Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

't NEUSHOORNBEEST.

II.

Al mist de neushoorn dan ook de slagtanden die zijn dikhuidige neef bezit, toch is hij door middel van zijn hoorn tot allerlei in staat, dat gij hem niet nadoet. Wel beschouwd, heeft hij zelfs op den olifant nog heel wat voor. Immers de hoorn op den neus is zoo taai, dat hij nooit afbreekt, al woelt het dier er ook den harden, rotsigen grond mede om. Ook schijnt de hevigste stoot tegen dien horen het dier toch volstrekt geen pijn te doen, zelfs al rukt hij sterke boomen uit den grond. Dit nu is bij den olifant heel anders, want die krijgt kiespijn als hij wat heel veel met zijn slagtanden wil uitrichten. Ook breken die tanden soms af.

De huid van den rhinoceros is zeer gerimpeld, vol plooien en groeven, doch de Aziatische heeft dit veel sterker dan de Afrikaansche. Op den rug is het vel zeer dik en ruw en hard, op de zijde echter veel za, chter, zoodat een geweerkogel, die bij 't schieten van den rug weer afspringt, aan de zijden in het vleesch dringt. De huid ziet donkerbruin, te weten als zij schoon en rein is. Maar dit komt weinig voor, want onze vriend schijnt op zijn dikke huid er nog wel een te hebben van aangedroogden modder. En daardoor lijkt het ons toe, dat het vel grauw is. De witte neushoorn ziet er dan ook volstrekt niet zoo wit uit als t papier, waarop ik dit schrijf. Hij is alleen wat lichter van kleur dan de andere neushorens.

De witte gaat ook door voor zachtzinniger dan zijn bruine familieleden, en voor minder gevaarlijk. De zwarte, d. i. de donkerbruine, moet veel grimmiger zijn, al raad ik u toch aan, zoo ge ook maar een witten mocht tegenkomen, hem stil te laten voorbij loopen en vooral hem niet te streelen (te meer daar hij er toch niets van zou voelen). De rhinoceros veelt namelijk heel weinig. De kleinste hindernis, 't minste wat hem niet aanstaat, kan hem zoo woedend maken, dat hij zich aanstelt als dol, geweldig begint te snuiven, tegen alles om zich heen aanloopt, om 't even of het boomen, struiken, menschen of dieren zijn, en hen zoo mogelijk omverwerpt. Nu, daar is hij een rhinoceros, een woest, redeloos beest voor. Maar dat menschen soms ook 200 doen, om het kleinste doldriftig worden, deugt niet. Want er staat geschreven: »Dc toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet."

Maar, zult gij zeggen, 't is nog al niet zoo gevaarlijk, 't Beest is bijna net zoo dik als het hoog is; het lijkt wel een groote ton op vier korte pooten. Hard loopen kan hij zeker niet, en dus is 't gemakkelijk hem te ontvluchten. Vergis u niet. Als 't op snelheid aankomt, is de neushoorn, hoe plomp zijn lichaam en hoe kort zijn pooten ook zijn, toch u en mij de baas. Hij kan zelfs zoo hard loopen, dat een ruiter te paard moeite heeft hem in te halen, nog meer hem vooruit te komen. Als er om 't hardst geloopen werd, zou dit logge dier het den vlugsten jongen met gemak afwinnen. Gelukkig echter is er een geheel andere reden, waarom men toch zonder veel moeite hem ontkomen kan, als hij zoo in woede voortrent. Hij is dan namelijk zoo driftig en buiten zich zelf, dat hij letterlijk niets meer ziet, hoort of ruikt. Daardoor raakt hij dan geheel het spoor bijster van den mensch of van het dier, welke hij vervolgt. En dat ze hem niet lokken, begrijpt gij. Menigeen die door een rhinoceros werd vervolgd, bleef eenvoudig staan, tot het beest een twintig schreden van hem af was en sprong toen snel een eindje op iijde. Dan rendt de neushoorn woedend en snuivend in dolle vaart voorbij, en is weldra verdwenen.

Dat zulk een groot dier ook heel wat eten kan, begrijpt gij. Maar wat? Andere dieren natuurlijk niet. Want hij behoort niet tot de vleeschetende of verscheurende dieren, en zou zelfs het lekkerste kluifje niet aanroeren. Maar bij andere lekkere dingen is hij minder te vertrouwen, en als ooit een rhinoceros in een fruitwinkel kwam, vrees ik dat hij meer opat dan betaalde. Meloenen, bananen, suikerriet zijn voor "hem een lekkernij. Doch zoo iets krijgt onze neushoorn niet alle dagen, en zoo neemt hij voor ontbijt veelal maar wat wortels en dorens en voor middagmaal een partij struiken en boomtakken. En niet weinig ook! In een stadstuin zou hij in een paar dagen zoowat alles, op dikke boomen na, hebben kaal of opgevreten, want hij staat voor niets. Zijn voornaamste voedsel zijn zelfs de stekelige mimosa's, en daarvan vermaalt en verslindt hij takken van 2 tot 3 duim dikte. Wie doet het na? Nu, wel mag 't hem bekomen! Gelukkig dat ook zijn tandvleesch er tegen kan. In den regentijd echter maakt de neushoorn het wel eens wat heel erg, want dan kuiert hij door de rijstvelden en wandelt tusschen het suikerriet, vreet zooveel hem lust, en vertrapt en vernielt nog veel meer. Men behoeft na zoo'n bezoek niet te vragen waar het beest heeft geloopen. Dat is best te zien. Hij heeft zich een weg gebaand naar zijn zin. Natuurlijk zijn echter de menschen met die wandelingen weinig gediend, want rijst met suiker is een lekker eten, en dat houden zij liefst zelf. De rhinoceros kan het immers best met prikstruiken stellen, die zij hem dan ook van harte gunnen.

Doch daar nu de neushoorn ook allereerst datgene opzoekt wat hem 't best smaakt, schiet er niet veel over dan hem te dooden, of hem buiten 't bereik van het lekkers te houden. Maar dit laatste is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Want of gij al roept kss! kss! of met vuist of stok dreigt, daar geeft hij niets om. Een bordje met «verboden toegang" er op, leest hij niet, en een hek werpt hij eenvoudig omver. Er blijit dus niet over dan hem het wandelen voorgoed te verleeren en hoe dit gaat, zullen we straks zien. Iemand die alleen overdag uitgaat, heeft — en dit is zeer gelukkig — weinig kans een rhinoceros te ontmoeten, want gelijk veel wild gedierte, maakt hij van den nacht den dag en omgekeerd. Dat wordt ons duidelijk geschilderd in Psalm 104, als we in vs. 20, 21 en 22 lezen: »Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt; de jonge leeuwen, brieschende om eenen roof, en om hunne spijze van God te zoeken. De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hunne holen."

Wie lust en moed heeft het te onderzoeken, kan vaak bij dag den neushoorn in diepen slaap aantreffen, terwijl hij snorkt in de schaduw van een boom of een rots, en 't best is hem dan maar niet te wekken. Tegen den avond, als het koel en donker wordt, rijst het dier uit zijn leger op. Hij heeft dan honger en gaat voedsel zoeken. Meestal houdt de rhinoceros zich dichtbij een moeras of een poel op, niet alleen om naar lust te kunnen drinken, maar ook om zich te baden. Dit doet hij heel graag, en wijl het water niet zoo heel helder of liever zeer modderig is, wordt zijn vel met een dikke korst slijk overdekt. Wat vuil! zult gij zeggen. Ja vrienden, maar een neushoorn staat ook niet in den modewinkel te pronk, en die modder is hem van groot nut, want zijn huid, hoe dik ook, is toch in de plooien heel dun en teer. En zoo kunnen dan de groote, felle en gevaarlijke vliegen in de warme landen er gemakkelijk doorheen boren. Doch de modder belet het hun; en is dus een kleed dat nut doet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 april 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 april 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken