zijn conscientie gelastte, en liet wat de conscientie verbood, was uit dien hoofde een man naar Gods hart. En het was, met dien conscientie-godsdienst gewapend, dat men zich dan veroorloofde de Schrift, de Wet Gods, en het Evangelie opzij te schuiven. Dat alles kon men missen, als men op zijn conscientie maar afging en aan zijn conscientie zich hield. Met dat kompas ging men altoos veilig. Klippen die dit kompas niet verried waren er niet. Het is dan ook opmerkelijk, hoe dit pochen op A& conscientie juist opkwam, toen het Rationalisme druk in de weer was, om het Geloof onder den voet te halen, en hoe men zelfs nu nog het drukst met de conscientie bezig is in kringen, waar men feitelijk het geloof aan God kwijt is. Het zou hier niet ter plaatse zijn, om deze conscientie-vereering, en in haar de zelfvergoding van deü man, wiens die conscientie is, op de kaak te stellen. We volstaan met er aan te herinneren, dat de Heilige Schrift van zulk een Urim en Thumim in ons gemoed niets afweet, en dat onze Gereformeerde vaderen over de conscientie een ganschelijk afwijkend oordeel gaven. Zij toch ontkenden dat de conscientie een apart iets in den mensch was, zoodat men zou kunnen zeggen, dat de mensch gevoel heeft, en een wil heeft, en verstand heeft, en neigingen heelt, en zooveel meer, en dan ook nog een conscientie. De conscientie is geen vermogen; ze is geen inklevende hebbelijkheid; maar ze is een zich telkens in ons herhalende daad, een uiting'ofdaad van ons bewustzijn. Uw bewustzijn namelijk is genoodzaakt zich ook met uzelven bezig te houden, uw zedelijken toestand, uw zedelijke gedraging, uw zedelijk karakter, uw gedachten, uw woorden, uw daden, uw verzuimen en nalatingen, in te denken, en dat wel in te denken met zekere keur. Daartoe is noodig zeker zedelijk besef of kennisse van goed en kwaad naar de Wet Gods. Daartoe is u noodig, dat ge u zelven kent en uw persoon en uw daden voor u zelven objectiveert. En daartoe is ten derde noodig een hoogere aandrift, die u dwingt naar dien maatstaf van uw zedelijk besef telkens en telkens weer uzelven te veroordeelen of vrij te spreken. Op zedelijk gebied dus juist hetzelfde wat plaats moet grijpen op verstandelijk gebied, op schoonheidsgebied en zooveel meer. Ook op het gebied van de waarheid ontdekt ge dat er vaste denkwetten gelden. Ook voor u zelven hebt ge dus te onderzoeken, of ge die wetten bij uw denken geëerbiedigd hebt. Zoo niet, dan moet ge anders en beter denken; zoo wel, dan staat ge vast in uw overtuiging.

Aan die gezonde leer in zake »de conscientie ' houden ook wij vast, maar juist uit dien hoofde is dan ook in Adam, terstond'jr. zijn sctiepping, datgene wat wij »conscientie" noe men, ondenkbaar. Wel toch was er in Adam bewustzijn, zeltbewustzijn, zedelijk zelfbewustzijn, maar zoolang de eerste ervaring, van schuld ontbrak, kon hij tegenover zichzelf niet als rechter optreden en vonnis slaan. Ware de zonde uitgebleven, er zou geen overheid gekomen zijn, en nooit een vierschaar zijn gespannen. En juist zooals er geen rechter van buiten zou geweest zijn, evenzoo zou ook de rechter van binnen ontbroken hebben. Of wil men, de persoon die, desvereischt als rechter moest optreden, was er wel, maar zoolang er niemand voorkwam, kon het niet komen tot de rechterlijke functie. Dat rechterlijke nu is van de functie van ons bewustzijn, zoo er van een conscientie-oordcel sprake zijn zal, onafscheidelijk, en deswege ontstaat die conscientie-functie pas dan, als er schuld of althans aanklacht was; maar dan kan ze er niet zijn, en is ze ondenkbaar, zoolang noch van schuld, noch zelfs van eenige zelfaanklacht, ook maar van verre sprake komt. Daarom nu kunt ge van conscientie in eigenlijken zin niet spreken in het Paradijs; niet spreken bij hem, dien ge in het beeld van het > vlekkeloos Lam" vereert; en evenmin spreken onder de gezaligden. De conscientie is de functievorm van ons redelijk bewustzijn, zoodra en ook zoo lang de zonde de eenheid van ons innerlijk leven splijten deed; en als zoodanig schuilt in deze conscientiewerking een niet gering stuk der sgemeene gratie", gelijk Paulus dan ook betuigt, dat de heidenen zedelijk worden opgehouden door de vrijspraak of aanklacht van hun conscientie. Juist ten gevolge van de breuke die de zonde in ons wezen sloeg, en de duurzame gedeeldheid van ons innerlijk leven, die daarvan het gevolg is, neemt het beeld van onzen persoon in den spiegel onzer conscientie een gestalte aan, die van ons ordinair zelfbesef verschilt. En hieruit verklaart het zich, dat we in deze eigenaardige functie van ons bewustzijn een apart iets gaan zien, en het ons bijna niet anders kunnen voorstellen, of de conscientie is een afzonderlijk vermogen.

Kon er uit dien hoofde bij Adam nog van geen conscientie sprake zijn, daarentegen had hij wel wezenlijk geloof, Natuurlijk niet datzelfde geloof, waardoor een zondaar gerechtvaardigd wordt. Dat van verderf reddend geloof kon niet aanwezig zijn in den eersten mensch, die nog niet aan het verderf vervallen was. Dat zondaar-zaligend geloof is dan ook een geloef van bijzonderen aard, dat er om de zonde kwam, en als eens de zonde zal zijn te niet gedaan, weer zijn algemeenen grondtrek zal vertoonen. Geloof als zoodanig toch is een grondtrek van de menschelijke natuur. Geloof is het bewuste rapport tusschen het Goddelijk beeld en den mensch, die naar dat beeld geschapen is. Waar dat beeld schuilen gaat, verdonkert dit geloof; waar het beeld in zijn tegendeel omslaat, wordt dit geloof bewust ongeloof. Christus was van dit geloof de Voleinder. En het is dit, de ziel met God inlevend en bewust rapport brengende, geloof, dat met de liefde en de hope, naar luid van het apostolisch getuigenis, blijft. Dat geloof is derhalve een stuk der schepping. Het hoort tot 's menschen natuur, zoodra ge u die natuur in rapport met God denkt. En daarom is dit geloof, als de levensadem der ziel, in Adam een deel der »oorspronkelijke gerechtigheid, " Zonder dat geloof is die oorspronkelijke gerechtigheid in Adam niet te denken.

Het Verbond, waarin God met Adam stond, ligt op dezelfde lijn van gedachten. Het woord s Verbond" is voor de betrekking tusschen God en Adam ontleend aan Hosea 6: ], waar den toenmaligen Israëlieten verweten wordt, ^dat ook zij het verbond overtreden hebben als Adam, ", overmits ze trouwelooslijk tegen hunnen God hadden gehandeld. Want wel heeft men gepoogd, door anders te vertalen, Adams naam uit Hosea 6:7 te doen wegvallen; maar deze poging/«i7^j^ mislukken. Dat de naam »Adam" in onze taal »mensch" beteekent, is overbekend. Welnu, daarop afgaande, heeft men Hosea Q-.'j aldus willen vertalen: Zij hebben het verbond overtreden als een mensch." Maar deze overzetting stuit af op haar eigen ongerijmdheid. Hoe ter wereld toch wilden de Israëlieten het Verbond met hun God anders dan als menschen overtreden? Ze waren nu eenmaal niet anders dan menschen, en van een andere Verbbndsovertreding dan door menschen kon bij hen eenvoudig geen sprake zijn. Ware er nog in bijzonderen zin sprake van de koningen of de priesters, die tot een hechtere trouw dan gewone menschen gehouden zijn, dan liet het zich nog hooren, dat hun verweten werd: Zij, hoewel koningen en priesters zijnde, hebben het Verbond overtreden, alsof ze gewone lieden waren". Maar dit kan niet, want zij, aan wie dit verweten wordt, zijn de gewone lieden. De vertaling; »Zij hebben het Verbond overtreden als Adam" vindt dan ook steeds minder tegenspraak. Voor ons is' ze de eenig denkbare. Dat we nu aan deze uitspraak hechten, is omdat in Gen. i—3 niet met zoovele woorden van een Verbond Gods met den eersten measch melding wordt gemaakt, en ook elders in de Schrift wel de naam, maar niet de zaak in verband met Adam voorkomt. Bovendien komt zulk een onverwachte verwijzing naar Adam meer in de Heilige Schrift voor. Zoo lezen we in Job 31:33: Indien ik, gelijk Adam, mijne overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijne misdaad verbergende"; terwijl we ook in Ps. 82:7 liefst vertalen zouden: Gij zult nochtans sterven als Adam, en als een der vorsten zult ge vallen” 1).

Vooral van Gereformeerde zijde is er dan ook terecht op aangedrongen, dat men de sluiting van het Werkverbond met den pas geschapen mensch in volle rekening zou brengen. Het zwijgen van Genesis 2 en 3 mag daarbij zeker niet verbloemd, en moet verklaard worden, maar werpt het feit der Verbondssluiting allerminst omver. Dat feit staat vast uit geheel de tegenstelling, die door de Heilige Schrift loopt tusschen het 'Verbond der genade, dat op geloof, en het Verbond der werken, dat op doen rust. Die tegenstelling ontkent niemand, en ze is dan ook eenvoudig niet weg te cijferen. En wel kan men dan nog tegenwerpen, dat het Verbond, hetwelk rust in den regel van »Doe dit en gij zult leven", gemeenlijk voorkomt in den vorm, waarin het aan Israël bekend is gemaakt; maar dat een verbond naar dezen regel niet met zondaren (en de Israëlieten waren zondaren) gesloten is, spreekt toch wel vanzelf. Of wat zin zou het hebben, dat God de Heere, wetende, hoe de gevallen mensch onbekwaam was tot eenig goed, niet aan Adam in den staat der rechtheid, maar eerst aan dien gevallen mensch een Verbond zou gepresenteerd hebben op beding, dat hij volmaaktelijk het goede zou volbrengen en daardoor leven, maar anders ook eeuwig onder den vloek gaan. Onder menschen zou men zulk een vertroosting stuitend bedrog noemen, en hoe dan ze in God te stellen? Bovendien, blijkens Gen. 3:17 rustte de vloek reeds op deze gevallen wereld, en hoe zou dan bij Horeb eerst vloek bedreigd zijn voor wie niet bleef in alles wat in het Boek der Wet geschreven stond? Ook van een schuldigstelling in Adam zou bij die opvatting in de Schrift geen sprake kunnen zijn. Geheel de voorstelling alsof het Werkverbond eerst bij den Sinaï ware geopenbaard geworden, en daar als Werkverbond bedoeld ware, verwerpen we daarom beslist. Dat mocht zoo in symbolischen en nationalen zin zijn; maar dat kon het niet zijn met opzicht tot de personen der menschen en hun ziel voor God; en toch zóó wordt het in het Nieuwe Testament telkens opgevat (Rom. 10:5), Dit alles nu verklaart zich uitnemend, zoo men vaststelt: **. dat het Werkverbond reeds in het Paradijs gesticht en gebroken ligt; 2". dat in dit Verbond de volstrekte band tusschen innerlijk bestaan en uitwendigen toestand ligt uitgesproken, die desniettemin eeuwiglijk doorgaat; 3°. dat God in zijn Genadeverbond met Israël de heugenis van dit Werkverbond vernieuwd heeft; en 4", dat het in symbolischen en nationalen zin voor Israël metterdaad gold. Most en olie zoolang en voorzoover men God diende, honger en pestilentie als men wierook voor de Melecheth des hemels ontstak.

Zoo streng we dit echter vasthouden, zoo grif geven we toe, dat men vooral sedert het opkomen der Foederaltheologie de vroegere soberheid op dit punt te veel heeft laten varen. Men wist u alles precies en tot in de kleinste bijzonderheden voor te rekenen. Wie de partijen waren, waar het verbond tusschen haar gesloten werd. Wanneer de Verbondssluiting plaatsgreep. Als hoedanig partijen daarbij voorkwamen. Wat beding en voorwaarde er gesteld werd. Welke belofte als lokaas uithing. En welke straf als dreigement schrik aanjoeg. Haast zouden we zeggen, wist men het u notarieel te boeken. Zoo deed Calvijn, zoo deden de beste Gereformeerde theologen intusschen niet. 2A] bleven soberder, en hierdoor meer in overeenstemming met het Paradijsverhaal zelf. Toch erkennen we daarom het betrekkelijk recht waarmede men aldus te werk ging, voorzooverre het zijn goede zijde kan hebben, eens alles wat in de zaak schuilt, naar het voetlicht te trekken, en tot in bijzonderheden na te gaan. En in dien zin genomen, dan waren er zeer zeker partijen, en ontstonden er verbintenissen, en rustten die verbintenissen op bedingen, en golden die verbintenissen over Adam heen voor al zijn nakomelingschap. Slechts voor één ding wachte men zich. Men ga niet verhalen, hoe God dit Verbond aan Adam heeft voorgesteld, noch ook wat Adam hierop zou geantwoord hebben, want dan komt men op feiten, en die feiten moet men dan waar kunnen maken uit de Schrift. In die Schrift vinden we desaangaande intusschen niets hoegenaamd vermeld. Dat Adam onder het Werkverbond gesteld is, en wij met hem, en wat de bedingen en beloften en bedreigingen van dat Verbond waren, en nog zijn, meldt de Schrift ons duidelijk, maar omtrent de wijze waarop het tot stand kwam, zegt heel het Paradijsverhaal ons niets.

Dit zwijgen bij zoo uiterst gewichtige zaak is nu alleen dan te verklaren, indien we dit Werkverbond in zijn eerste openbaring niet als mechanisch ineengezet, maar als organisch werkende nemen. Twee partijen, die eerst niet bij elkaar hooren, en dan onderhandelen om samen het eens te worden, sluiten hun verbond, als ze er toe komen, mechanisch of werktuiglijk. Maar zoo kan het hier niet geweest zijn, want God had den mensch naar zijn beeld en voor zich geschapen, zoodat hij zijns was en bij Hem hoorde. Bij zulk een verhouding ïo.k'omt men niet eerst saam, maar is men saam, en kan de Verbondsvorm niet anders dan organisch werken, d. 1, vanzelf en als natuurlijke uitdrukking van de wederzijdsche positie. Daarom dat de mensch naar Gods beeld geschapen is, kon de wederzijdsche verhouding tusschen God en den pasgescïhapen mensch geen andere dan die van een Verbond zijn; met al de klem die dit woord bezit, en al de gevolgen, die er in besloten liggen. Verbond zegt bond van twee, die door betrekkelijke zelfstandigheid onderscheiden zijn. Waar die zelfstandigheid ontbreekt is band, geen verbond. Wat onder menschen een verbond heet, raakt daarom het naast aan wat deze oorspronkelijke verhouding van den mensch tot zijn God is. Ook de bedingen zijn hier natuurlijk. Geen wilkeur of gril spreekt, maar het leven, het volkomelijk leven naar Gods heilige ordinantiën. En ook de bedingen komen organisch uit de verhouding op. Een leven in Gods ordinantiën leidt tot een natuurlijke en volkomene ontplooiing van ons aanzijn in het eeuwige leven ; weerstaan van die ordinantie wondt het leven en brengt den dood. Ook kon Adam zich niet voor zijn eigen persoon van zijn nakomelingschap afzonderen. Voor God' omvat de band ons en al het onze, nu en eeuwig. Adam kon niet anders zijn dan tegelijk eerste mensch en onzer aller Verbondshoofd.

Dit vooreerst. Maar ook ten tweede, de band tusschen het doen en het leven, tusschen het laten en den dood was evenmin een mechanische. Ook deze verhouding staat vast en laat zich niet op zij dringen, en het zou u niet kunnen bevredigen, zoo men, achter enkele nieuwe philosofen aantredende, dien band óf toevallig maakte óf doorsneed. Dat die band tijdelijk kon verbroken worden, toont de uitkomst, en dan juist moet het Genadeverbond mechanisch tusschenbeide treden, om de breuke te herstellen; maar al redt het Kruis de wereld, toch blijft het Kruis tegenvAivLVxYx^ en in het spoor der gerechtigheid zijt ge eerst dan terug, als uw Heiland een naam ontvangt boven allen naam, en als ge hoort, dat alle knie zich voor hem zal buigen. Doch hoe die verhouding ook tijdelijk uit de voegen moge geraken, toch profeteert het de Schrift en de inspraak van het geloof in uw ziele u, dat in het einde de oorspronkelijke verhouding toch weer hersteld zal worden, en de woeling van den chaos kan niet tot ruste komen, alvorens in-en uitwendige staat weer op elkander passen.

Maakt ge hiervan nu een werktuiglijk gesloten Verbond, dan gaat ge uit van de valsche ondei stelling, alsof het niet in de schepping alzoo vastlag, maar eerst na de schepping zoo geklonken werd. Gaat ge daarentegen in op de gedachte, dat het Werkverbond een organisch vastliggend verbond is, dat in de conditiën des levens zelve vastlag, dan sluit Schepping en Verbond streng in elkaar, en ge verstaat het, waarom nog tot op Golgotha in de verzoening en in de voldoening beide de niet te breken wet van het Werkverbond doorgaat. Iets . wat te sterker klemt, omdat bij een werk-tuiglijke verbondssluiting heel het verbond aan het proefgebod zou hangen. Dat gebod is uitgesproken. Dat is genoemd. Daarvan bericht het verhaal ons. Maar natuurlijk, een Verbond alleen op dat proefgebod gesloten, zou volstrekt niet het Werkverbond zijn. Het Werkverbond moet rusten op Jieel de wet Gods, en heel die wet Gods zou dan, evenals op Sinaï, moeten zijn voorgelezen en opgeschreven, indien het in letterlijken zin aan uitwendige Verbondssluiting ware toegekomen. Dit echter houdt niemand staande. Wel hebben op het voorbeeld van a Marck enkelen nagerekend, hoevelc geboden voor Adam golden, en hoevele niet; eene uitrekening waarbij zij natuurlijk op echt Farizeesche manier den wortel der geboden uit het oog verloren; maar die wijze van doen heeft toch geen navolging gevonden. Wie bij Adam van de Wet Gods spreekt, spreekt van die Wet als ingeschapen in Adams hart, en als behoorende tot, en deel uitmakende van die »oorspronkelijke wijsheid" waarmee de eerste mensch gesierd was. Overtuigend blijkt derhalve dat het beding van het Werkverbond organisch in Adams natuur was ingeweven, en hoe zou dan een verbond, op dat beding rustend, werktuiglijk zijn toegegaan?

Toch overdrijve men hier ook weer niet van den anderen kant, door het voor te stellen, alsof deze Verbondssluiting buiten Adams bewustzijn ware omgegaan. Integendeel in de eerste oogenbliken van zijn aanzijn, toen de pas geschapen mensch ontwaakte in de nieuw geschapen wereld, en voor het eerst inleefde in de verhoudingen, waarin hij stond, ook in de verhouding tot zijn God, moet het feit van dezen band zóó door zijn bewustzijn zijn gegaan, dat het ook door hem als een Verbond gevoeld werd. Daarom nu is God zelf Adam te hulp gekomen, want wat we lezen van het proefgebod is metterdaad mechanisch toegegaan. God heeft zich toen aan Adam geopenbaard, heeft tot hem gesproken, heeft bepaalde en licht begrijpbare dingen tot hem gezegd, en heeft geheel de verhouding van Adam tot zijn God saamgetrokken op één enkel punt, waarop als op de punt van een naald geheel de toekomstige ontwikkeling van ons geslacht rusten zou. Hierin nu lag wel terdege uitwendige verbondssluiting, en het is in de verbondssluiting op dit ééne punt dat Adam zich van geheel zijn verhouding tot zijn God moest bewust worden, en waarin geheel de beteekenis van het Werkverbond als in één greep lag saam getrokken.

') De vertaling: »Gij zult nochtans sterven«& ^^» mensch", is wel te rijmen met wat voorafgaat, niet met wat volgt. Voorafgaat: »Gij, rechters, zijt kinderen des Allerhoogsten en draagt den naam van Goden", en daarop klopt het zeer wel om te zeggen: «Nochtans zult gij sterven als een tnensch." Maar dit klopt niet met het volgende: »en als een der vorsten zult gij vallen", want de vorsten waren evenals de rechters dragers van de majesteit Gods. De vertaling daarentegen : »als Adam" past én op wat voorafgaat én op wat volgt. Adam was krachtens de schepping »de zoon van God"; welnu, zij, hoewel kinderen des Allerhoogsten, zouden precies zóó sterven als deze »zoon van God''. En ook al waren ze rechters, dat zou hen niet redden. Vorsten die nog 507Jén de rechters stonden, stierven ook

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 februari 1896

De Heraut | 6 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 februari 1896

De Heraut | 6 Pagina's

PDF Bekijken