Bekijk het origineel

„Op den dag zijner geboorte.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Op den dag zijner geboorte.”

10 minuten leestijd

En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Heródes op den dag zijner geboorte eenen maaltijd aanrichtte voor zijne grooten, en dé oversten over duizend, en de voornaamsten van Gaiiléa, Marcus 6:21.

Slechts van twee »verjaardagen" meldt de Heilige Schrift ons. In Genesis van een ver* jaarfèstijn dat voor Farao was ingeluid, en in de Evangeliën van den wilden vreugdedag in Herodes' paleis, zoo gruwzaam met het bloed van den Dooper bezoedeld.

En als ge naast deze heugenis van wat de Farao's en Herodessen op hun geboortedag jubelden, de huiveringwekkende woorden legt, waarmee eerst een Job., en straks een Jeremia den dag vervloeken > waarop zij geboren toerden" kunt ge dan voorbijzien, hoe uit deze treffende saamvoeging een stem van ernst en van waarschuwing ook voor onze verjaardagen uitgaat?

Verjaardagen kunnen gedenkdagen zijn, die vriendelijken glans over het leven spreiden, zachten gloed uit den Heiligen Geest inde ziel doen stralen, maar ze brengen ons die edele vrucht zoo zelden.

In een luisterrijk gevierden verjaardag schuilt voor ons licht verleidbaar hart een niet zoo denkbeeldig gevaar.

We worden dan gevierd; in aller schatting beweegt ziel» het huislijk leven en het leven van den vriendenkring heel dien dag om ons als om zijn middelpunt; we schuilen niet, maar staan vanzelf op den voorgrond; men komt tot ons met enkel woorden van lieflijkheid, tot met verzen op rijm; zelfs de post brengt van verre en nabij gelukwenschen; wie nooit een telegram ontving, ontvangt er op dien dag een; alles is voor ons in beweging; voor ons zijn die bloemen; voor ons is al die drukte; en ook die kleine buit van feestgeschenken, die we met zekeren trots uitstallen, verrijkt onzen schat.

En waar zóó die dag van onze persoonlijke glorie komt en gaat, zoudt ge daar meenen, dat die dag verloopen kon, zonder het hart in den boezem wat hooger te doen kloppen, en ons iets sterker dan anders te doen voelen ons toch al zoo gevoelig ik?

Vroede zin bij het opvoeden waarschuwde daarom reeds vanouds zelfs tegen het te hoog opdrijven van de verjaardagen van onze lieve kleinen.

Vooral bij die kleinen, die hun geboorte nog niet verstaan, die hun pas beginnend leven nog niet indenken kunnen, en den indruk van Gods ixöuwë Vadérzörg nóg niet Öildergingen,

deed een te gul gevierde verjaardag zelden iets anders, dan het bloempje van den eenvoud knakken en ijdele gewaarwordingen wakker roepen in het nog onbedachtzaam hart.

Op den gedenkdag onzer geboorte moest, zoo het wel ware, bij innigen dank en diepe beschaamdheid, weinig anders dan stille ernst onze ziel doordringen.

Het is ons verleden^ van de ure onzer geboorte af, dat zich aan onze heugenis opdringt; het is het heden dat om indenken en klaar overzien van onzen toestand, zoo voor God als in de wereld, vraagt; en het zijn de vragen voor de toekomst^ die om ernstige beslissing roepen.

Op een dag van dien aard, zal hij wél doorleefd zijn, moet heel ons aanzijn zich als in één punt des tijds voor ons zelfbesef saamtrekken. Maar meet nu naar dien toch niet te hóogen eisch af, wat er van de meeste verjaardagen terecht komt, en voelt ge u dan niet teleurgesteld ?

Denk maar aan de verjaardagen van anderen, die ge in den huislijken kring of in den kiing uwer vrienden hebt meegevierd. Denk ook aan uw eigen verjaardagen. Vraag u af, hoeveel jaren ge telt. Daaraan weet ge hoe dikwijls ge zelf zulk een dag reeds achter u liet. En vraag u dan af, welke vrucht die hoogtijden in uw leven, ze alle saamgenomen, voor de vorming van uw karakter, voor de richting en stuur van uw leven, voor uw zielsverrijking, en voor uw verborgen omgang met uw God gebracht hebben.

En zeg zelf, is er dan niet maar al te veel herinnering van drukke, woelige dagen, die u nauwlijks tijd tot inkeer in uzelven lieten? Hermnering van schier zenuwachtige opwinding, van overspannen uitdrukking op het gelaat, van feestelijken maaltijd, en van een moede te bed keeren, om den dag daarna in slap en mat gevoel de overprikkeling Van den feestdag te boeten!

Het is zoo, onder de belijders des Heeren ondergaat die zelfingenomenheid en overspanning van zin allicht een kleine tempering.

Wie leeft bij het Woord, en den ommegang der dagen met zijn morgengebed en avondgebed aaneenschakelt, zal ook op den gedenkdag zijner geboorte dat Woord zoeken, en geen rust vinden eer hij de alleenspraak op de knieën voor het aangezichte zijns Gods heeft voleind.

Wie zoo rijk is, dat hij, zelf zijn God zoekende, leven mag in een gezin, dat desgelijks doet, zal te midden der feestvreugde de wijding ondergaan, dat ook aan den morgendisch en aan het feestmaal, het Woord de ziel komt opheiïen, en in gebed en lofzang Gode de eere wordt toegebracht.

o, Er is door Gods genade in een gezin dat Gods Getuigenis eert, nog zoo sterk geestelijk overwicht, om toom en teugel aan te leggen aan wat in ons tot uitspatten neigt.

Maar al erkennen we dit grif, en al danken we er voor, zou daarom juist in onze Christengezinnen niet, meer nog dan in de kringen der wereld, de zelfaanklacht beluisterd worden, dat zoo menige dag van geboorteherdenking voor verreweg het grooter deel aan God ontstolen, en voor de streeling van ons eigen ik geroofd was ?

Of hebt ge nooit gekend die pijnlijke worsteling, als juist op zulk eea dag, bij het hooren van het Woord, de ziel luisteren wilde^ maar niet luisteren kon^ en poogde te bidden, maar in het bidden afgetrokken werd, zoo vol als hart en hoofd was met allerlei dat afleidde, en overspande op het benevelen af?

Of ook, want de keerzij ontbreekt ook aan deze medaille niet, naamt ge het dan niet wel waar, hoe op zulk een met spanning tegemoet gezienen dag, teleurstelling het hart krimpen deed, en het oog in bitterheid spande, als het u tegenviel, zoo weinig notitie als men van u nam, u hinderde dat voor u minder gedaan was dan voor een ander, dien ge met uzelven gelijk steldet, ja als zelfs het feestgeschenk u pijn deed, als het u zei hoe meer de vraag, waarmee men er van af kon, dan die andere, hoe men u verblijden zou, keuze en aanschaffing er van beheerscht had.

Wat stemt blij in het gezin, als er weer zulk een jaardag aanbreekt?

Is het de vreugde van het hart, dat men elkaar bezit, en nóg bezit, en in dit bezit zoo overrijk is? Óf meer soms, dat er weer een dag van ontspanning aanbrak, een ongewone dag die in het gewone leven afwisseling brengt, een dag waarop voor al de huisgenooten iets meer dan anders te genieten valt?

En wie heeft dan zijn oog open, klaar open voor de werkelijkheid, die het niet telkens ziet, en als met handen tast, hoe het gevoel van rijk bezit in elkander, o, in zoo tal van gezinnen nauwlijks meSspreekt, en hoe veeleer aller hart en zin, als de gelukwensch in de morgenure afliep, uitgaat naar de dingen die komen zullen, en in de dingen die komen, schier geheel opgaat.

Soms zelfs loopen zulke dagen van heerlijke glorie zondig af. Als er boven de middelen geld werd verspild. Lichtzinnigheid levenstoon in gesprek en aan den maaltijd' werd. En aan dien maaltijd zelven brooddronkenheid de zinnen vermeesterde.

Doch al komt het, Gode zij dank, in Christengezinnen tot dit uiterste slechts uiterst zeldzaam, dat de reformatie ook der verjaardagen in menig gezin ernstig diende ter hand te worden genomen, moge ontkennen, wie aan ernst geen lust heeft, maar stemt al wie God vreest, ons van harte toe.

Bovenal op zulk een gedenkdag is bij hei altaar onze plaats^ en op dat outer der aanbidding moet op zulk een gedenkdag nog meer dan anders, liefde en lof voor God ten offer gemengd worden.

Of wijst de herdenking van onze geboorte, niet rechtstreeks op die geboorte zelve terug, en daarmee op Hem, op Wien onze moeder ons in barenssmarte wierp, die ons'door zijn wonder bestel en wondere scheppingsmacht formeerde en tot aanzijn riep, na reeds van eeuwig aan ons gedacht te hebben, eer Hij ons oog voor het levenslicht opende.

Die dagen en ^jaren die sinds verliepen, zijn ze niet als één schouwtooneel van de goeddadigheid onzes Gods, die, waar zoo duizenden reeds vroeg werden afgesneden, ons spaarde, ons het leven liet, en al die dagen onzes levens ons gevoed, gedrenkt, gekleed en gedekt, bewaard en in zijn liefde verzorgd heeft?

Moet ons op zulk een dag de gedachtenis daaraan niet als met één machtigen toon in het oor der ziel klinken, als de roepstem onzes Gods, waarmee Hij nooit ophield ons te lokken en te trekken naar zijn heilige gemeenschap ?

Moet ons bestaan en moet ons leven, moet ons karakter, moet onze levenskracht, moet onze roeping in den dienst des Heeren, moet de vraag of uw voet staat in de poorte van het hemelsch Jeru7aleni, op zulk een dag niet met verdubbeling van ernst worden ingedacht?

Ja, zal, wie niet op mijlen af stands van zijn hart, maar dichtbij zijn ziel leeft, op zulk een dag van stillen ernst, niet ook zijne zonden gedenken? Tegenover de vraag wie God voor hem was, niet ook doorleven watjhij voor zijn God is geweest? En zal de zelf beschaming, die hierdoor over het hart komt, op dien dag, die aan ons geboren zijn in zonde herinnert, ons niet dringen naar de Fontein, die voor het huis Israels ontsprongen is tegen de zonde en tegen de ongerechtigheid ?

Niet alsof daarom wat een vreugdedag was, een dag van somberheden zou moeten worden. Ook wat er te genieten is in het leven, geeft God te genieten. En de gulle vreugde onzer verjaardagen is ook een middel in Gods hand, om den band des bloeds te sterken, en een zilveren rand om ons huiselijk leven te doen glanzen.

Ook hier moet alleen het gebruik geheiligd, opdat het misbruik^ dat ook hier zoo licht insluipt, worde tegengestaan.

In bet» dagen deed men dit ook wel, door op zulk een dag den arme te begiftigen of sc'nenkingen voor de heilige zaak onzes Gods te doen.

Soms zelfs dreef eigen vreugde uit, om vreugde te verhoogen in armer gezinnen, waar zelfs de verjaardag jzoo vaak schier alle vreugde derven moet.

Ook hier is een ongelijkheid, die wel niet voor verevening onvatbaar is, maar toch de liefde in ons, tot een wegneming van de al te scherpe tegenstelling dringen (moet.

Veelszins is wat, in hooger kring op verjaardagen uitgegeven en gespild wordt overdadig^ terwijl omgekeerd inj lager kring zelfs zulk een dag vaak vreugdeloos voorbijgaat.

En daarom spreekt er menschelijk medegevoel uit, fzoo de belijders van Jezus van het overdadige op eigen feestdag aflaten, en er lust aan krijgen, om ook dezen dag der herdenking in de kringen onzer armer broeders en zusters met eenig vriendelijk licht te beschijnen.

Men doet veel voor de kinderen der armen op [het Kerstfeest, en dat juichen we toe. Ook doet men wel iets voor ze, als ze ziek zijn, en dat is heerlijk. Maar wie met de kinderen onzer armen van nabij bekend is, denke er ook eens aan, om ze op hun verjaardagen te verrassen. Veel vragen ze niet.

Een kinderhand is spoedig gevuld.

En vooral als die kinderhand arm is, is ze met o, zoo weinig rijk gemaakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Op den dag zijner geboorte.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken