Bekijk het origineel

Kastegeest.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kastegeest.

4 minuten leestijd

Amsterdam, i Mei 1896.

In de wereld der menschenkinderen neigt zin en lust telkens naar den boozen kastegeest. Een geest die daaraan gekend wordt, dat men niet vraagt: »Is iemand goed, heeft iemand verdienste, is hij een broeder in Christus? "; maai-omgekeerd: »Is hij van onze coterie, uit onze groep, van ons»klompje menschen", zooals ze in Transvaal zouden zeggen, uit onzen hoek, uit het kringetje waarin we ons opsloten? " En er dan bijvoegt : Indien ja, zoo zie alles in hem voorbij en loof zijn deugden. Maar ook indien niet, zoo werp hem uit, en pas het odi profanum vulgus et arceo, d. w. z. het stelsel van: »weg met al wie niet van de onzen is", onverbiddelijk op hem toe.

Deze kastegeest heeft het meest boozelijk gewerkt in Heidensche landen, denk slechts aan Egypte en Voor-Indië.

Maar diezelfde kastegeest werkt evenzoo in den militairen stand, in den adel, onder de geldmannen, bij de academisch opgeleiden, onder de studenten, op de beurs, en zelfs bij de politieke partijen.

Groote, uitgebreide familiën passen dien kastegeest zelfs op den breeden kring van hun geslacht toe.

Zoo van ons, dan boven allen lof verheven. Zoo van elders, dan het heilige kruis achterna'!

Tegen dien boozen kastegeest is alleen het Christendom machtig gebleken door zijn heerlijk universalisme, naar zijn Goddelijken stelregel, dat er in Christus is noch Jood noch Griek, noch Scyth noch Barbaar, noch vrije noch dienstbare, omdat we allen broeders en zusters zijn in den Éénige.

Toch spreekt het wel vanzelf, dat dit den kastegeest niet belet heeft, om ook het erf van Christus' kerk binnen te dringen.

Iets waarmede natuurlijk niet bedoeld wordt de splitsing der kerken op grond van verschil in belijdenis.

Deze splitsing toch komt niet uit kastegeest, maar uit den geest der waarheid. Tusschen Belijdeniskerken zijn het de beginselen die scheiding maken.

In zooverre is het dan pok natuurlijk, dat Protestanten tegenover Roomschen, Orthodoxen tegenover Modernen, Gereformeerden tegenover Ethischen staan.

Dat moet en kan niet anders.

Maar kan nu gezegd, dat de Hervormden nooit iemand voortrekken, omdat hij Hervormd is, ook al staat hij op het stuk der waarheid verder van hen af, dan de Gereformeerde dien ze weren?

En zoo ook, kan betuigd, dat de Gereformeerden niet wel eens in iemand, omdat hij ­Gereformeerd heet, iets door de vingers zien, wat ze in een niet-Gereformcerde gispen?

Ja, heeft het soms niet den schijn, alsof iets van dien boozen kastegeest zelfs ia de natuurlijke verhouding van wat men A en B noemt, woelen wil?

Kan men metterdaad zeggen, dat er in het onderling verkeer, dat er bij uitnoodiging, dat er bij keuze of benoeming, dat er bij beroep en aanstelling, onder ona uitsluitend gevraagd wordt, wie het zuiverst ds waarheid belijdt en het zuiverst iets van den Christus vertoont, en zou men beweren kunnen, dat er nooit gevraagd werd: Is hij van A of is hij van B ?

Ja, is het te sterk gesproken, als men staande houdt, dat wie zelf van A herkomslig is, B wel eens tegenstond, ook al is hij geschikter, alleen omdat hij niet van A is, èn zoo ook orngfekcerd; dat wie van B is, den B-man niet wel voortrok, ook al zou een man van A even geschikt, misschien beter passend zijn geweest?

Welnu, in al die gevallen wordt de maatstaf, die beslissen moest, ter zijde gelegd, en daarvoor een geheele andere maatstaf in de plaats genomen, die in Christus' kerk nooit oirbaar noch geoorloofd is, omdat deze andere maatstaf geijkt is, niet door den geest van Christus, maar door den kastegeest.

Verwonderen kan dit nu niet.

Immers, we hebben, zelfs albehoorenwe tot de allerheiligsten, in dit leven nog nooit iets anders dan een klein beginsel der waarachtige gehoorzaamheid.

Maar hier staat toch tegenover, dat wie in CJiristus is, een vurige begeerte in zich gevoelt om naar alle Gods geboden, ook naar zijn gebod, dat allen kastegeest veroordeelt, te leven.

Zoo heeft dus een iegelijk zich zelven te onderzoeken, of hij, ook al bezweek hij soms voor de verzoeking, toch den haat tegen dien kastegeest wel in zijn hart gevoelt en dien wil mijden en vlieden. En of hij integendeel den geest van Christus, die op het één zijn van al zijn ware belijders dringt, als een geest dien hij mint en liefheeft, in zijn hart voelt dringen, en er zich door leiden laat bij zijn oordeel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Kastegeest.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken