Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

9 minuten leestijd

Het Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie., dat steeds in belangrijkheid wint, bevat ditmaal een recensie van Dr. Kuypers Encyclopaedic., door Ds. A. Brummelkamp, in zoo wehvillenden zin, dat kieschheid ons verbiedt er meer van te zeggen. Maar voorts ook levert Prof. Noordtzij in die aflevering een belangrijk overzicht over, hetgeen den laatsten tijd op wetenschappelijk terrein tegen de vernietigende critiek op het Oude Testament het licht zag.

Vooral het slot hiervan is belangrijk. Het luidt aldus:

Vervolgens mag onze aandacht niet ontgaan wat van Etigdsch-Amerikaansche zijde geschiedt. Reeds voor enkele jaren ontwaakte tegenover de ontkenningen van Prof. Robertson Smith een geest van verzet, die ten deele nog wel weinig zich in positieven zin uitte, maar toch ook zekere neiging in die richting vertoonde, al was 't ook in detailstudiën van weinig omvang. Onder de laatste noemen wij vooral Prof. E. C. Bissel (The Pentateuch, its Origin and Structure 1885) en G. H. Schodde (Pentateuch Testimony); A., Moody Stuart (The Bibel true to itself 1884 en Prof. W. H. Green (Moses and the prophets 1884). Sprak eerstgenoemde zich nog nader uit in de inleiding op zijn; «Genesis printed in Coulors" 1892, 't v/as vooral de laatstgenoemde, die in toenemende mate en in zeer beslisten zin zich stelde tegen de negatieve en bemiddelende critiek. Wij vermelden slechts in 't voorbijgaan zijne studiën over The Pentateuchical Qfieslion in Harper's Hebraïca jaarg. 1889—'91 ; andere in de Presbyterian and Ref. Review, U. S, N. A., en de Evangelist van Mei '94. Maar van meer beteekonis is zijn: vThe Unity of the Book of Genesis", New-York 1894. hl dit mtlegkundig werk bestrijdt hij de oorkonde hypothese' naar Strack-Wellhaitsen Kuenen als volkomen onhoudbaar; «Thehypotliesis is self destructive''. Door dezen arbeid heeft hij de hypothese van haren wortel afgesneden; met Genesi's staan ook de andere boeken! En vooral is hier, meer stelselmatig, ter zake zijn: «The'Bxgchix Criticism of tke Pentateuch, New-York 1894. In 't eerste deei zet hij direct en positief en in het tweede 'indirect en polemisch uiteen, dat de Pent.'de aanvang, wortel on grondslag is van den geheelen Canon des O. T. en op in-en uitwendige gronden aan Mozes moet toegekend worden, terwijl de oorkonde hypothese exegetisch onhoudbaaj', de naturalistische geschiedkundige critiek onhistorisch is en beide onvereenigbaar zijn met bet geloof aan en 't bestaan van de Goddelijke openbaring! Green is een der meest positieve O. T.-geleerden, die der Schriftmatige opvatting van de H. Schrift grooten dienst bewijst en met nieuwe en oude middelen krachtig arbeidt in goede richting. Doch ook in Engeland streeft men in die richting voorwaarts. Getuige vooral het in 1894 te Londen en New-York verschenen werk van 652 pag.: «Lex Mosaïca. The Law of Moses and the Higcher Criticism", waartoe 14 geleerden hunne bijdragen hebben geleverd. Het is een der beste apologetische geschriften van den laatsten tijd in Engeland. Ofschoon elke afdeeling een afgerond geheel uitmaakt, vormen de dertien afdeelingen met den epiloog één geheel van buitengewone ~ beteekenis en bewijskracht voor de onderstelUng, waarvan het uitgaat, dat de vijf boeken van Mozes, niet letterkundig, noch archaeölogisch, noch historisch, noch uit een godsdienstig oogpunt, passen in een lateren tijd dan dien van Mozes, gelijk Prof. H. Wace vooral in den epiloogdoet uitkomen. Prof. Watts betoogt dit voor den naexilischen tijd; Mr. Spencer voor den Exilischen, Ezechiël en de priesterschool; Dr. R. Sinker voor de 7de eeuw, Judesclie rijk, Prof. Leathes, (London) voor de 8ste, A. Stewart voor de eerste eeuwen van het bestaan van 't Judesche rijk, J. Scharpe voor die eeuwen van 't tieivstammenrijk; F. Watson voor David's en Salomo's tijd, Prof. Lias (Cambridge) voor dien van Samuel en Saul, Dr. Frensch voor dien der Richteren, Kanunnik Girdlextone voor dien van Jozua; Prof. G. E. Douglas van Deutoronomium; G. Rawlinson van de ceremonieele wetten en A. H. Sayce, tegenover de beweringen van de onmogelijkheid van het ontstaan, van de Mozaïsche litteratuur in Mozes tijd, met archaeologische wapenen aan Egyptologie, Babyloniologie en Assyriologie, ontleend. Inderdaad eene aanwinst van groote beteekenis. En wat vooral hierbij onze aandacht moet trekken en ons leidt tot onze

3de aanwijzing is het feit, dat in de zoo even genoemde serie de naam niet alleen van Rawlinson, maar ook van Sayce, een der beste Oostersche oudheidkundigen en taaikenners voorkomt. Reeds voor jaren hebben wij er op gewezen, dat de ontdekkingen in Egypte en Assyrië-Babylonië vooral aan de H. Schrift, bij name aan het O. Testament meer en meer ten goede zouden komen. De bewijzen waren er toen reeds die indiceerden, dat door die getuigenissen niet alleen de waarheid des O. T. bevestigd, maar ook de methode der nieuwe critiek zou veroordeeld worden. Mannen als Dr. G. Ebers en Prof. E. Schrader, Prof, F. J. Lauth en Dr. A. Wiedemann, H. Brugsch en Prof. F. Lenormant moesten voor de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de O. Testamentische berichten getuigen. Laatstgenoemde zag zich zelfs gedrongen te verklaren, dat hij niet langer met de wijze van doen der rationalistische exegese en critiek kon mede doen ten opzichte van de beoordeeling der O. Testamentische geschriften. Wondervrees mocht geen invloed uitoefenen! En thans is de stroom van getuigenissen dermate gezwollen, dat vooral de Assyrische en Babylonische, litteratuur een buitengewoon krachtig getuigenis geeft voor de geloofwaardigheid en de authenticiteit der O. T. geschriften en de onjuistheid van de methode der nieuwe critiek. Niet alleen zag zich bovendien ook Prof. Hommel in Mei '93 genoodzaakt het uit te spreken dat, in verband met de voortgaande ontdekkingen, de echtheid en authenticiteit van een bericht als in Gen. XIV altijd een struikelblok zal zijn voor de nieuwere Critici, dat zij tevergeefs zullen zoeken weg te ruimen. Maar vooral Prof Sayce gevoelt zich gedrongen tot getuigen. Reeds vroeger gaf hij zijn: «Alte Denkmaler im lichte Neuer Forschungen". In het laatst van 1893 verving hij dit door het intressante werk: «T/te Higher Criticism and the Verdict of the Monuments, waarvan in '94 reeds de vierde druk .verscheen. Hij levert daarin een reeks van Egyptologische-Babylonische en Assyriologische bewijzen, waarvan hij zegt, dat ze veel meer pleiten voor de traditioneele dan voor de zoogenaamde critische beschouwingen betreffende den ouderdom en de authenticiteit van den Pentateuch. En waarlijk het is een boek dat wij niet genoeg kunnen aanbevelen. Maar hij komt daarin ook op tegen de methode der nieuwe hoogere critiek. Hare onderstellingen, zegt hij, waren maar al te vaak gebouwd op gemis aan bewijs van het tegendeel. Haar ontleden en uit elkander halen van geschriften mag zij niet maken tot uitgangspunt of grondslag voor gevolgtrekkingen in bevestigenden en nog veel minder in ontkennenden zin. Zij móet omzien naar uitwendige bewijzen. Uit een enkel gegeven kan men niet argumenteeren. En in zijn : Patriarchal Palestine maakt hij in de voorrede de opmerking, dat «het onderzoek van de gedenkteekenen het van dag tot dag duidelijker maakt, dat het scepticisme van de zoogenaamde hoogere critiek niet gereclitvaardigd wordt door de feiten !" «De beschouwingen van die critiek", acht hij, «in heftige, tegenspraak met de leer en 't geloof der Joodsche Kerk", de leer en 't geloof van Christus en der Apostelen, het erfdeel van de Christelijke Kerk". «Zij die gelooven aan de waarheid der belofte (dat Gods Geest zijne Apostelen zou leiden) kunnen niet tevens gelooven, dat de Geest der waarheid te eeniger tijde een geest van begoocheling zou geweest zijn!"

Wij gevoelen het, Sayce is aangedaan door heilige verontwaardiging. En terecht. Aangevallen door Kanunnik Cheyne (van ethisch allooi!) over zijne «frontverandering in zake de bijbelcritiek" — verdedigt hij zich in de Comtemporary Review kort en krachtig. Hij ontkent het niet, veranderd te zijn, maar tegenover »die wilde en ongewettigde soort van critiek, • die vooraf opgevatte meeningen tot uitgangspunt heeft; die onvolledige bewijsgronden als volledig beschouwd; die gevolgtrekkingen wil maken uit onzekere theoriën". »Voor die soort gevoelt hij niet de minste sympathie"! En waarom ? Vroeger had de hoogere critiek van het O. Testament haar tegenwoordig standpunt van roekeloos doordrijven nog niet bereikt; haar einddoel kon niet gegist; de voornaamste feiten op 't gebied der Oostersche oudheidkunde moesten nog onthuld, die later de stof zouden leveren tot gewichtige, soms verpletterende antwoorden op de aanvallen der neologen". Volgens die critiek is de Pentateuch «een letterkundig rommelzootje; het boek Jozua etc. geen haar beter. De authentieke historie is voor haar begoocheling of bedrog; de aanvang ervan een poespas van mythen en legenden" . . . «Voor zulke beweringen ... zijn andere bewijzen noodig .. . dan een. «in brokjes versnipperde analyse", «op westerschen trant; met een hoogst onvolledige kennis van 't Hebreeuwsch"; «zonder behoorlijke vergelijking" en met den ongegronden eisch dat «de gronden aUijd en in elk bijzonder geval gelijk" moeten zijn.

Hiertegenover staat drieërlei: a. «dat de ontdekkingen in den laatsten tijd ons geleerd hebben ._.. dat het zelfs bijna een wonder zou geweest zijn, als Mozes de naar hem genoemde boeken «z> /fhad geschreven"; b. dat «de littei: arische nalatenschap der Babylonische en Assyrische verwanten van Israël «protesteert met nadruk tegen de uiteenrukkings-the.orie der neo-critici" . . . «Geen spoor van dat knoeien wordt gevonden"! en c. dat. «de oudheidkundige ontdekkingen van den laatsten tijd juist bevestigen de historische juistheid van die verhalen des O. T., die door de hoogere critiek voor sprookjes werden nitgekreten".

«De geduchtste bestrijders van die nieuwe critiek zijn juist onder de voornaamste beoefenaars van de Assyrische en de Egyptische oudheid te vinden''.

En wat voor hem alles afdoet is, dat «een verpletterende grond tegen de wijze van doen der verbünde neologen is gelegen in de - leer van Christus".

Men ziet. De schrijver schaamt zich het Evangelie en de getuigenis van den Christus niet. De «leer van Christus" gaat hem boven alles. Voor «den Geest van Christus" aanvaardt hij niet «een geest van begoocheling". .

Met dankzegging aan God maken wij van de geteekende kentering gewag. En al verhelen wij 't niet, dat formeel nog niet in alles 't ware stand punt is ingenomen, 't verhindert ons niet de ver-

wachting te koesteren, dat deze kentering nog vele goede vruchten zal afwerpen voor het recht verstand en de krachtige verdediging van Gods Woord !

Dit is in hooge mate interessant.

Als deze zwijgen zullen, z\^^n de steeiun haast spreken.

En mits men niet in verwaterde apologetiek verzeild rake, zijn zulke studiën sterkend voor het geloof en Gods eere dienend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken