Bekijk het origineel

„Zoo zocht dan de dingen die boven zijn”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Zoo zocht dan de dingen die boven zijn”.

15 minuten leestijd

[PAASCHFEEST].

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de recliterhand Gods. Col. 3:1.

Ons Pascha is het feest des nieuwen levens.

Het komt wel op uit den dood, want »ook ons Pascha is voor ons geslacht", maar toch, die doorgang van het Lam Gods door den dood, is juist o'^ 6.? : overwinning o-^ ^\s.n dood en op de uitbrenging van een eeuwig, onvernietigbaar leven gericht.

De werking der sterkte van Gods macht, welke Hij gewrocht heeft in Christus, komt óók wel uit in zijn Vleeschwording, schittert óók op Goigotha voor het geloofsoog, maar toch, eerst toen vertoonde ze zich in haar volle majesteit, »toen Hij Christus uit de dooden heeft opgewekt en heeft hem gezet tot zijne rechterhand in de hemelen" (Ef. I : 19, 20).

Dat ons Pascha dat geslacht is, rechtstreeks op het Pascha der Verrijzenis doelt, drukte de kerk van Christus dan ook zinrijk uit, door haar heilig Nachtmaal niet op Goeden Vrijdag, maar op Paschen te vieren.

Anders wilden het reeds in de oudste tijden verdoolde Christenen, die het mysterie van Golgotha niet verstonden. Ons heilig Nachtmaal moest, zoo betuigden ze, een herdenken van Jezus' sterven op zijn sterfdag zijn.

Maar het apostolaat kwam hiertegen op. Jezus' dood gedenken kunt ge dan eerst, als de vrucht van dien dood in het leven'is uitgebracht. En alleen hij, die in dat sterven de smarten, de weeën van de geboorte des levens begroet, kan in dankbren, zij het ook weemoedigen jubel, het sterven van Golgotha voor zich vernieuwen.

En daarom vierde Christus' kerk eeuwenlang haar heilig Nachtmaal, niet op Goeden Vrijdag om bij Golgotha te weenen, maar op den Paaschmorgen, om te roemen in wat Golgotha ons bracht.

Niet uw Paschen los van Golgotha, maar ook Goigotha nooit anders dan in het licht der Opstanding beschouwd.

Eerst zoo toch verkrijgt niet alleen Jezus' sterven, maar ook zijn opstanding voor ons een geestelijke beteekenis, en wordt de herdenking van zijn Verrijzenis een macht die in Jezus' kerk uitgaat, om het geestelijk leven te verheffen.

Verbloemen kunt ge het toch niet, dat Jezus' opstanding maar al te vaak, wat ons zelven aangaat, veel te uitsluitend met onze eigen opstanding in verband wordt gebracht.

Dit geschiedde lange jaren in den oppervlakkigen zin, dat men op Paschen boven alles »de hope der onsterfelijkheid" het uitklinken. Nu Jezus, na gestorven te zijn, nog bleek te leven, nu stond het vast, dat zich ook voor ons na den dood nog een tweede aanzijn ontsloot.

Zoo riepen de predikers het uit, en zoo weerklonk het in de echo der gemeente.

Toch kon dit oppervlakkig gebeuzel geen stand houden, en stille aandachtige lezing van I Cor. 15 blies dit kaartenhuis om. De heilige apostel immers had het vlak omgekeerd gezegd. Hij toch schreef «zV^; »Indien dan Christus niet is opgewekt, dan worden ie dooden niet opgewekt"; maar juist andersom: »Indien dan de dooden niet wor-Jen opgewekt, zoo is ook Christus niet opgewekt."

En natuurlijk, want wie zonder »de hope der onsterfelijkheid" omdoolt in de vallei der schaduwe des doods, die lacht met onheiligen spot om alles wat de evangelisten en apostelen u van Jezus' opstanding berichten.

Zoo verbeterde allengs de Paasch-prediking. Die »hope der onsterlelijkheid" had afgedaan. En zeer juist zag men in, dat het niet seen leven na dit leven", maar bepaaldelijk de wederopstanding des vleesches is, die in Jezus' verrijzenis bezegeld ligt.

Doch ook daarop mag niet te eenzijdig de nadruk gelegd.

Immers veel meer nog dan op die profetie voor ons lichaam, wijst de Schriftuur u op de vrucht van uw Paschen voor de ziel.

»Dat we met hem opgewekt worden tot een nieuw leven", zooals onze Catechismus het uitdrukt; of wilt ge zöoals Paulus het aan de kerk van CoUosse schreef, »dat zoo Christus opgewekt is, we de dingen te zoeken hebben die boven zijn", en dat derhalve ons Pascha vóór alles een geestelijke beduidenis heeft, en ons een geestelijke roepstem brengt, — dat is het wat de Schrift ons juist daarom zoo keer op keer op het harte bindt, overmits de neiging zoo sterk is om het te vergeten.

Pascha spreekt nu eenmaal van de Verrijzenis van Jezus' lichaam. Dat hij leefde ook al stierf hij, stond ook buiten zijn opstanding vast. Geen enkel discipel die er na Goigotha aan getwijfeld heeft.

Niet zijn ziel, maar zijn lichaam kwam op den derden dag tot het leven weder.

Vandaar dat het lichamelijke in zijn opstanding 200 overweldigend op den voorgrond treedt, en deswege is voor ons de verleiding zoo sterk, om ter wille van dat lichamelijke van zijn opstanding, haar geestelijke beteekenis te verkleinen.

Daar komt bij, dat het zooveel lichter is aan uw eigen lichamelijke wederopstanding, dan aan uw geestelijke verrijzenis te denken. Het eerste gaat buiten uw consciëntie om. Het verplaatst uw gedachten in een verre toekomst, als eens de jongste dag zal ingaan. Ge verkeert er geheel lijdelijk onder.

Maar komt er sprake van geestelijke verrijzenis, dan raakt het u persoonlijk, dan raakt het het leven uwer ziel, dan wordt uw consciëntie wakker, dan kunt ge niet lijdelijk blijven, maar moet de daad volgen, en ook, dan verschuiven uw gedachten niet naar een verre toekomst, maar moet het tot verheffing van uw geestelijk leven komen, nu, in het heden.

Dan wordt het niet: »Zoo Christus opgewekt is, mijmer dan over de wederopstanding van uw vleesch, " maar heel anders, en veel aangrijpender: »Zoo Christus opgewekt is, zoekt dan de dingen die boven sijti, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods."

Hiervan verstaan nu de kinderen der wereld, en ook de kleine kinderen der ge­ meente nog niets; maar de Bekeerden ten leven verstaan het wel.

Zij toch zijn in hun bekeering juist van het lichaam op de ziel overgegaan.

Vóór hun bekeering, sto: .d ook bij hen het lichaam en de zorge vftor het lichaam op den voorgrond, met al wat bij dat lichaam hoort. Al hun gedachten en overleggingen richtten er zich op, hoe dat lichaam te voeden, zijn lust te verzadigen, aan de slaapzucht van het lichaam toe te geven, dat lichaam te kleeden, dat lichaam op te sieren, voor dat lichaam geld ter beschikking te krijgen, en door heel hun uitwendige verschijning invloed in de wereld te verwerven.

Maar na hun bekeering keerde dit om. Van die ure af trad het lichaam op den achtergrond en de ziel op den voorgrond.

Tot dusverre hadden ze voor hun lichaam meesterlijk gezorgd, maar hun ziel laten verhongeren, laten verdorsten, laten verdorren en vermageren, lateii verkankeren door allerlei innerlijk gif.

Ze hadden hun ziel eenvoudig verwaarloosd, er niet naar omgezien, er zich niet om bekreund.

Die ziel was hun als een nachtegaal in het woud, een vogel naar wiens betooverenden zang ze soms wel luisterden, maar die niets kosten moest en voor wiens verzorging ze geen hand uitstaken. Voor de hoenders, die eieren leggen, hadden ze hun zorg en hun geld over, maar die nachtegaal van binnen moest zelf maar zien, hoe hij zijn spijze van God bekwam.

Maar nu is dat anders geworden.

Nu, na tot den levenden God bekeerd te zijn, blijven ze wel ook voor hun lichaam zorgen, want dat is plicht, maar toch de zorge voor de ziel houdt hen nu meer gestadig bezig. Vooreerst omdat, waar strijd komt, het lichaam voor de ziel moet wijken, en nooit meer, gelijk dusvxT? de ziel voor het lichaam achter mag gesteld. En ten andere, omdat de ziel die zoo lang verwaarloosd werd, er nu aanspraak op heeft, om met een dubbele zorge, die vroeger verzuim inhaalt, gekoesterd te worden.

En dit nu maakt, dat een bekeerd kind van God bij elke gebeurtenis, die hem van Christus verhaald wordt, wel óók vraagt wat beteekenis dit alles voor zijn lichaam heeft, want ook dat lichaam is Godes, maar dat hij toch in de eerste en voornaamste plaats zijn oor te luisteren legt, om te vernemen, wat die dingen die Jezus aangaan, te zeggen hebben en wat vrucht ze afwerpen, voor zijn zoo lang achtergestelde, innerlijk verarmde en verwaarloosde ziel.

Een Paaschprediking die op dat doel niet mikt, en dat doelwit niet treft, verkwikt daarom de geloovigen niet.

Ze past niet op de zielsrust van het bekeerde hart.

Ze is niet naar den geest van het kindschap, dat roept: Abba, Vaderl

Maar wel verkwikt en troost, wat de apostelen u toeroepen, »dat Christus opgewekt is tot uw rechtvaardigmaking."

Een klank zonder geur of smaak, voor wie nog aan anderen vragen moet, wat rechtvaardigmaking is. Maar een klank streelend zoet en wegsleepend voor wie een schuld die zijn hope verteert kent en g betreurt, en telkens weer als hij zijn ziel tot God verheft, naar afwenteling van die schuld, en uitdelging van die schuld, en een werpen van die schuld in de diepte der zee, en alzoo naar rechtvaardigmaking dorst.

Wie amechtig dorst naar water, die kent water en weet zeer wel wat water is. En zoo ook hier, wie er naar dorst om voor God gerechtvaardigd te zijn, die kent de rechtvaardigheid, en weet zeer wel wat rechtvaardigmaking is.

En die rechtvaardigmaking nu, die is het, die hier verpand en verzegeld ligt in Jezus' opstanding; want zoo hij niet ware opgestaan, dan ware hij de Zone Gods niet geweest, dan ware hij als een martelaar, en niet als het Lam Gods voor onze zonden gestofven; dan had Goigotha ons geen vrucht gebracht; en waren we nog in onze zonde.

Maar nu Jezus is opgewekt, en daardoor krachtiglijk bewezen is de Zone Gods te zijn, nu roemt het geloof: Die] daar stierf aan het vloekhout was de Zone Gods, zelf God en bij God, en nu verstaat de heilzoekende ziel het, dat het sterven van den Zone Gods niet voor hem zelven maar voor ons was, een offerande van oneindige waardij en genoegzaam om alle zonde der wereld te verzoenen.

Doch er is meer.

Niet enkel toch dat Jezus' opstanding u bezegelt, hoe in Goigotha het volstrekte tegengif ligt, dat het git, het doodelijk gif van schuld en zonde, rechtstreeks in zijn werking stuit en vernietigt, en daarom u voor God rechtvaardig stelt; maar ook in Jezus' opstanding spreekt zich het machtige feit uit, dat het lichaam de ziel volgt, en niet de ziel het lichaam.

Omdat Jezus in zijn sterven, tot op het oogenblik dat hij den geest gaf, naarde ziel heihglijk overwon, daarom kon ook zijn lichaam van dendoodniet gehouden worden.

In den bangen strijd tusschen ziel en lichaam, bracht Jezus zijn hchamelijk leven, zijn lichamelijk bestaan ten offer. Het lichaam moest de ziel dienen. En juist doordien de ziel over het lichaam heerschte, is het van uit de ziel dat het leven ook aan zijn lichaam weer toekomt.

En dit nu slaat rechtstreeks op onze eigen levensworsteling.

Ook voor ons toch doet zich die levensworsteling nog telkens en gedurig onder dienzelfden vorm, in dezelfde gestalte voor.

Van de ééne zijde is er dan, wat het lichaam vraagt, en het lichaam eischt, en het Uchaam wel wil; maar ook van den anderen kant de eisch van de ziel, dat het lichaam haar diene, voor haar zich opofïere, haar geen wederpartij der, maar een hulpe zal zijn.

Het is zoo, niet alle levensworsteling gaat daarin op, maar toch, als ge onder de sfeer van het lichaam begrijpt en saamvat, al wat uit het zichtbare en het uitwendige u lokt en verleiden wil, en ge stelt daar den nood en den eisch van uw ziel tegenover, dan is het stellig in negen van de tien gevallen, dat daarop uw levensstrijd neerkomt, en is uw geestelijke inzinking, uw gemis aan geestelijke bezieling en verheffing, ja zelfs het gedempte in uw levenstoon aan een prijsgeven van de ziel en een toegeven aan het lichaam te wijten.

En daarom nu ging er van Jezus' verrijzenis alle eeuwen door onder de gekenden des Heeren zulk een zonderlinge roepstem tot geestelijke verheffing uit.

Omdat Christus opgewekt is, zoo zoekt de dingen die boven zijn I

Of wat is uw Pascha, watjezus' verrijzenis anders, dan juist de volkomen triomf dien het geestelijk leven over het vlee: ijk leven behaalt, het zegel Gods op dti. „.elregel, dat als de ziel het lichaam prijs geeft, de ziel macht ontvangt, om ook dat lichaam heerlijk te herwinnen.

Ge ziet, ge schouwt het aan in het verrijzen van Immanuël, hoe het geestelijk leven oppermachtig over het leven des lichaams heerscht. De geest in Jezus was noch in Gethsemané noch op Goigotha voor wat eisch ook van het lichaam teruggedeinsd. In heel zijn lijden en sterven ziet ge hem van oogenblik tot oogenblik het lichaam prijsgeven, opofferen, dienstbaar maken aan hooger doel. En hier bij het geopend graf, ziet ge, hoe de geest van Jezus dat ofïer kon, en dat offer moest brengen, omdat hij juist alleen daardoor die hoogere macht kon openbaren, om ja eerst het leven af te leggen, maar ook om het daarna weder aan te nemen.

Dit gebod had hij van zijnen Vader ontvangen.

En nu is de strijd uit.

Hier in den verrezen Heiland is het juiste evenwicht, de zuivere harmonie der scheppingsordinantie tusschen ziel en lichaam van Jezus hersteld.

Het lichaam heerlijk, wijl aan de ziel onderworpen, en in die heerlijkheid des lichaams, niet de nederlaag, maar juist de triomf des geestelijken levens uitkomend.

Kind der Opstanding zijt ge daarom dan eerst, zoo die kracht die in Jezus' verrijzenis uitblonk, en aan het geopend graf over alle geloovigen uitstraalt, ook in uw eigen ziel aansloeg, en ook in uw eigen zieleleven de verhouding tusschen ziel en lichaam zoo stelde, als ze in Jezus' verrijzenis bezegeld werd.

Een kind der Opstanding is opgewekt. zéiïgeestelijk

Niet slechts verwekt ten leven in het mysterie der wedergeboorte, maar ook opgewekt in geestelijken levenstoon, en opgewekt in geestelijke zielsverhefflng.

Opgewekt niet in den zin van geestelijke overspanning of geestelijke opwinding, of geestelijke overprtkkeling.

Die (overspanning, die opwinding en die overprikkeling komt aan de onvaste zielen toe uit den schuimenden beker der geestelijke gevoelsbeweging, niet uit het geopend graf van uw Heiland.

Maar al moet tegen al zulke opwinding, overspanning en overprikkeling, die zoo lijnrecht in strijd is met de nuchterheid des geestes die Gods echte kinderen beheerscht, telkens weer gewaarschuwd, nooit mag dit u tot een verontschuldiging worden, om de dingen te zoeken die op aarde zijn, en de dingen die boven zijn, te vergeten.

Gedurige oatwakiug onder Gods volk is daarom wel terdege noodig. Het»ontwaakt, gij die slaapt, en laat Christus over u lichten" moet eiken morgen als de wekstem des geestelijken levens van de tinne des tempels worden uitgeroepen.

Waar de lucht zoo telkens zwoel en drukkend wordt, en de geestelijke ademhaling belemmert en verflauwen doet, moet telkens weer de frissche morgenwind door den hof des Heeren waaien, opdat de verwelkende bloemknop zich aan den stengel weer opbeure.

Geestelijke verwarming tegen de koude van de geestelijke atmosfeer, geestelijke bezieling tegen de verdoovende invloeden van het gewone leven, geestelijke ontwaking tegen den geest des slaaps, die zoo licht over de ziel kruipt, en geestelijke z/fPr^^/J/f? ? ^ om ons te ontrukken aan zoo veel als ons naar de diepte zuigt, is ons allen van noode, en wee hem, die in plaats van hier de broederen toe te verwekken, de vonk van heilig vuur in hen bluscht.

Want immers zoo er éen sprake van het geopende graf van Jezus uitgaat, dan is het wel deze, dat ge naar ziel en lichaam beide dan eerst uw adel vertoont, als de ziel in u koninklijk over het lichaam mag heerschen, daar, waar het moet de dingen die des lichaams zijn op te offeren, maar dan ook juist om door die offerande niet alleen de ziel, maar ook het lichaam tot hooger stand te verheffen.

Heerschappij van de ziel over het lichaam, van den geest over het vleesch, van het onzichtbare over wat voor oogen is, niet om in valsche overgeestelijkheid wat voor oogen is waardeloos te achten, maar juist omgekeerd, om in de kracht Gods den glans van uw hooger geestelijk leven ook over heel uw uitwendig leven te doen uitstralen.

Vier den zin en den lust, die uit de sfeer van het lichamelijke u verlokt, en het einde is dat lichaam en ziel beide omkomen en ter helle gaan. Maar ook, zie het aan uw Jezus, als ge de ziel volkomenlijk over het lichaam, desnoods tot in den dood laat heerschen, dan overwint de ziel koninklijk en deelt ze haar wondere zegepraal ook aan het lichaam mede.

Vleesch en geest, dat en geen andere is daarom de allesbeheerschende tegenstelling, die in uw Pascha u toespreekt.

Hier geldt het de geestelijke kunst van den evenaar, en wee u, zoo de balans, waarin de geestelijke vrucht wordt afgewogen, te licht wordt bevonden.

Schier alle geestelijke uiting, dofheid en doodschheid, komt voort uit toegeven aan het lichaam, uit een koesteren van het vleesch, uit een niet geregeld voeden en drenken en kleeden en versieren van de ziel.

Altoos een verbroken evenwicht, zoodat de zorge voor het vleesch te groot, en de bezorgdheid voor de dagelijksche verzorging van de ziel veel te klein is.

En daartegen nu dient telken jare, als het Paaschfeest weerkeert, ja, elke Sabbat, als de heilige : ruste weer ingaat, de Verrijzenis van Immanuël protest in.

Hij uw Heiland heeft het in zijn sterven en in zijn verrijzenis u getoond, dat de weg tot volkomen heerlijkheid niet door wijken voor de eischen van het vleesch, maar juist omgekeerd" door de vaste heerschappij van den geest over het vleesch bepaald wordt.

En daarom uw geestelijke verheffing, o, kinderen der openbaring, het , is niet, dat ge in overspanning of opwinding u over uzelven lieenzet, maar hierin ontsluit zich de poorte die u tot hooger, tot inniger, tot bezielder geestelijk leven doet ingaan, als ge, ziende op de uitkomst van Immanuël en zijn Verrijzenis, aan het lichaam, aan het vleesch, aan wat voor oogen is, den teugel uit handen neemt, en, kennende de kracht van Jezus' Opstanding, al wat uit de zinnen is aan de heerschappij'van den geest in u onderwerpt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 april 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Zoo zocht dan de dingen die boven zijn”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 april 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken