Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de gemeene Gratie.

20 minuten leestijd

XXVII.

Zoo geschiedde het, als Jeremia geëindigd had te spreken alles, wat de Heere geboden had tot al het volk te spreken, dat de priesters en de profeten en al het volk hem grepen, zeggende : Gij zult den dood sterven. Jeremia 26:8.

Dat »sterven" niet beteekent: vernietigd worden, behoeft, met de Heilige Schrift voor ons, geeu verder betoog. De eigenlijke beteekenis van het sterven ligt veeleer, gelijk we reeds aanstipten, in het losscheuren of ontbinden van de banden, die krachtens onze schepping vast moeten zitten. Losscheuring, ontbinding dat is het eigenlijke videzen van den Dood, en waar de dood als een persoonlijke macht wordt voorgesteld, is hij de ontbinder van wat God samenbond, de losscheurder van wat God vereenigde. Eerst als er teekenen van ontbinding te zien zijn, is men zeker, dat men niet met een schijndoode te doen heeft, maar met een werkelijk lijk. Vandaar dat de dood eens weggaat. Hij is een vijand die overwonnen wordt. Duidelijk zegt dan ook de Openbaring: »En de dood zal niet meer zijn." Iets wat daar natuurlijk, beteekent, dat er niets meer los te scheuren, niets meer te ontbinden is, en volstrekt niet dat daarom alle rampzaligen het eeuwige leven zullen hebben. De rampzaligheid blijft wel terdege ook als de dood er niet meer zijn zal. Een onloochenbare waarheid, die bewijst dat de ^eeuwige dood" niet beduidt een dood, die alle eeuwen door, tot in aller eeuwen eeuwigheid zal stand houden, maar wat wij zouden zeggen, een volstrekte, een voleinde, een tot alles in ons doorgedrongen dood. Een dood, zoo diepgaande en zoo alles omvattend, als de dood maar zijn kan. Wel de gevolgen van den dood kunnen aanhouden en voortduren, maar de dood zelf, als ontbindende macht, zal er eens niet meer zijn.

Dat wezen nu van den dood vindt daarin zijn oorsprong, dat God de Heere in de schepping aan den mensch allerlei banden heeft gelegd, banden die krachtens de schepping een wonderbare eenheid tot stand brachten. Die banden waren noodzakelijk, omdat er bij de schepping des menschen een samengesteld wezen, in verband met andere wezens ontstond. De mensch was iets anders dan de wereld om hem heen; in die wereld was hij dus iels anders dan de overige schepselen. In den mensch was zijn ziel iets anders dan zijn lichaam. In de menschenwereld was de man iets anders dan de vrouw, de eene persoon iets anders dan de andere. In 's menschen hart waren onderscheidene vermogens en krachten werkzaam. Er was in hem een natuurlijk leven, een zedelijk leven, een godsdienstig leven, een schoonheidsleven. En boven en behalve dat, waren er ook nog de engelen. En boven alle schepselen was God. Zou dit alles nu geen chaos vormen, dan moesten al die deelen onderling, en saam met God verbonden worden. En dit nu juist is het wat in de scheppingsordinantie is geschied, en daarin betoont zich het leven. In de schepping toch heeft God dit alles op zulk een wijze geschapen, dat er vanself een band bestond, die dit alles saambond; en hierdoor nu ontstond, uit wat anders een chaos geweest zou zijn, één heilig organisch saamhangend geheel. — Ge gevoelt dit het beste, als ge in de eerste plaats uw aandacht vestigt op uw ziel en uw lichaam. Die twee zijn feitelijk onderscheiden. Uw ziel is iets heel anders dan uw lichaam, en uw lichaam is heel iets anders dan uw ziel. In het Paradijs schept de Heere dan ook eerst het lichaam voor den mensch uit het stof der aarde, en dan blaast Hij in hem den adem des levens, en zoo wordt de mensch tot een levend persoon. Die twee ongelijksoortige deelen van ons wezen zijn derhalve in de schepping tot één geheel vereenigd, ze zijn in vasten samenhang, in onderling verband geschapen, en op elkander aangelegd, als de twee schelpen die een zelfde parel omsluiten. Niets is er in het lichaam of het is er op geschapen om de ziel als instrument te dienen. En krachtens die saamhoorigheid zijn ze in de schepping, zelve op mystieke wijze, als we ons zoo mogen uitdrukken, in elkaar geklonken. Toch denken we hierbij niet aan twee die eerst daarna cén worden. Gelijk de drie deelen van ons been door pezen saam zijn gevat die niet van buiten aangebonden, maar van binnenuit gegroeid zijn, zoo ook is de band, die ziel en lichaam saambindt, niet een mechanisch aangelegde, maar een organisch geschapen band. Daarom heeft er als die band losraakt geen losmaking maar losscheuring plaats, evenals de afbreking van den voet van het been, niet anders dan door losscheuring van de pees die beide saam verbindt, kan plaats hebben. Voor jvat ziel en lichaam aangaat, valt het uit dien'Kbbf^e' in het minst niet moeilijk, zich een helder begrip van het sterven of van den dood te vormen. Wat ziel en lichaam aangaat leven we, zoolang de band die beide saam verbindt, en nog saamhoudt, en sterven we, zoodra die band gewelddadig wordt losgescheurd. Onze ouden noemden dit wel »aflijvigheid", d. w. z. als men van zijn lijf afraakt. Door den dood worden ziel en lichaam gescheiden. En eerst als in de wederopstanding beide hereenigd zullen worden, zal te dezen opzichte de dood voor ons zijn te niet gedaan.

Niets is duidelijker.

Hiertoe echter bepaalt zich de dood niet, eenvoudig overmits de band tusschen ziel en lichaam niet de eenige band is, die krachtens de schepping ons bestaan beheerscht. Terecht merkt de Kantteekenaar op, dat de waarschuvsdng : Gijlieden zult den dood sterven, behalve op den tijdelijken ook slaat op ^ongeestelijken dood, en het behoeft voor den kenner der Schrift geen nadere aanwijzing, hoe gedurig en telkens het woord doodo< J&amp; in dien zin gebruikt wordt. »Wij waren van nature Idood door de zonden en misdaden", »wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven", het zijn immers betuigingen van personen, wier ziel en Hchaam nog in elkaar zit, en die den tijdelijken dood nog niet gesmaakt hebben. Toch wordt er gezegd, dat ze dood waren of nog dood zijn, niettegenstaande ze nog onder ons leven. Dit ziet dus op den geestelijken dood. Wat is nu die geestelijke dood ? Ook natuurlijk de losscheuring van den band door God ons in de schepping aangelegd, maar van welken band ? En dan luidt het antwoord: Van den geestelijken band die onze ziel aan God verbindt. Niet alleen ons lichaam is door een band verbonden aan onze ziel, maar ook onze ziel was door een band verbonden aan God. Die band nu wordt vanzelf door de zonde losgerafeld, en zoo treedt op dit punt terstond , met de zonde ook de dood in. In plaats van het leven met God in te drinken, wordt de ziel op zich zelve teruggeworpen, evenals de buis die van de waterleiding losgeschroefd, leegloopt en in zich zelve verdroogt. Het is dus volkomen begrijpelijk, dat er een sterven, dat er een dood in tweeërlei opzicht is. Een sterven zóó dat ons de band tusschen lichaam en ziel wordt losgerukt, en evenzoo een .sterven dat ons de band tusschen de ziel en God wordt uiteengescheurd. En in zooverre beteekende de bedreiging: »Ten dage als ge daarvan eet, zult ge den dood sterven", tweeërlei: i". Op dien dag zal de band die uw ziel aan uw God bindt, door de zonde verbroken worden, en dus %\) geestelijk dood zijn; en 2". op dien dag zal de band, die uw ziel en lichaam saamhoudt, loslaten, en dus gij den tijdelijken dood sterven.

Toch is zelfs hierin de beteekenis van dat sterven nog niet uitgeput. Krachtens de schepping bestond er niet alleen cèn band van het lichaam aan de ziel en van de ziel aan God, maar bestond er ook een band van den mensch als zoodanig aan de wereld. Hij was maar niet als een vreemd wezen op deze wereld geplaatst, gelijk wij een perzik op een gouden schaal leggen, zóó dat die edele vrucht en die kostbare schaal niets met elkaar uitstaande hebben. Dat is wel het geval met een engel die op aarde verschijnt. Die staat los op deze aarde, en heeft met die wereld geen organischen band. Maar zoo is het met den mensch niet. De mensch is mikrokosmos, d. i. een wereld in het klein. Zijn lichaam is uit de aarde genomen. In de dierenwereld was zijn beeld vooruit reeds vertoond. Met alle rijken der natuur staat hij in verband. Het licht is geschapen naar zijn oog, de lucht naar zijn gehoor-en ademhalingsorganen. Kortom, er is een organische band, die den mensch aan de wereld verbindt, evengoed als er een band is die zijn lichaam en ziel saambindt. Juist daardoor is het eigenlijk, dat de mensch als inbegrip der wereld, die wereld in zich saamvat, en haar Gode, als priester ten offer wijdt. Ook dien band nu vernietigt de dood, en het niet meer hebben van zijn wereld, tijdelijk in den staat der afgescheidenheid en duurzaam in de hel, is hiervan de pijnlijke verwerkelijking. Wat thans reeds in den vloek over de wereld gekomen is, is niet een algeheele losmaking, maar een gedeeltelijke losscheuring van dien band. Als de zonnesteek den mensch doodt, in stede van dat de warmte hem ten leven bezielt en koestert, als de wind hem den dood in de borst jaagt^ in stede van zijn bloed te verfrisschen, is er gedeeltelijke verstoring van den band die mensch en wereld verbond. Zoo ook als het wilde dier den mensch vermoordt, in plaats van gelijk bij Adam in het Paradijs, op zijn wenk te naderen. F jrtom, op elk punt, waardoor die wereld in plaats van ons harmonisch te dienen, ons schade of onheil berokkent, komt uit, hoe de band, die ons aan de wereld verbond, nu reeds in de war is, maar om straks eerst geheel afgesneden te worden. Want ook het losgescheurd worden uit die wereld, waarmee we verbonden zijn, is een deel van ons sterven. Een sterven dat eerst te niet gedaan wordt, als we in de opstanding diezelfde wereld, maar dan vernieuwd en verheerlijkt, terug zullen ontvangen.

En zoo nu kan m.en in deze ontleding voortgaan. De mensch staat niet alleen, maar is door een organischen band verbonden aan zijn medemenschea. In dien band kiemt heel de samenleving, de drijfkracht er van is de saambindende liefde. Treedt daarentegen de zondfe in, zoo slaat deze liefde in zelfzucht, het aantrekken van-elkander in hoogmoedig afstooten over. Dit krenkt het saamleven, en brengt een doodelijk gif in het maatschappelijk samenzijn. En komt eens de ure van sterven, dan ligt in dit sterven ook een losscheuren van die soms zoo teedere banden ook aan de personen. Ons sterven scheurt niet alleen onze ziel van ons lichaam af, maar ook onzen persoon uit de wereld, en ons hart van onze lieven en dierbaren. De dood is altoos scheiding en losscheuring. UiteeiVrukken en uitéénscheuren van wat God verbonden rhad. »Wat God verbonden heeft, scheide de mensch niet", was dan ook in zijn algemeenheid op heel het wezen van den dood toepasselijk. De mensch heeft gescheiden wat God vereenigd had, zijn ziel van zijn God, en nu volgt er uit, dat ook zijn ziel van zijn lichaam af moet, zijn pefsoor. ^'an zija wereld, zijn hart van de zijnen. En in dit alles is de natuurlijke, de ontzettende dood.

In de verscheuring van dezen vierderlei band is eigenlijk het wezen van den dood voleind. Er is een band van God aan de ziel, van de ziel aan het lichaam, van het lichaam aan de wereld, en in die wereld tusschen mensch en mensch, en waar nu de zonde, en met haar de dood komt, daar worden die vier banden stuk gereten. Toch gaat de dood ook in de onderdeelen door. Hij is als een kwaad dat door alles heenvieet. Het duidelijkst zien we dit aan het lijk. Is ziel en lichaam uiteengescheurd, dan blijft het lichaam niet wat het was, maar ondergaat al spoedig een geweldige verandering, die tot ontbinding voert. En waarin bestaat deze ontbinding nu anders, dan daarin dat de verschillende stoffen en gassen, die het lichaam samenstellen, uit den band raken, elk voor zich zelf gaan werken, en in die onderlinge worsteling heel het eens zoo schoone lichaam sloopen? En juist zoo als dit bij de ontbinding van het lijk toegaat, zoo gaat het ook toe in de ziel, niet pas na ons sterven in den tijdelijken dood, maar terstond na het intreden van den geestelijken dood. Evenals in ons lichaam allerlei stoffen en gassen het éénc lichaam uitmaken, zoo ook oaderscheiden we in de ééne ziel allerlei werkingen, krachtenen vermogens, die krachtens scheppingsordinantie in nauw harmonisch verband met elkander staan; en ons daardoor innerlijk evetnvicht, vrede des gemoeds, en volle energie verzekerden. Er ging geen kracht teloor in den staat der rechtheid, maar het was uit alle diepte der ziel één heilig akkoord van alle tonen die uit het leven der ziel opstegen. — Maar treedt nu de zonde in, dan heeft ook dit uit. Het organisch en harmonisch verband dat dit alles in de ziel saamhield, breekt; het ééne gaat tegen het andere inwerken; de tocht van het hart wordt over het halt meester, en zoo komt de hartstocht; innerlijke strijd, wrijving en worsteling Avordt de gewone toestand; alle evenwicht van de ziel wordt verbroken; en in den geestelijken dood der ziel is niets dan ééne doorgaande feitelijke ontbinding werkzaam. Dit merkt ge nu wel niet altoos-, Zooals de gebalsemde lijken door volkomen afvoering van alle scheidende vochten, en door het inbrengen van sterke kruiden, de ontbinding van het lijk in de mummie vermommen, zoo ook is er een conventioneel leven, waarachter de vermomde zondaar zijn innerlijke ontbinding verbergt en zijn innerüjken dood verheelt. Maar aan het feit der ontbinding als feit doet dit niets af. De zonde maakt den innerlijken band in onze ziel los, en brengt daardoor den dood tot in de binnenkameren van ons wezen.

Daarom is het wel zoo, gelijk ons Avondmaalsform^lier het belijdt, dat wij voor ons zei* ven, buiten Christus, middenin den dood lig-gen. De dood is rondom ons. De dood van binnen en van buiten. Allerwegen losrafeling en losrukking van banden, Eén chaos van wat God in zijn schepping organisch geordend'•"en verbonden had.

Zoo valt elk denkbeeld van vernietiging weg. Van een lijk wordt geen enkel stofdeeltje vernietigd. Niets vergaat van het lijk. Alleen maar wordt de stof er van ontbonden, En zoo nu is de dood in heel haar werking. Nooit vernietigde ze. Al wat ze doet is: scheiden wat God vereenigd had. Is dit nu helder ingezien, dan zal u tevens de noodzakelijkheid duidelijk worden, waarom de zonde den dood baren moest. De zonde, voleindigd zijnde, zegt de heilige apostel, baart den dood. En als God in het Paradijs zegt: » Ten dage als ge daarvan eet zult ge den dood sterven", beteekent dit volstrekt niet: »Dan zal Ik van buiten af, als werktuiglijke straf, u den dood opleggen"; niaar heel, heel anders: De zovi&amp; ^v!, een gif, en zoodra dit gif in u zverken gaat, zult ge den dood voelen komen. De dood komt niet als een tweede iets bij de zonde bij, maar de dood komt uit de zonde op, en hoort bij de zonde, juist zooals de ontbinding bij het lijk hoort, en er vanzelf uit gaat werken. Onderneemt de mensch het, om zich tegen God te stellen, en als ware hij zelf God, zelf goed en kwaad te gaan keuren, in plaats van de keur die God tusschen goed en kwaad gesteld had, in stille onderworpenheid van Hem aan te nemen, dan breekt door deze daad vanzelfde band, die zijn ziel aan zijn God bond, en treedt hierdoor middellijk de geestelijke dood in. Was eenmaal de band tusschen God en de ziel losgescheurd, dan zou als gevolg hiervan ook de band tusschen den mensch en de wereld, de band tusschen de menschen onderling, de band tusschen ziel en lichaam, de band tusschen de deelen in het lichaam, en de band die de In-achtea en vermogens in de ziel omsnoerde, losscheuren, en in dit alles iou de dood voleind worden. Dit alles zou zijn, wat God hem voorzeide: Ten dage als hij die vermetelheid aandorst, zou hij niet maar met den dood in aanraking komen, maar den dood in volstrekten zin sterven. Niet eerst later, maar op den eigen dag. Niet van lieverlede en langzamerhand, maar op eenmaal.

Dat metterdaad in dat scheiden van wat God vereenigd had het wezen van den dood ligt, wordt dan ook bevestigd door het sterven van Christus als Middelaar, voor ons, in onze plaats. Dat het bij Jezus tot een scheiding van ziel en lichaam is gekomen, behoeft geen nadere aanwijzing. De speer die zijn zijde doorwondde, en toonde hoe in het bloed zelfs het water van het bloed gescheiden was, wordt door Johannes als het onomstootelijk getuigenis vermeld, om ons zekerlijk te doen weten, dat wel waarlijk de scheiding tusschen ziel en lichaam in Jezus was tot stand gekomen. Maar dat was niet al. In verband hiermede moet ook gelet op het kruiswoord : »Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij wi]verlatenl" Ook dit toch wijst op een scheiding, op de bangste scheiding, op de scheiding tusschen God en de ziel. En al is het dan nu alle begrip te boven gaande, hoe eu op wat wijs, de Middelaar naar zijn menschheid ook maar één oogenblik van zijn God kon gescheiden zijn, het feit is niettemin onbetwistbaar. Jezus' eigen woord in zijn sterven is er oils borg voor. Ook die scheiding tusschen zijn ziel en zijn God heeft hij doorworsteld, toen hij wegzonk in het bang besef, ook van zijn God verlaten te zijui —Zelfs mag hier nog eenderde iets aan worden toegevoegd. Ook de verlatenheid, de afgescheidenheid, de losscheuring van zijn vrienden heeft Jezus doorworsteld. Wat ons dienaangaande van Gethsémané gemeld wordt, is ons, vooral na zijn roerende afsCheysgcsprekken, althans iii Johannes en Jacobus eu Petrus, zóó raadselachtig, dat ieder bij het lezen voelt, hoe hier een geheimzinnige macht op de jongeren werkte. 2e slletien en konden den slaap niet weten, toen hun Jezus in zijn doodsangst worstelde. Ze vluchten a: ls hij wordt weggesleept, l^etrus verloochent heitl als hij voor den rechter staat. Maar hoe ge u dit ook poogt te .verklaren, het feit blijft, dat Jezus ook van de zijnen verlaten vvas, eer hij verlaten werd van zijn God, en ook die verlatenheid van menschen, die losscheuring van de teederste banden die hij als mensch had, was het uitdrinken van een bitteren teug uit den beker des doods, die hem op de hand was gezet.

Reeds wees het slot van ons vorig artikel er op, hoe dan ook in het Paradijs terstond na de zonde, die scheiding, die losscheuring van de natuurlijke banden openbaar wordt. Ze vluchten voor God weg en verbergen zich. En ook de eenheid, de harmonie tusschen ziel en lichaam is verbroken. Het lichaam is hun iets aparts geworden. In die afgescheideaheid is het lichaam een macht tegenover hen geworden, die in het hoogste dat God aan het lichaam gaf, in het geslachtsleven terstond ontwaard wordt. Daarom trekt de blos der schaamte over hen. Het lichaam wordt hun een hinder in die deelen. En daarom rijgen ze vijgeblad aan vijgeblad, om die deelen van het lichaam niet te zien, en te doen alsof ze er niet waren. In dit alles is niets raadselachtigs. Het gaat alles geheel natuurlijk en vanzelf toe. Wie eenmaal het wezen van den dood begrijpt, als uiteenscheuring van datgene wat God vereenigd had in de schepping, heeft den sleutel in handen, om dit alles in zijn natuurlijk verloop te verstaan.

Juist hiermee echter komen we nu aan het gewichtig oogenblik toe, waarop de gemeene gratie intreedt en haar werking gaat beginnen. Immers het is klaar als de dag, dat hetgeen God gezegd had, alzoo niet volvoerd wordt. Wat van Godswege, geheel naar recht, als het natuurlijk en onmiddellijk gevolg van de zonde was aangeduid, komt alzoo niet. Voorzegd was, ten dage, d.i. op den eigen dag, dat ge daarvan eet, zult ge den dood in volstrekten zin sterven, en alzoo ziJ7i ze op dien dag niet gestorven. Deze tegenstrijdigheid te willen verbloemen, is beneden de waarachtigheid van het Woord van God. Bij menschelijkc profetie moogt ge, als ze .slechts ten deele uitkomt, er iets op vinden om dit ontbrekende te vergoelijken, waar God gesproken heeft, past en voegt u dit niet. Wat God spreekt is met volstrekt doorziene en volkomen heldere kennis van den loop der dingen gesproken, en uit dien hoofde mist ge elk recht, om óf dat - tten dage" weg te redeneeren, óf ook iets te kort te doen aan de volstrektitóid van heisterven, die in de uitdrukking: n Gij zult den dood sterven" besloten ligt.

Was het alzoo geschied, geüjk God het had aangekondigd, dan had, eer de zon onderging, het lijk van Adam en het lijk van Eva dien avond voor den Boom des levens moeten liggen, en de ontbinding haar sloopend werk begonnen hebben. Uitvluchten baten hier niet Want of ge al zegt, dat ze toch geestelijk stierven, en dat ze ook lichamelijk de kiem des doods iu zich ontvingen, hiermede geeft ge nog in het minst geen verklaring van het stellige en volstrekte: den dood sterven. Iemand die op zeventigjarigen leeftijd aan erfelijken kanker sterft, wordt met dien kanker des doods in zich geboren, en draagt die kiem des doods zeventig jaren lang met zich om. Maar wie zal nu daarom zeggen, dat die man altoos dood is geweest, reeds toen hij geboren werd den dood stierf, en nooit heeft geleefd? Zoo spreekt niemand. En ook al droeg iemand zeventig jaren lang de kiem des doods met zich om, daarom zegt toch een ieder, dat hij zeventig jaren heeft geleefd, en eerst daarna stierf. Met al zulk spelen met woorden vorderen we hier niets. De uitdrukking ^den dood sterven" is de sterkste en meest volstrekte uitdrukking voor den vollen en voleindigden dood, dien het Hebreeuwsch bezit; en ge moogt dus op die volstrektheid niets afdingen. Ge moogt het niet beperken tot een geestelijken dood die intrad, noch ook verklaren van een in zich opnemen van de kiem des doods. Overeenkomstig het door God gesproken woord zou het dan alleen zijn toegegaan, indien het op dien eigen dag met Adam en Eva uit ware geweest, de vloek alles op aarde vernield had, en de volle chaos ware teruggekeerd. Dit nu is niet alzoo geschied, en juist daarin dat het alzoo niet geschied is, ligt het intreden en het optreden der algemecne genade of der gemeene gratie. En vraagt men, hoe dit dan nu met het woord van God is overeen te brengen, dan luidt het antwoord, dat zelfs alle moeilijkheid hier weg zou vallen, indien men het zeggen: »Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven, " niet bedreigenderwijze, maar louter voorzeggender-wijze opvat. En wel in dezen zin: Het eten van dien boom zal in u de zonde brengen, en de zonde heeft tot noodzakelijk gevolg den dood, den dood onmiddellijk, den dood tot den einde toe doorgaande, maar om er stilzwijgend bij te verstaan: tenzij Jk, uw God, in mijn erbarmen, die doorwerkende gevolgen der zonde stuit ¹).

¹) Een welwillend inzender maakt er ons opmerkzaam op, dat de uitlegging, door ons een vorig maal van liet »kenncii van goed en kivaad" gegeven, ook wordt aangeduid in iie Summa T/icologica van Thomas Secunda Secundae q 163, art. 2, in'' deze v/oorden: -ai scilicet per virtttUr, i propria-»deterrAVdaret sibi, q-^d esset boRtim^ - qy.id jnalti'ifi a agendum j zulks evenals wij, in verband brenger-" met een valsche zucht om als God te will'' Inordinate. Exegetisch uitgewerkt is cV' plaatse wel niet. Maar het denkb-zuiver en helder uitgesproken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken