Bekijk het origineel

„Dan hunne zeer diepe armoede”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Dan hunne zeer diepe armoede”.

10 minuten leestijd

Dat in veel beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap en hunne zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid. 2 Cor. 8 : 2.

Dat de kerken van Christus in de dagen der apostelen meest uit de skleine luyden" bestonden, weet ge stellig in het rijke Corinthe, w.iarvan Paulus met zoovele woorden schrijft: ^AHet vele edekn.1 niet vele'aanz.ienlijken". Maar hetzelfde feit staat niet minder vast van alle toenmalige kerken in Macedonië, Ook van haar toch sclirijft dezelfde apostel, .dat ze verkeerden »/« Z(? < 'r& ]«« armoede". En nog erger stond het, gelijk bekend is, met de kerken in Palestina, Deze toch stonden er. zoo jammerlijk droef aan toe, dat Paiüus, 'om ze boven water te houden, nog voor haar collecteeren moest, bij die toch reeds zoo arme kerken van Macedonië en Corinthe.

In het middenstuk van den tweeden brief aan de kerk van Corinthe deelt de apostel dit, in roerende taal, tamelijk breedvoerig mede. Een stuk der Schrift, dat meerder aandacht waard is, dan er dusver aan ten deel viel.

Door afvijling, verwringing of ombuiging is

de aangrijpende beteekenis]vVan wat hij omtrent deJi kerken^Jn, Macedonië , 'meldt, niet weg te cijferen.

Stond er, dat deze kerken minder bloeiend, dat ze minder welvarend, dat ze achteruitgegaan waren, dan kon men nog volhouden, dat ze niettemin nog in tamelijken doen waren.

Zelfs al stond er, dat ze niet tot de rijke, maar tot de armere kerken behoorden, dan ware er nog een uitweg.

Maar - nhunne zeer diepe armoede" is zoo kras en zoo scherp geteekend uitgedrukt, dat ge hel Woord zoudt moeten vervalschen, om hierbij nog aan zekere ruimte van beschikbare middelen te denken.

Armoede ware reeds een sterk woord geweest. Maar als er bij staat ^diepe armoede", laat het pijnlijk karakter dier armoede zelfs geen twijfel meer over. En als de apostel het dan nóg versterkt, door te spreken van ^zeer diepe armoede", dan duldt eerlijke opvatting niet, dat ge dit anders dan van wezenlijk kommervolle gesteldheid verstaat.

Eerst als ge dit indenkt, en dan er bij weet, dat Paulus van zulke zeer diep-armelijke kerken nog geld aannam voor de nog veel armere kerken van Palestina, kunt ge u eenigszins een voorstelling maken van de ellende en het gebrek waarin die kerken van het Heilige land destijds verzonken waren, en als wat reddende engel Paulus verscheen, toen hij over zee met zijn collecte aan die bijna verkwijnende kerken hulp kwam bieden.

En wat betuigt Paulus ons nu van die kerken in Macedonië met hare jzeer diepe armoede"?

Dit, dat ze ^overvloedig waren in den rijkdom hunner goeddadigheid". Dat Paulus eerst weigerde zulk een betrekkelijk groote som uit zoo arme kerken aan te nemen. En dat zij toen »met veel aandrang hem baden, dat hij de gave en het aandeel in deze inzameling van hen wilde aannemen".

Ja, hij voegt er bij, dat hoewel ze niet alleen in zeer diepen zin arm, maar ook bovendien nog verdrukt waren, onder dit alles en bij dit geven - nhun blijdschap overvloedig was".

En zulks met een blijdschap, die niet uit eigen roem ontsproot, want T> ze gaven zichzelven eers aan God^ en daarna hun gaven aan de broederen".

En zegge nu niemand, dat dit een bijna te ideale toestand was, en dus Paulus hier uit toegevendheid met te heldere kleuren getint heeft, wat in de werkelijkheid wel wat valer zal geweest zijn; want de weduwe met haar penninkske, die Jezus zalig prees, toont u juist hetzelfde. En ook in ons eigen land, en in onze eigen kerken, zijn er nog meer gezinnen aan te wijzen, dan men denkt, waar de kommer even groot en het blijmoedig geven even overvloedig is.

Wonderlijk zelfs is het om te zien, hoe zulk geven van zijn armoede, in plaats van nog meer te verarmen, eer verrijkt; want hierin is het woord waarachtig: «Die in het liefdewerk spaarzamelijk zaait, zal spaarzamelijk fnaaien; maar wie in mildheid zaait, zal ook mildelijk maaien kunnen".

Uw God legt er~ een zegen in.

Als men arm is, verblijdt het en krenkt het tegelijk, als men van menschen eenjgavemag aannemen.

Het verheugt het hart, want het breekt den nood; maar ook het krenkt de ziel, want het vernedert. En dan eerst gaat die vernedering er af en houdt die. krenking op, als het komt uit onbekende hand, of ook uit een hand, die wel gekend is, maar waarvan men voelt en weet, dat ze in den Naam des Heeren uitdeelt, en niet uit zich zelve.

Was nu die krenking niet te ontgaan, dan wreekt de arme zich, en heft zich weer op, door op zijn beurt van zijn armoede zelf te geven. En nu nog zijn de voorbeelden voor het grijpen, dat een wezenlijke arme, als er aan zijn deur aangeklopt en gevraagd wordt, van de vijf centen die hij heeft, er nog één aan dien vrager uitreikt.

Op zich zelf ligt er dus niets vreemds in, dat die kerken van Macedonië er op stonden, dat men in hun armoede, hen met de collecte niel zou voorbijgaan. Ze stelden er prijs op, om ook in hun armoede mee te doen. Niet met groote giften natuurlijk, want die hadden ze niet; maar dan toch met kleine giften, waarin ze onderling wedijverden, en die door. de veelheid der personen, ongemerkt klommen tot een nog verrassend bedrag.

Om zoo te kunnen 'geven, had men zich alles wat niet broodnoodig was, ontzegd. Soms zelfs was het uit den mond gespaard. Want liever nog deden ze het met een schraler maal, dan dat hun de vreugde en het genot zou ontgaan, om, ter wille van Jezus, en uit dank aan den eeuwig dierbaren Heiland, ook hm penninkske' te storten in deze .collecte voor de bekommerde broederen te Jeruzalem.

Weldoen was hun op zichzelf een lust; en zich door hun armoede dat hooge genot niet te laten rooven, .gold hun als eeil zaak van heilige eere, waarvoor geen offer hun te groot was.

In zulk een «overvloedige milddadigheid" bij zoo ^zeer diepe armoede" ligt iets ongemeen beschamends voor wie onder de Christenen niet arm is, en zelfs in goeden, ja in zeer goeden doen mag verkeeren.

Cijfers in het geestelijke minnen we niet; maar als ge eens het percent kondt berekenen, welk gedeelte van zijn wekelijksch inkomen een iegelijk in die doodarme kerken gaf, en welk percent'meer welgedane broederen en zusteren, die ganschelijk_ geen gebrek hebben, van het hunne om Christus' wille afstaan, broeders, ge zoudt uw eigen laag cijfer maar liefst niet zien willen.

Men spreekt van Gode zijn tienden offeren. Nu, heel wat ruim levende broederen halen zelfs dat tiende op verre na niet met hun gaven. En dan was die tienden nog een wettisch minimum voor éen knechtelijken dienst, terwijl die kerken van Macedonië het u wel leeren, hoever zulk geven nog boven^Ai.V^'CvïïA' uitschiet, zoodra de geest die ^levend maakt de letter die doodt vervangt.

Roemen mag men voorzeker in onze Gereformeerde kerken, althans zoolang men ze vergelijkt met wie op dit punt lager staan. De vijfmaal grootere, goeddeels Amsterdams rijkdom in zich bevattende Synodale kerk in de hoofdstad, bracht in kerkcollecte voor de scholen een vorige maand even / 400 saam; de Gereformeerde kerk, die vijfmaal kleiner is, en weinig rijken en aanzienlijken huisvest, een derde meer; boven en behalve dat ze nog haar eigen kerken en leeraars onderhoudt.

En dit lezende, roemt ge.

Maar als ge nu weet 'dat diezelfde kleine kerk voor acht jaren bij de / 1000 voor hetzelfde doel saÉlmbiacht, en nu op ƒ 600 daalde, dan is uw roem weg, en treft u verwijt.

En als ge dan nog verder gaat, en ge vergelijkt zulk een kerk met Vat de kerken van Mace­ donië in Paulus' dagen deden, dan komt er bij het verwijt onrust^ en prikkelt de vraag hoe we ooit stot dien overvloedigen rijkdom van hun goeddadigheid" zullen opklimmen.

Geven, mild geven, is een geestelijk middel tot stichting. Geven breekt uw zinlij ken zin. Geven maakt den glans der ijdelheden voor u dof. Geveir maakt u losser van wat. voor oogen is. Geven verzwakt uw zelfzucht. Geven sterkt uw wilskracht ten goede. Geven trekt u naar het inwendige terrein des levens. Geven doet u iets gevoelen van de liefde Gods. En ook mag wel zonder vrees voor bedenking of tegenspraak gezegd, óp uw sterfbed zult ge van geen uitgaven minder berouw hebben, dan van hetgeen ge om Christus' wille, en in zijn naam, voor zijn zaak en voor zijn armen gegeven hebt.

Daarom bewijst men aan elke kerk, aan elk gezin, en aan elk persoon in dit gezin, een geestelijken dienst, zoo men hem van «zV^-geven tot geven^ van schriel geven tot tnildelijk geven, van geven omdat het moet tot geven uit eigen lust en aandrift weet te brengen.

In goed geven werkt een kracht van den Heiligen Geest. Het is een der ons van God toebetrouwde middelen, om een meerdere genade deelachtig te worden. Geven brengt ons nader tot Hem, die óns alles geeft, tot de Fontein aller goeden.

Schrale collecten, schriele inzamelingen, zijn daarom een soort thermometer, die u toonen hoe koud en hoe bevroren het geestelijk leven in een plaatselijke kerk .is.

Iets wat wel niet hoofd voor hoofd doorgaat, want er komen ook groote giften uit vertoon, met ophef, uit reclame; maar over het geheel der gemeente en over heel een jaar genomen, gaat de regel door.

En de historie toont dan ook, dat de collecten nooit milder vloeiden dan in de dagen van bange verdrukking, als het geestelijk leven bloeide, en soms tot beschamens toe daalden in tijden, als de druk er af is, en het geestelijk leven kwijnt.

Onze Catechismus noemt het een stuk van den Sabbatsdienst^ om den armen niet maar shandreiking", maar » Christelijke handreiking" te doen, en wat sChristelijk", in plaats van Joodsch en Heidensch geven is, leer dat van de kerk van t Macedonië.

Uit hun zeer diepe armoede.^ met volle blijdschap^i overvloedig in goeddadigheid!"

Sterker nog. Onze kerken leeren, dat ge niet alleen geven moet van wat ge hebt, maar ook dat ge strouwelijk arbeiden moet., opdat ge den nooddruftige helpen moogt"

Niet maar geven als ge het hebt, maar er u voor inspannen, om het te krijgen. En ook als ge genoeg gearbeid hebt voor eigen behoefte, dan nog opzettelijk overwerken, om te kunnen geven aan den broeder.

Zoo teeder, zoo diep gaat dat Christelijk geven. Dat moet de man van zijn bezit of van zijn verdienste, dat moet de vrouw van het uitsparen harer zuinigheid, dat moet het kind van zijn weekpenningen, dat moet de dienstbode of de knecht van het loon doen.

Als men van God iets extra's ontvangt, moet er van af, om te geven. Als er feestvreugde is, moet ge die feestvreugde heiligen.

Niet maar het hoofd van het gezin, moet voor allen saam, maar een ieder moet voor zich zelf geven.

Eerst als de geest van het Christelijk geven wakker, machtig en overweldigend wordt, ontdooien de vastgevroren wateren, en vloeit en stroomt en bruist de beek der heilige liefde weer, uzelf tot sterking en zielsverkwikking, en uw Vader die in de hemelen is tot eer.

Steke daartoe het vuur van den één de ziel des anderen aan. Spatte van gezin op gezin die vonk der heilige liefde over.

Ge wilt immers dat ook uw gezin een Christelijk huisgezin zal mogen heeten, welnu, een gezin kan noch mag dien eerenaam dragen, indien er niet ook sde Christelijke handreiking" gul en mildelijk bloeit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Dan hunne zeer diepe armoede”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken