Bekijk het origineel

Onthouding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onthouding.

7 minuten leestijd

III.

Het mag niet worden voorgesteld, alsof er in de onthouding van eenige spijs of drank of wat ook, iets bijzonder ^C/irisLlijks" school.

Dat stelt men wel zoo voor, maar het is niet zoo.

Iemand, die geen enkele spijs of drank in den ban doet, kan daarom in niets minderen zin, ja, zelfs in hoogeren zin een kind van God zijn, dan de man, die teetotaller is, niet rookt, en met de vegetariërs loopt.

Aan eenige onthouding, welke ook, is niet één enkel kenteeken van hoogere genade te ontkenen.

Wel kan men omgekeerd zeggen, dat misbruik in welken vorm ook, teeken is van mindere genade. Maar wettig gebruik kan blijk en teeken zijn van een meerdere genade dan onthouding.

Dit moet scherp en duidelijk op den voorgrond staan, omdat alle onthouding impo­neert.

Er ligt in alle ontlionding zekere daad van zelj beheersching, zeker betoon van kracht. Dat doet die man, en ik doe het iiiet. Hij kan het, en ik zou het niet zoo kunnen.

Zielkundig maakt dit op den oningewijde onwillekeurig een indruk van hoogere heiligheid, en voor dien indruk gaat men gaarne uit den weg.

Daarbij komt, dat zulk een besluit tot onthouding veelal genomen wordt in dagei. dat ernst het hart aangreep, en ontegenzeggelijk blijkt er uit, dat voor een wijle n de ernst des levens de overhand kreeg over de zinlijke neiging van het hart.

Juist Ga.aroiii echter is het noodzakelijk, tegen dit alles in, er ons helder en duidelijk van bewust te blijven, dat er in al deze onthouding, onder wat naam of vorm ook, op zichzelf niets speciaal Christelijks ligt.

De monnik en de non, die onthouding zweren van het huwelijk, van alle aardsch goed en van eigen wil, drie op zich zelf natuurlijke en overweldigende zaken, beelden zich metterdaad in, dat ze door deze onthouding een hoogeren trap van Christelijk leven bereiken, dan de gewone leek, die huwt, eigen bezit heeft, en geen afstand doet van eigen beleid. En in de Roomsche kerk is vrij algemeen de waan doorgedrongen, dat hier metterdaad een hooger gestegen staat wordt afgeteekend, waarin het Christelijke meer tot zijn recht komt.

Zoo was het bij de Manichaeën, met de uitverkorenen. Kortom zoo gaat het overal waar het stelsel van onthouding doorgaat. Het maakt scheiding tusschen wie het doen en wie het niet doen. En wie het doen, beelden zich ten slotte in, en maken op anderen den indruk, dat ze leven op een hooger niveau, een sport twee drie hooger op de ladder staan. En zoo ook hier, dat er iets meer geestelijks, iets specifiek Christelijks in ligt, om te leven zooals deze onthouders leven.

Weet men nu op welke gevolgen deze scheiding in lager en hooger zedelijkheid allerwegen is te staan gekomen, dan zal men beseffen, hoe noodzakelijk het is, van meet af te protesteeren tegen elk denkbeeld, alsof in zulke onthouding iets bijzonder Christelijks lag, zoodat wie zich onthoudt, een inniger, een beter, een vromer en geestelijker Christen zou zijn, dan wie dit niet doet.

En dat dit metterdaad zoo is, blijkt duidelijk uit tweeërlei Qverweging.

Vooreerst uit de overweging, dat de «onthouding" wel verre van eerst op Christelijk terrein te zijn opgekomen, veeleer eeuwen lang vóór Christus' geboorte bestond onder schier alle volken, bij alle afgoderijen voorkomt, en telkens juist van buiten af in de Christelijke kerk is ingedrongen.

De eigenlijke bakermat van dit stelsel o van onthouding ligt in Voor-Indië. Het is n onder het Buddhisme tot zijn volle ontwikkeling gekomen. En wie thans nog naar l Inciië gaat, kan op allerlei pijnlijke wijze kennis maken met de God en mensch onteerende excessen, waartoe dit stelsel van 1 onthouding ten slotte leidt.

Ook bij de Phrygiërs, Babyloniërs en Syriërs was dit stelsel van vroege tijden af inheemsch, zoo zelfs dat het een open vraag blijkt, of het niet uit Mesopotamië naar Indië is overgegaan.

In de Egyptische afgoderij vindt men hetztlfde stelsel van onthouding, zij het ook in matiger perken.

En overal, waar buiten het heilige erf dit stelsel van onthouding doordrong, heeft het steeds tot die fatale onderscheiding tusschen een hooger en lag^r zedelijkheid geleid, en altoos het karakter vertoond, dat dit hooger zedelijke zich ten slotte vertutwendigde.

Tot zelfs in de scholen der wijsgeeren is ditzelfde stelsel van oudtijds en nu tot heerschappij gekomen. Ouistijds bij de Stoï' cijnen, die het eigen woord van ascese bezigden, om deze onthouding uit te drukken, en niet minder thans in de school van Schopenhauer.

Nu spreekt het toch wel vanzelf, dat een stelsel, een verschijnsel, dat zich op religieus gebied vertoont, lang eer het Ciiristendom opkwam, dat het weligst bloeide bij afgoderijen die liirrech'" te< ren het Christendom overbcvoien duur ailcilci < itj^uui.-> cne pne.-5tcr.T, eo door van Christus geheel vervreemde wijsl t geeren, onmogelijk iets specifiek Christtlijks kan wezen, en dan ook niet bewijze.T kan, dat wie er aan meedoet meer Christelijk of beter Christen zou zijn, dan wie er zich buiten houdt.

Ge ziet het dan ook, hoe de Sociaaldemocraten, die alle geloof zelfs aan der; levenden God hebben afgezworen, en allerlei Modernen die den Christus en zijn Godheid loochenen, in onthoudingsijver anderen voorgaan.

De tweede overweging, die de eerste bevestigt, is dat iets om Christelijk te zijn de navolging Christi moet vertoonen, moet uitkomen als een gelijkvormig worden aan zijn beeld, en moet heerschen door een drukken van zijn voetstappen.

Staat het nu vast, dat Johannes de Dooper onthouder was, en dat Jezus juist in tegenstelling met Johannes den Dooper gezegd heeft: «De Zoon des menschen is gekomen wel etende en wel drinkende"; en toonen bovendien de feiten, dat er in Jezus' leven geen spoor te ontdekken valt van zulk een onthouding; ja dat integendeel de Heer'=' Jezus het gebruik van den wijn door een wonder verheerlijkt heeft, het gebruik van den wijn opnam in het hoogheilig Sacrament van het Avondmaal, en het drinken van wijn koos als beeld waarin de toekomst van het-rijk der heerlijkheid wordt geschilderd, — dan is het hiermede uitgemaakt, dat de zin, die in Christus Jezus was, niet is de zin die in het stelsel van onthouding zich uitspreekt.

Neemt ge nu beide overwegingen saam, vooreerst dat het stelsel van onthouding bij niet-Christenen opkwam en bij niet-Christenen in eere was, en nu nog is; en dat anderzijds, het stelsel van onthouding geheel buiten de navolging Christi valt, ja er tegen ingaat; — hoe ter wereld is het dan te verdedigen, dat men om een goed Christen te zijn, tot dit stelsel zou moeten overgaan, en tot zijn ziel zou mogen zeggen: Thans eerst ben ik een goed Christen geworden, omdat ik nu voor de onthouding ben.

Natuurlijk zoo kan spreken, wie zich te buiten ging en eenig ding misbruikte, en sinds van deze zonde af kwam, overmits dan niet in de onthouding, maar in het breken met de sonde zijn Christelijk merkteeken ligt.

Maar komt ge op het stelsel als stelsel, dan past ons veeleer de uitspraak, dat wie het stelsel der onthouding aankleeft, er mee dweept en er voor ijveren gaat, grootelijks gevaar loopt, onder vromen schijn, te verachteren van de genade en aan zijn Christelijk karakter schado toe te brengen.

Heere, ik drink geen wijn noch sterken drank, ik onthoud mij van rooken en zingenot, ik eet geen vleesch, maar enkel moeskruiden, ik dank U dat ik niet ben, als die anderen!"

Want al spreekt men dat niet uit, de toon er van kan toch in de diepte van het hart weerklinken.

hart weerklinken. En gaat men dan henen, gerechtvaardigd naar zijn huis?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 februari 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Onthouding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 februari 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken