Bekijk het origineel

Te ver gezocht.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Te ver gezocht.

13 minuten leestijd

Amsterdam, 27 Maart 1896.

In den regel laat de pers zich niet m met wat voorvalt in de studentenwereld.

Slechts nu en dan, als er iets hoog verblijdends of uitermate ergerlijks voorviel, kwam ook die schier op zich zelf staande, geheel eigenaardige wereld op de tong.

Het bevreemdde ons deswege eenigermate, toen we onlangs het bericht zagen opduiken, dat eenige studenten van onderscheidene Hoogescholen hier te lande, saam, zeker gezelschap gevormd hadden van geloovige jongelui, om ook andere jongelui tot bekeering te roepen en inmiddels in de eigen lamp de olie niet te doen ontbreken, opdat de vlam helder licht mocht geven.

Ons schijnt een gezelschap, dat zich aaneensluit voor onderlinge sterking van geestelijk leven iets zoo intiems, zoo teeder van aard, dat we nog niet vatten, hoe zulk een bericht naar de pers verzeilde.

Voor den speurgeest der pers pleitte het zeer zeker, maar minder voor haar kiesche bescheidenheid, een bescheidenheid die haar althans, waar het zulk een zuiver intieme zaak gold, schoon zou hebben gestaan.

Doch langs wat kanaal ook in de pers terecht gekomen, het bericht prijkte er nu eenmaal, met naam en toenaam, met opgave van repraescntanten der vijf inrichtingen van Hooger onderwijs, met aanwijzing van vrie praeses en wie secretaris was, en ook met extract uit de statuten.

Voor die heeren studenten zelven zeker uiterst pijnlijk zulk een indiscretie!

Verbeeld u, dat ge als volwassen mannen u met eenige anderen verbondt, om elkander onderling aan te vuren tot hooghouding van den standaard des geestelijken levens, en dat men dat in de courant zette.

En hier geldt het, nog maar studenten!

Doch het lag er nu eenmaal toe, en zoo kwam tevens uit, dat deze studenten, om toch een basis te hebben, want een huis op het zand bouwen gaat niet, tot grondslag hadden genomen niet de Heilige Schrift, niet de Nederiandsche Geloofsbelijdenis, niet den Heidelberger, zelfs niet de Twaalf Geloofs­ p artikelen, maar alleen ^de erkenning van Jezus Christus als den Zone Gods en den Verlosser der wereld"

En natuurlijk, meer was niet noodig, om de tegenstanders van den Gereformeerden naam toTlêëdvermaïc te verlokken.

Studenten van Kampen en studenten van de Vrije Universiteit, die openlijk de Gereformeerde beginselen verloochenen; weer op het lang versleten standpunt gaan staan, dat leerstukken er niet toe doen; en zeggen, dat zelfs de Schrift geen band behoeft te vormen, als men Jezus maar bedoelt.

Niet eens zells het standpunt van Prof. Gunning in zijn latere toelichting, want die nam er de Schriften dan ten minste nog bij, toen hij schreef; Jezus Christus naar de Schriften.

Wel bezien eigenlijk niets anders dan het Groninger standpunt, ja zelfs een standpunt waarop heel wat Modernen zich plaatsen. »Jezus Christus de Zone Gods en de Verlosser der wereld", maar immers het was een formule, die, op de Joden en de Atheïsten na, zoowat ieder belijdt, mits het maar aan een ieder persoonlijk vrij blijve staan, te zeggen, wat hij met »Zone Gods" en »Verlosser der wereld" bedoelt.

Al spoedig schoot dan ook de Groninger redacteur der Kerk. Courant uit den hoek, om over deze gebeurtenis zijn hooggestemde blijdschap uit te spreken.

Het was nu reeds gedaan met de Gereformeerde beweging. Zie maar, studenten uit den Gereformeerden hoek vereenigen zich nu reeds op een grondslag, > waarvoor men nog voor %einige jaren zou gebeefd hebben."

Soortgelijke betuigingen van hooge ingenomenheid met dat prijsgeven door Gereformeerde studenten niet alleen van de Gereformeerde beginselen, maar feitelijk van geheel het Confessioneele standpunt, vond men ook in andere bladen, en het Ned. Volksblad maakte er zelfs een halszaak voor de kerkistische drijvers van.

Heel de zaak was een slag in het aangezicht van hem, die tegen de tverjlauwing der grenzen" had durven waarschuwen.

Immers, hier was nu de verflauwing, ja de uitwissching der grenzen volkomen.

Hoor slechts:

Hier kan men van zeggen; geen blyder maar ^n twintig jaar! Het is een groote schrede nader naar de verzoening tusschen de Protestanten, die op éénzelfden bodem des geloofs staan, die éénzelfden Heiland belijden. De kunstmatig aangeblazen haat en opzettelijk opengehouden kloof, aangeblazen en opengehouden door diegenen die er pleizier in en belang bij hebben — blijken het dan toch niet te kunnen uithouden tegen de vurige, maar stille werking van Gods Geest.

De kerkistische heeren bouwen schuttingen en muren, en zijn aanhoudend in de weer, nacht en dag, om die staketsels na te zien en op te verven — moeten zij niet waken tegen »verflauwing der grenzen" en tegen «verzwakking van het kerkelijk bewustzijn"? De Heere komt, als bij Babels toren «neder om te zien" wat de menschen uitvoeren: daar vallen de schuttingen, en de zoo streng in afzondering gehouden kinderen Gods reiken elkaar de hand.

Is dat geen verblijdend teeken ? Christus houdt zijn Gemeente in stand en geneest de breuken, juist als de scheurmakers denken dat zij 't gewonnen hebben. Christus houdt zijn Gemeente in stand, jen d^drom trekken wij er ons weinie van aan en maken er ons in eeenen deele bezorgd over, al zou de eene of andere Groote in Israël morgen-den-dag iets nieuws uitvinden om de broeders van elkander te jagen.

Waarom neemt men als Formulier van Eenigheid niet de XII artikelen des Geloofs aan? Verschil van meening zal er altijd wel blijven en dat is goed ook, anders komt sde dood in den pot" - doch dat verschil behoeft geen Shibboleth te worden waarom men elkander doodslaat.

Vergissen we ons niet, dan zullen de met name genoemde studenten, het hoogst onaangenaam vinden, dat men op die wijs, iets wat hun persoonlijk geestelijk leven raakt, op die wijs op straat uitdraagt, en zich door zulk een wierook van zijde al zeer weinig «geestelijk voelen. verdachte gesterkt"

Wij zullen hun namen dan ook niet noemen in ons blad; maar nu de zaak eenmaal publiek is gemaakt, en men hun allerlei booze intentiën toedicht, toch een enkel woord te hunner verdediging zeggen.

Het heeft er eenvoudig niets van, dat de studenten der Vrije Universiteit en van Kampen nu eens publiek wilden demonstreeren, om tegen de Confessie hunner kerken, tegen de beginselen van hun scholen, en tegen den geest van het hun gegeven onderwijs protest aan te teekenen, en zich schrap te zetten tegenover hun commilitones.

Het is volstrekt onwaar, dat onze jongelui naar de verflauwde Ethische richting zijn overgeloopen, en gekuifde Groningers in den dop zijn.

Wat aanleiding tot deze eenvoudige daad gaf was heel iets anders; en was aan alle intentie om vijandig tegen de stichting waar ze studeeren, op te treden, volkomen vreemd.

Zelfs is heel de zaak niet uit hun eigen initiatief opgekomen, maar aanleiding ertoe gaf een poging van een Engelsche studentenvereeniging, om ook een continentale vertakking te krijgen.

Men kent de Engelschen in hun wijze van propaganda drijven. Hunner is het talent van wilskracht, het talent van practisch handelen, het talent van organiseeren.

Zij sluiten zich nooit in hun land op. De wereld is hunner. En nauwelijks heeft eenige actie, welke ook, in Engeland zekere vaste vormen aangenomen, of de vraag wordt aanstonds openbaar, om er het buitenland voor te winnen.

Zij alleen stichtten een ^Britsch en buitenlandsch Bijbelgenootschap." Zij alleen rustten niet, eer de Evangelische Alliantie haar vertakking in alle landen vond. Zij zijn het, die aan den Bond tegen de Vaccinatie een internationaal karakter gaven. De Brightonbeweging kon niet rusten, eer de foreign z astors ter meeting opkwamen.

Dat ligt in het Engelsche karakter.

Zelfs de socialisten vorderden geen stap, oordat hun groote Duitsche denkers naar ngeland, waren overgestoken, en te Londen e Internationale gesticht hadden.

Er lag düs niets hoegenaamd vreemds in, dat, toen in de studentenwereld van Engeland en Schotland een machtige beweging was ontstaan, om in deze ongeloovige kringen, de geloovige studenten kloeker voor de belijdenis van hun Heiland te doen uitkomen, de wensch al spoedig in hen opkwam, om ook op den geest der Universiteiten op het vasteland ten goede te werken.

Ook in Engeland toch is het geen geheim, dat de geest van de studentenwereld aan de Duitsche, Fransche en helaas, ook Nederlandsche universiteiten maar al te veel te wenschen overliet.

Ook ten onzent was in Leiden, Groningen enz., die geest zoo weinig Christelijk, dat de enkele belijdende jongelieden die er nog waren, zich óf lieten medesleepcn op verkeerde paden, ófisoleerden van de massa.

Zoo was het bijna natuurlijk, dat men zich in Engeland afvroeg, of men niet een hand kon uitsteken, om in de schuilende belijders aan onze Universiteiten den Christelijken moed te verlevendigen en voor de belijdenis van den Christus te behouden of te winnen, wie anders dreigden verloren te gaan.

En wat lag er meer voor de hand, dan dat deze Engelsche studenten, eenigszins verrast over het feit, dat ze in Nederland twee inrichtingen van Hooger onderwijs vonden, waar zoogoed als alle jongelui voor hun belijdenis uitkwamen, zich in de eerste plaats tot deze beide wendden?

Hier kwam nog iets bij.

Die actie in Engeland had tevens een missionair doel.

Engeland, dat de zeeën van heel de wereld voor zijn vloot opeischt, en zichzelven beschouwt als het land, dat in Azië, Afrika en Australië moet heerschen, moet krachtens dezen nationalen karaktrek, wel meei dan eenig ander land, het land der Zending zijn.

Engeland is schatrijk, Engeland heeft onafzienbare koloniën, Engelands mannen hebben er lust aan, om de wereld in te trekken, geen wonder dus dat Engeland zeer wel een tien duizend zendelingen zou kunnen gebruiken en kunnen bekostigen.

Zelfs dat cijfer ware nog niet te hoog, maar eer te klein. En toch het aantal uitgezonden mannen haalt er in de verte niet bij.

Vandaar dfe drang in Engeland, een drang door de Regeering, door alle koloniale besturen, door de machthebbers op elk gebied, gesteund, om toch maar het aantal te vermeerderen van hen, die zich voor dezen geestelijken dienst in de koloniën, en voor de nog te veroveren wingewesten beschikbaar stellen.

Jaar op jaar stroomen er uit Engeland tien duizend jonge mannen uit, die op avontuur en winstbejag uitgaan, waarom kon het volkrijke en rijke Engeland dan niet minstens elk jaar een driehonderd zendelingen uitzenden ?

Mits dan niet de zwakke broederen, maar mannen van talent en veerkracht. Niet half ontwikkelden, maar mannen van dege studie. Niet de minsten maar de besten onder Uc broederen, om ginds iu die landen tegelijk den Naam van Jezus en Engelands naam groot te maken.

Zoo sprak het vanzelf, dat deze actie onder de studenten in Engeland tevens een nationaal karakter kreeg; en niet zonder vrucht, want nu reeds verklaarden zich vele honderden studenten bereid om. in de koloniën te gaan dienen.

Ook deze gedachte brachten ze daarom naar Duitschland en Nederland over. Ook ten onzent is de zendingsijver nog zoo flauw. Jonge mannen van genialen aanleg, van hoog karakter en zeldzame talenten stonden hier nog bijna nooit op, om zich aan de zending te wijden. Wat dusver uiting, waren meestal goed gezinde, trouwe, vrome jonge mannen, maar die in raad van ontwikkeling niet veel hooger tonden, dan de middenklasse. a l

Is het dan zoo onbegrijpelijk, dat enkele tudenten hier te lande, toen ze voor het erst, en schier plotseling, met deze Engelche vrienden, met hun actieve wijze van oen, met hun besliste wijze van handelen, met hun cordaat optreden, en met hun geesteijken toon kennis maakten, door het vuur an hun geestdrift zelven in geestdrift onttoken werden?

Dien invloed ondergaat een ieder, die uit nze kleine verhoudingen, en trage manieren n minder bezielde vormen, oversteekt naar er Britten land, en met hun bestaanswijs, ok op Christelijk en geestelijk gebied kenis maakt.

In Engeland is alles op zoo groote schaal, zoo flink aangevat, zoo hoog van toon, zoo vormelijk onberispelijk, zoo warm, vol veerkracht, dat het op ons, Nederlanders, die sinds onze glorie onderging, in zeldzame mate de gave bezitten, om het vreemde boven het Nederlandsche te waardeeren, een schier onweerstaanbaren invloed uitoefent.

Veel werkte het daarom onder ons nog wel niet, want nog is slechts een viertal jonge mannen genoemd, die zich voornamen de pastorie voor het zendingstation uit te ruilen; en als het goed was, moest er elk jaar uit ons land minsttas een vijftigtal Dienaren des Woords naar onze groote koloniën uitgaan; maar het is toch iets.

Niet dat deze vier er daarom reeds zijn want de kerken zullen moeten oordeelen, of ze er goed genoeg voor zijn. Maar het is toch een begin, en indien de propaganda van deze Engelsche studenten ten gevolge moge hebben, dat er voortaan een geregelde toeloop naar de Vrije Universiteit komt van jonge a^annen, die onze Zending uit haar verval wielen helpen opbeuren, zullen we reeds daarv^oor hun zeer dankbaar moeten zijn.

Ja, we gaan ixC^ verder.

Onder onze jon^' 'e mannen kan een verlevendiging van ons Christelijk leven soms heilzaam werken.

Te veel verge men niet : 'an .hen. .Op die onge jaren verschalkt het senu.'""^'^* ^"^ °* aarheids-d pwinding zoo dikwijls den yv zin. Niemand minder dan Spurgeon heeft later op den kansel als bestrijders' der Schrift teruggevonden diezelfde jonge mannen, die aan zijn Seminarium in gelijken hoogen geestelijken toon zich opgewonden hadden.

Zijn teleurstelling was bitter.

Maar als men matig blijft, en aan het kunstmatige weet te ontkomen, ligt er toch iets heerlijks in, als ook onder jonge mannen de zin wakker wordt, om allerlei gesnap en gebeuzel er aan te geven, en zich op meer ernstige wijze bezig te houden met wat brengen kan op hooger en heiliger terrein.

Dat is nu wel niet altoos vol te houden. Een boog die te sterk gespannen wordt springt. Maar juist daarom is te midden der gewone zoelte een frissche zuidenwind toch verkwikkend.

En al kennen we het gevaar, ook het geestelijk gevaar aan elke opwekking verbonden, ze kan toch ook zeer wel iets goeds achterlaten.

In dezen samenhang bezien is derhalve het gebeurde alleszins verklaarbaar, ook zonder de booze intentie, die men aan onze studenten toeschreef, en kan er ook o. i. een vrucht van achterblijven.

Want al geven we nu grif toe, dat die vrucht in gevaar wordt gebracht, zoo men bonden gaat sluiten op een basis als hier werd aangenomen; ja, zelfs dat men wel zal doen met hier geen Engelsche kopie, maar een Nederlandsck origineel te leveren, — toch kunnen we het daarom niet zoo euvel duiden, dat jongelui, op hun leeftijd, hoeksteen en fundament verwisselden, en niet genoegzaam indachtig waren, aan de eigen roeping die God Almachtig aan elk land, en zoo ook aan onzen landaard, en aan ons volk, in onderscheiding van andere volken, en [ook van Engeland, gegeven heeft.

Dat toch zijn fouten die zich corrigeeren. Deze jonge mannen, die voor den Naam des Heeren uitkomen, bezitten, ook broederen onder de Christenen van rijper leeftijd, allereerst onder hun Directeuren, Curatoren, en Hoogleeraren.

En op deze rust de heilige plicht, niet om met een kouden waterstraal hun pas ontvonkte geestdrift te blusschen, maar om wat er uit Christus in deze actie mocht zijn te leiden en vruchtbaar te maken. We zeggen daarom nog volstrekt niet, dat ze aanstonds de basis van deze vereeniging veranderen moeten.

Dat zou een dogmatisch twistgeding in het leven roepen, dat aan studenten niet voegt.

Natuurlijk deugt een basis niet, waarop Roomschen, Griekschen, Protestanten, en onder deze Gereformeerden, Lutherschen, Doopsgezinden, Ethischen, Groningers en zelfs Modernen kunnen saamwerken.

Zoo te formuleeren is echt-Engelsch. ons, hier te lande, gaat dat niet. Bij

Maar mits meu dit inzie, en niet laf zwijgt, maar den moed bezit, om waar het uioct en pas geeft, ook in dezen kring voor de volstrekte autoriteit van Gods Woord en voor de glorie onzer Gereformeerde beginselen uit en op te komen, zal die nietszeggende basis, die we natuurlijk ten zeerste betreuren, wel geneutraliseerd worden.

Vooral in Holland twist men over zulk een basis gemeenlijk lang bij het vaststellen der statuten, maar zijn die statuten eenmaal klaar, dan herleest vaak niemand zé.

De manier van optreden is vooral ineen studentenkring van zooveel beteekenis.

En dan durven we er wel voor instaan, dat de Studenten van Kampen en van de Vrije Universiteit, als het op hun beginsel aankomt, zichzelven en hun scholen niet door lafheid onteeren zullen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Te ver gezocht.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken