Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

DE WEERPROFEET.

II. (Slot).

»Nu, " zoo ging de waard voort, 5't had weinig gescheeld, geloof ik, of ik was ziek geworden. Maar nu ben ik de ziekte vóór geweest, en heb, Gode zij dank, tlians weer niet te klagen."

»Wat was het dan ? "

«Wel, gisterenmorgen kreeg ik, even na het opstaan, zware lioofdpijn. Ik kon uit mijn oogen niet zien.' Meteen werd ik zoo geweldig koud, dat mijn tanden begonnen te klapperen en ik beefde als een riet. Ik begreep dat het mis was, want de zon scheen fel, zoodat het, en dan voor dezen tijd van 't jaar, geen weer was om te huiveren. Ik was heel Taevreesd, dat ik de zenuwkoorts krijgen zou."

sDaar was misschien wel kans op geweest. Maar wat hebt ge dan ge< iaau om dat te voorkomen ? "

komen ? " sja ziet gij, mijnheer, ge zijl zeker een dokter dat ge er zoo naar vraagt. Ik wil 't u graag vertellen. Mijn jongens waren juist in de schuur aan het dorschen. Ik er heen en den zwaarsten vlegel genomen, dien ik vinden kon. En nu ging 't er op los".

»Ik dorschte en dorschle alsof er goud mee te verdienen was. Na een poos werd ik geweldig warm, en eindelijk bralc mij 't zweet aan alle kanten uit. jVIaar zie, meteen ging liet gevoel van ziek te zijn over en, toen het 's middags etenstijd was, smaakte het maal mij alweer kostelijk."

»Hm, hm, " zei de dokter, ik moet zeggen 'tis een paardenmiddel, maar in elk geval frobaturm.

»Ja mijnheer, die rare woorden versta ik niet", sprak de waard, smaar ge meent zeker, dat mijn huismiddeltje geholpen heeft"?

»Juist", antwoordde de dokter, met een glimlach, terwijl hij zijn vriend den professor aanzag. Doch deze gaf hem een blik terug, die scheen te zeggen: sDie vriend verstaat de geneeskunst al even goed als gij, ja misschien nog betej."

't Gesprek mei den waard hield nu op, daar deze in het-vertrek 'teen en ander te doen had. De beide heeren praatten intusschen voort over allerlei, toen zij op eens gestoord werden doordat de deur openvloog en een knaap haastig binnenkwam, roepende: so Vader, kom spoedig ! We moeten de haver gauw binnenhalen. Hans is gaan rollen.. Er komt regen."

Dat hoorde de weerkundige professor, en verbaasd liep hij op hét venster toe, om naar de lucht te zien. 't Was prachtig, helder, zonnig weer. Wat vertelde die Hans dan van regen?

Intusschen had de herbergier al zijn muts opgezet en wilde heengaan, toen de professor sprak:

Maar man, doe nu geen dwaasheid, 't Is Oostenwind; er is geen wolkje aan den hemel. De lucht staat zoo strak mogelijk. Laat dien Hans praten en geloof mij; ik bestudeer het weder al jaren lang."

Best mogelijk, mijnheer, " was 't antwoord, smaar in dit geval geloof ik toch Hans, al kan hij niet praten, meer dan u." sNiet praten? Wat bedoelt gij? "

Wel, gij moet weten, dat Hans onze ezel is. En als dat beest op zijn rug gaat liggen, weet ik zeker dat er regen komt."

3.Maar vriend, dat is immers onmogelijk. Hoe kan zoo'n beest dat nu weten? "

»Ik zei u al, dat hij niet praten kan en dus heeft hij mij dat ook nooit verteld. Maar waar is het, en als gij het wilt afwachten, zult ge het zelf zien. Maar nu moet ik gauw weg, eer mij de haver door den regen bederft".

Meteen ijlde de waard de deur uit. De dokter keek den professor nu op zijn beurt aan en sprak: sHoor eens, vriend, als we wijs doen, moeten wij den regen maar niet afwachten en dadelijk opstappen. Want in een land waar men den vlegel tot dokter, en den ezel tot professor maakt, houden wij het geen van beiden uit."

Zoo gezegd zoo gedaan. Zij betaalden de rekening, lieten den waard groeten en vertrokken. Drie uren later regende het dat het goot. En toen die twee later thuis kwamen hadden ze veel moois gezien, maar bovenal geleerd, dat een dokter en een professor soms van een eenvoudig mcnsch nog heel wat leeren kunnen. En die les heeft hun altijd goed gedaan.

EEN ONWEER.

We hebben in de laatste dagen op vele plaatsen hoog water gehad en in Duitschlaud en andere landen zijn daardoor zelfs allerlei onheilen gebeurd, ook menschen omgekomen. Tegelijkertijd hoorden we, dat in de hooge Alpenlanden en in de gebergten sneeuwvallen zijn voorgekomen en eveneens menschen het leven hebben verloren.

't Een en ander staat met elkaar in verband. Door de zware regens en de sneeuw in den laatsten tijd stroomt er veel vocht van de bergen, dat dan de rivieren doet zwellen die, wijl zij te vol worden, buiten haar oevers treden allerlei ongeliikken veroorzaken en groote schade aanrichten. Daarbij komt dan soms, gelijk ook nu weer, een wind die de Föhn (lees Eeun) heeï en de sneeuw plotseling en sterk doet smelten, zoodat alom_. liet water zich ruischend en in beken naar beneden spoedt. Dit gebeurt wel ver weg, maar toch merken wij er hier de gevolgen van.

Als in Maart en April 't bij ons nog recht guur en buiig kan wezen, zendt de zon in de zuiderlanden haar stralen reeds loodrecht op de aarde. De zuidenwind steekt dan op, die eerst nog door de passaatwinden uit het noorden, die koel zijn, tegen werd gehouden. Hoe meer en krachtiger die zuidenwind waait, hoe heeler het Avordl.

't Zijn die winden welke men in de woestijn Samoen noemt. Zij werpen het zand in de hoogte zoodat het in wolken ronddwarrelt, de zakken met water, welke de karavanen meevoeren, uitdrogen, en menschen en beesten van dorst bezwijken en onder 't zand begraven worden. Tegen dien gloeienden wind in te gaan is onmogelijk, 't Best is zoo mogelijk achter iets weg te schuilen of plat op de aarde te gaan liggen.

Diezelfde wind heet in Egypte on Syrio Chamsin., d. i. de wind die waait binnen vijftig dagen. Op de Middellandsche zee noemen de schepelingen hem Sirocco en vreezen zijn komst. Evenzoo de Italianen. Want als de Sirocco waait, die nu reeds door het water der Middellandsche Zee is afgekoeld, kan men toch heel den dag zoo goed als niets doen. Mensch en beest liggen afgemat neer. 't Is ook dezelfde wind, welke in de Alpen Föhn heet en als hij nog noordelijker en al koeler wordend onze streken bereikt, is 't uit met den winter. Het ijs smelt, maar ook kan hij door het vele water allerlei onheil doen ontstaan.

In den Bijbel vinden we ook van zulke ver» zengende winden gesproken. Denk maar aan den droom van Pharaoh, en de aren welke de Oostenwind verzengd had.

Trouwens, in alle landen, zou men haast zeggen zijn de winden die ontstaan, zoo ik straks zei, of die zoo woest heerschen, gevreesd, maar vooral in de tropische gewesten. Dat zijn die welke liggen tusschen de beide keerkringen, dus in de heete luchtstreek.

Kan reeds van de winden in de streken waarover we straks spraken, gezegd worden, dat zij de borst benauwen' en mensch en beest beangstigen, in de keerkringslanden is het soms als zou de wind heel de natuur, waarin hij heerscht, verwoesten. De bladen der groene boomen verdorren en stuiven weg, de dorstige aarde splijt en gaapt, en al wat leeft schrikt. Toch zijn juist die zuidenwinden eigenlijk boden des levens. Want zij voeren de heilzame regenstroomen uit het Zuiden aan. Wel kan, zoo lang zij waaien, geen onweer saam trekken, geen wolk zich in regen ontlasten, maar allengs worden zij zwakker. Nu begint een strijd tusschen het levenbrengend water en de gloeiende, verderfelijke winden. Hoc zwakker de zuidenwinden waaien, hoe nader de regen komt. Al dichter en donkerder worden de wolken, lot eindelijk de losbarsting volgl.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken