Bekijk het origineel

„Een weg die nog uitnemender is.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Een weg die nog uitnemender is.”

9 minuten leestijd

Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u eenen weg, cüe nog uitnemender is. I Cor. 12 : 3r.

II.

De Liefde, wier schoon, wier hemelsch, wier Goddelijk karakter ons de apostel in zijn brief aan Corinthes kerk voorzingt, is buiten kijf in haar eersten aandrang niet als liefde tot den broeder, maar als liefde tot God bedoeld.

De martelaar in vers 3 wijst dit uit. Wie als belijder des Heeren zijn lichaam overgeeft om verbrand te worden, doet dat om God., en niet om zijn vrouw of kind. Integendeel, om zijn liefde voor God tot op den brandstapel te voleinden, moet hij veeleer de liefde voor vrouw ep kind onderdrukken in zijn hart.

Ook aan het slot wordt de Liefde tot één snoer saamgeregen met het Geloof en met de Hope. En nu, is niet het Geloof geloof in God., is niet de Yixy^t-hope op God., en zou dan, in ditzelfde verband, de Liefde iets anders zijn kunnen dan liefde voor Godi'

Bovendien hoe zou hier aarzeling kunnen bestaan f Of blijft dan de liefde voor God niet het eerste en het groote gebod? En hoe zou Jezus' apostel ons dan als »nóg uitnemender" een weg aanwijzen, die dit eerste en hooge gebod bij de liefde voor den broeder achterstelde ?

Zelfs van twijfel kan dus hier geen sprake wezen. De uitnemender weg, die ontsloten wordt, is de weg der Liefde, en die Liefde is allereerst bedoeld als liefde voor God.

En tocli, gul dient het toegegeven, wordt het meest anders verstaan.

Vanwaar dit?

Blijkbaar uit tweeërlei oorzaak.

Voooreerst omdat de apostel in vier aangrijpende verzen achtereen de Liefde prijst in uitingen die niet op God, maar op den broeder doelen.

sDe Liefde is lankmoedig; ze is goedertieren; ze is niet afgunstig., en zooals tot den einde toe deze vier verzen luiden, slaat, gelijk ieder toestemt, niet op onze verhouding tot God. Hoe toch konden we voor God lankmoedig, goedertieren en niet afgunstig wezen?

Neen, dit alles wordt van de liefde voor de broederen gemeld.

En de tweede oorzaak was, dat ook de ongeloovige wereld, die het Geloof verwerpt, en de Hope mist, nochtans aan de Liefde zich vastklemde, en I Cor. 13 op alle hooge tonen loven kon.

Zij nu, die ongeloovigc wereld, dacht natuurlijk geen oogenblik aan de liefde voor God, maar trok alles saÉ, m. op de liefde voor den naaste, niet eens in heiligen, schier uitsluitend in algemeen menschelijken zin.

Dit nu heelt ook op onze kringen ingewerkt, en zoo is de grondtoon van dit epos der Liefde ten slotte ook in het oor van Gods kinderen vervalscht.

Beduidt dit nu, dat we de liefde voor den broeder hier als bijkomstig hebben te beschouwen; als iets dat er desnoods af kan; dat er minder toe doet?

Hierop antwoordt Johannes, Paulus' medeapostel, en die niet minder dan hij, de Liefde geloofd heeft: sEen iegelijk die liefheeft Hem, die geDoren heeft, die heeft ook lief dengene die uit Hem geboren is."

Wie in zijn hart de liefde voor God mag bezitten, die kan niet anders, die moet ook den broeder liefhebben. En hij heeft ze lief.

Want het gaat om en om, en diezelfde apostel die zegt: »Een iegelijk die God liefheeft, die heeft ook lief wat uit God geboren is", zegt vlak daarop omgekeerd: »Hieraan bekennen we dat we de kinderen Gods liefhebben, indien we God liefhebben."

Ge kunt het dus aanvullen zooals ge wilt, altoos blijft de uitkomst een.

Wie God liefheeft, heeft den broeder lief. En wie den broeder liefheeft, heeft God lief.

De ééne liefde is zoo weinig van de andere te scheiden, als de glans van het licht of de ivarmte van de zonnestralen.

Het is niet alzoo dat de ééne liefde bij de andere uitkomt, of haar aanvult en rijker maakt.

Veeleer moet beleden, dat waar de ééne liefde is, ook de andere wordt gevonden, en dat het ontbreken van ééne dier twee ook de ontstentenis bewijst van de andere.

De sleutel nu van dit mysterie ligt daarin, dat de Liefde, als liefde genomen, een grondstemming van ons, innerlijk leven aanduidt; en het is in de tegensteUing met uw eigen ik., dat de aard en het karakter van die grondstemming het schoonst verstaan wordt.

Niet dat bij de liefde uw eigen ik weg kan vallen.

Ititegendeel uw ik moet er zijn en blijven, en zelfs krachtig blijven, of hoe zou anders de liefde uitgaan ?

Gij zijt het toch die moet liefhebben, het is toch uw eigen ik dat deze liefde toonen moet.

Waar het eigen ik slaapt, slaapt ook de liefde, en niet in een onderdrukte, maar veeleer alleen in een krachtig oplevende persoonlijkheid begint de gloed der Liefde uit te stralen.

Het is dus volstrekt niet, dat uw eigen ik weg moet; maar wel is het de vraag, of uw eigen ik deuren en vensters dicht doet en zich in zich zelf opsluit, en zelfgenoegzaam wil wezen, en alleen zich zelf mint en bedoelt, — of wel dat uw eigen ik de vensters openslaat, door de'geopende deur van het hart uitgaat, lust heeft aan wat daar buiten is, een drang in zich voelt, om zich in wat daar buiten is te verlustigen, er iets voor te zijn, er zich aan toe te wijden, en het te zegenen.

Een hart, waarin de liefde ? /; > /den grondtoon vormt, is er op bedacht, hoe het zich zelven zal handhaven, vreest aldoor dat zijn licht door anderen zal betimmerd worden, is daardoor afgunstig en achterdochtig, en vraagt niet: Hoe kan ik God en den broeder dienen ? maar omgekeerd: Hoe kan God mij helpen en hoe kunnen do broeders mij ten dienste zijn?

Tweeërlei grondtoon aUoo is de stemming, is de uitgang, is het diepste roersel van het hart.

De ééne er toe neigend, om zich op te sluiten, om zich tegenover anderen te handhaven, bang te zijn dat anderen hem overschaduwen, alles naar zich toe te trekken, en als een spin in de webbe zittend, elk vliejije te vangen, dat in de draden van het web hangen blijft.

De andere daarentegen er toe neigend, om gemeenschap te. zoeken, om naar God en de broederen uit te gaan, om zich te verkwikken in den glans die van andere sterren uitstraalt, om zich te geven, te dienen, te zegenen, en te zijn als de bij, die de honig puurt, opdat anderen zich aan haar zoet verkwikken.

Wat in Psalm 116 staat, niet: jGod heb ik lieP', maar kortweg: -alk heb lief'\ zonder iets er bij, Örft is hét.

Dat bevlulut, < lie zalige grOl.^; t•.: /oll m. uc bU: Uiming onzer ziel. Iets in ons uit Hem, die de Liefde zelf in.

En dat iets uit Hem als een vuur in onze beenderen brandende, om strijd naar God en naar de broederen uitgaande, niet als plicht maar uit zielsdrang, niet als een offer dat ge brengt, maar als ten hartstocht der ziele dien ge botviert.

Wie waarlijk deze liefde in zijn ziel omdraagt, die moet minnen, die kan niet van het minnen aflaten, dien is minnen en liefhebben zijn God en zijn broederen metterdaad een hartstocht, die zijn hirt verteert, en die soms zoo sterk kan zijn, dat ze zijn hart pijn doet, en die in oogenblikken van zalige verrukking zoo tot een ^verteerd worden van liefde" kan opwaken, dat de ziel verlangt om te sterven., om in die Liefde weg te zinken. ,

Die wondere Liefde doet dan ook wonderen.

Van nature is het u onmogelijk, om niet telkens kregel en wrevelig en driftig te worden, zooals ge telkens gehinderd, gekweld en door anderen getergd wordt. Als het anderen meêen u altoos tegenloopt, onderdruk dan eens de afgunstigheid. Als ge u zoo telkens tot in uw beste vrienden teleurgesteld ziet, weer dan eens uit u de achterdijcht.

Het gewone leven toont het u dan ook, hoe dat gemis aan lankmoedigheid, die afgunst, die benijding, die naijver, die kwaaddenkendheid, dat wantrouwen, dat oprakelen van het mingoede, dat bitter, dat wrevelig, dat driftig worden, tot in het middenpunt van onze Christelijke kringen nog telkens het leven vergiftigt en bederft.

En dat kan niet anders, want het leven is pijnlijk, is uiterst moeilijk, is hoekig en kantig op alle manier. Niet zoozeer in die gedempte kringen, waarin men niet meeleeft, zich buiten aUes houdt, en meer een plantenleven leidt, dan een leven van dienstknechten en krijgsknechten des Heeren.

Maar pijnlijk en moeUijk is het leven in hooge mate als uw leven op hooger trap s!aat, als ge staat waar de machtige vraagstukken en de teederste belangen tot beslissing moeten komen, als ge niet in uw tente schuilt, maar meê de hitte des daags draagt.

Dan ontketent, o, zoo vaak juist het heilige zoo vaak de onheilige hartstochten in u, en handelt ge onchristelijk, en wordt ge verbitterd, en denkt ge kwaad, en kunt ge niet bedekken, noch verbergen, noch gelooven aan anderer goede bedoeling, noch hopen op hun wasdom in genade.

Maar te midden van die bange werkelijkheid, en hoe ook in het aangezicht weerstaan, gaat nu de juichtoon op, dat, als er ook maar één enkele vonk van die hemelsche, van die zoete, van die Goddelijke liefde in uw hart komt te branden, opeens ook de stemming, de neiging, de uitgang, de innerlijke bevinding van uw hart zoo heel anders wordt.

Zóó anders, dat het feitelijk-bij u uitkomt, wat Paulus jubelt, en dat datzehde hart in uw boezem, dat eerst afgunsttg was, en benijdde, en niet verdragen kon, en driftig werd, en bitter ademde, nu, niet door drang, fnaar vanzelf., inderdaad en naar waarheid niet afgunstig is, niet opgeblazen, «/V/lichtvaardig, «/V/ongeschikt, niet zichzelve zoekend, niet bitter, niet kwaaddenkend, maar zóó, dat het zich verblijdt in de waarheid, alle dingen bedekt, alle dingen gelooft, alle dingen hoopt en alle dingen verdragen kan.

En bevindt ge dit alzoo in u, is er dan iets minder dan een wonder in u getooverd ?

Thans nu er zoet water komt, uit de eerst bittere bron ?

En zult ge, daartoe gekomen, dan zeggen, dat zoo lief te hebben u een offer kost, dat het u pijnlijk valt, dat ge er u zelf voor overwinnen moet, en u geweld moet aandoen ?

Och, als het zoo nog bij u is, dan is het nog de Liefde niet van welke Paulus roemt. Dan is het nog nagebootste, gekunstelde liefde. Goud voor het oog, maar nog geen goud in het wezen.

Want hierin beroepen we ons op Gods Woord, en op de zielsbevinding van al Gods heiligen, of de oogenblikken, waarin ge zóó mocht liefhebben, niet oogenblikken van heilige verrukking, van slaking van banden, van vrijmaking der ziel, van voorsmaak van hemelsche zaligheid zijn geweest.

En daarom bidt, wie tot bidden geneigd en tot bidden bekwaam is, niets vuriger van zijn God, dan dat die zalige oogenblikken hem vermeerderd, hem verveelvuldigd, hem bestendigd mochten worden.

Want waarlijk, wie zoo mocht liefhebben, roemt er niet in, dat hij liefhad, maar dankt, dankt uit het diepst der ziele, die Eeuwige Liefde, uit wie zoo zalig liefhebben hem toekwam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Een weg die nog uitnemender is.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken