Bekijk het origineel

Van de gemeene gratie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene gratie

18 minuten leestijd

XXXII.

En zij hoorden de stemme des Heeren Gods, wandelende in den hot aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijne vrouwe voor het aangelichte des Heeren Gods, in het midden van het geboomte des hofs. Gen. 3 : 8.

Te dien dage zou Adam den dood voLsterven ^), en zie, hij leeft negenmaal zoo lang als de oudste onzer, en haalt een ouden dag van bijna duizend jaar. In dit veelzeggende feit ligt de reddende gedachte van het verschuiven, opschorten, uitstellen, door de reageerende, d. i. tegen de zonde inwerkende en op haar terugwerkende majesteit van Gods gerechtigheid. Het oordeel wordt voor een tijd opgeschort, de uitvoering van het vonnis wordj verschoven, de triomf der gerechtigheid wordt uitgesteld. Het wordt niet, zóó de zonde en regelrecht daarop de voleinde straf, maar tusschen de zonde en de volledige en volstrekte executie wordt een tijdperk van eeuwen ingelascht. Dit is de lankmoedigheid Gods, dat eerste beding voor alle genadebetoon; want lankmoedigheid in God is, dat Hij den toorn uitstelt, dat Hij de wrake zijner gerechtigheid voor een tijdlang inhoudt, en hierdoor ruimte schept opdat de genade kunne intreden. Zonder deze lankmoedigheid Gods zou noch de zaligmakende noch de gemeene genade denkbaar zijn. Het is altoos die lankmoedigheid die voor alle reddende genade den onmisbaren achtergrond vormt. Zoo verschuift wat anders terstond in het Paradijs zou gevolgd zijn, ecuwen ver, naar den jongsten dag, en tusschen dat Paradijs en den jongsten dag in komt nu plaats voor een lang gerekte historie der menschheid, en het is over die menschheid in haar lange historie, dat de reddende genade zich uitbreidt. Hier schuilt alzoo een machtige, heel het leven der menschheid beheerschende daad Gods, waarop terdege de aandacht behoort gevestigd te worden. Ons menschelijk geslacht was, krachtens scheppingsordinantie, bestemd, om als een organisme in al zijn vertakkingen allengs uit te komen. Toen nu de zonde intrad en als snelwerkend gif de kiem van heel dit organisme met den dood bedreigde, heeft dat gif toch niet 3e dooding van heel dit organisme ten gevolge gehad, maar is de werking van dit gif des doods op wonderbare wijze gestuit.

Op zichzelf zal niemand, ziende op de almachtigheid Gods, de mogelijkheid betwisten, dat Adam en Eva onverwijld in den eeuwigen dood waren gegaan, en dat diezelfde God, die het eerste menschenpaar schiep, in hun plaats een tweede menschenpaar geschapen had. Of ook, ziet men uitsluitend op de uitverkorenen, en beschouwt men die uitverkorenen als niets dan saamvergaderde eenlingen, dan ware het op zichzelf zeer wel denkbaar, dat God al zijn uitverkorenen op de manier van Adam in het leven had doen treden, door onmiddellijke schepping. Ja, we gaan veel verder, en aarzelen niet te zeggen: Indien niet een allesbcheerschend belang op het spel had gestaan, zou het werpen van Adam en Eva in den eeuwigen dood, en een daarna nieuw, en op zichzelf scheppen van de uitverkorenen, alles voor zich gehad hebben. Denk slechts in, wat gruwelen der zonde daardoor zouden zijn afgesneden, wat menschelijk lijden daardoor voorkomen zou zijn, en bovenal hoe op zulk een wijs de rampzaligen, die nu in den eeuwigen dood gaan, nooit tot aanzijn zouden zijn gekomen. Dat nu God de Heere desniettemin dien weg van het nieuw-scheppen niet koos, maar het door zonde vergiftigde organisme van ons menschelijk geslacht in stand hield, déarin de wonderen zijner genade wrocht, en dadraan zijn uitverkorenen liet uitkomen, als de keurbloemen zijner mogendheid, toont uiteraard, dat aan deze instandhouding van het, hoewel vergiftigde, menschelijk geslacht een hoogheilig belang hing, waarvoor elke andere overweging moest wijken. Dit allesbeheerschend belang kon natuurlijk alleen in God liggen, want voor den mensch als mensch zou het op zichzelf veel heerlijker geweest zijn, indien de rampzaligen nooit tot aanzijn waren gekomen. De bewegende oorzaak kon dus alleen daarin gelegen zijn, dat zulk een nieuw-schepping een mislukking van de eerste schepping, een verijdeling van Gods bestel en werk door het bestel en werk van Satan zou geweest zijn; en dat deswege de eere, de majesteit en de hoogheid onzes Gods vorderden, dat aan Satan deze triomf over den Heere onzen God betwist werd, en dat het einde der dingen kon aantoonen, hoe juist Satans toeleg op enkel ijdelheid uitliep, en Gods bestel ten slotte schitterde in zegepralenden wijsheidsglans.

Wie dit nu eenmaal verstaan heeft, voelt iets van heilige verontwaardiging in zich trillen, als hij dit machtig onderscheid tusschen ««> ««/-schepping en ^? ^-schepping als van ondergeschikt belang hoort voorstellen. Niet natuurlijk alsof wij aan de Anabaptisten die dit vanouds, en aan allerlei latere groepen die dit op hun voetspoor dreven, de booze bedoeling zouden toedichten, alsof zij opzettelijk en met voorbedachten rade God zijn eere wilden rooven. Maar het doet toch pijn, als men ontwaart, hoe weinig men zich in zulke kringen om de eere Gods pleegt te bekreunen. Let er toch wel op, dat wie, gelijk de Dooperschen, de ^^-f-schepping verwerpt, en voor w«V«zf-schepping Idest, Gode een gansch smadelijke ongerijmdheid toedicht. Ware toch «? > «w-schepping gekozen, dan natuurlijk had het uitstellen van het oordeel geen zin, miste het laten voortbestaan van ons door zonde vergiftigd geslacht elk doel, en zou de kring der uitverkorenendoor nieuwe scheppingen kunnen ontstaan zijn, zonder dat de schrikkelijke menigte, die ten eeuwigen verderve gaat, er bij kwam. Dat deze rampzaligen nu toch geboren werden en worden, blijft dan volkomen ongemotiveerd, en wordt een feit van stuitende wilkeur. —Is niet schepping van iets nieuws, maar her-schepping van het eerst geschapene de door God gekozen regel, dan verstaat ge, waarom ons geslacht, hoezeer ook door zonde vergiftigd, bleef bestaan, en zich in zijn geslachten, gezinnen en mülioenen van personen ontwikkelde, en ge begrijpt hoe er de eere Gods aan hing, dat ten slotte uitkwam, hoe zijn heerlijk scheppingswerk niet mislukt was, rnaav de verheerlijking van zijn naam diende. Dan is er een grond, waarop heel de ontwikkeling dezer ontzettende historie rust. Hoewel het bange mysterie der rampzaligen niet verstaande, beseft ge dan toch hoe ten slotte de eere Gods hooger staat dan het heil van het schepsel. En al blijft het u ondoorgrondelijk, ge ontvingt dan toch den indruk van het redelijke, zoodat ge niet maar zwijgt en bukt, maar neer kunt knielen in aanbidding voor den onnaspeurlijken rijkdom der wijsheid en der kennisse Gods. Maar verlaat ge ook maar één oogcnblik het alles beheerschende denkbeeld van herschepping, en glijdt ge in het valsche denkbeeld van nieuwschepping over, dan valt elk redelijk motief voor dit alles weg, verkrijgt alles om strijd een ongerijmd karakter, ontvangt ge den indruk van enkel willekeur, en gaat elke beweging tot aanbidding in dof en redeloos verstommen over.

Op het feit, dat, toen de zonde was ingetreden, niet aanstonds het volsterven van den dood en daarna nieuwe schepping van Gods uitverkorenen, maar integendeel verschuiving van het oordeel, en opschuiving van den eeuwigen dood gevolgd is, kan daarom niet genoeg nadruk worden gelegd. Hieruit toch blijkt op overtuigende wijze, dat het den Heere onzen God er om te doen was, om ons menschelijk geslacht, nadat het door zonde vergiftigd was, juist zóó te laten voortbestaan en zich te laten ontwikkelen, als dit het geval zou geweest zijn buiten zonde, en om nu, ten aanschouwe van heel het heelal te toonen, hoe zijn wondere genade machtig was, om tegelijk, tegen Satans woelen in, zijn Goddelijk bestel door te zetten, en desniettemin ongekrenlrt en onverzwakt zijn heilig recht te handhaven. Voor dit doel nu was het allereerst noodig, dat de eindbeslissing verschoven en opgeschort werd, en ten tweede, dat de doodelijke werking van het gif der zonde, in de snelheid van haar proces, werd gestuit. Eerst waar aan deze beide voorwaarden voldaan was, kon er een terrein ontstaan, waarop de zaligmakende genade ter redding en heiliging van Gods uitverkorenen haar volle werking kon doen.

Hiermede 'stemmen de feiten dan ook volkomen overeen. Hadden wij in onze dwaasheid Adam en Eva, na hun val, ter hulpe moeten komen, wij zouden hun ongetwijfeld zeer breed den weg des heils hebben uitgemeten, en slechts zeer bijkomstig gesproken hebben over hun gewone, aardsche leven. Maar zoo doet God niet. Tot Adam en Eva zelven spreekt Hij van het heil in Christus zelfs geen woord. Wat Hij van den slangvertredcr zegt, die in Christus komen zou, zegt Hij niet tot Adam, niet tot Eva, maar tot de slang. Een opmerkelijk iets, waarin klaarlij k uitkomt, hoe de Heere niet onze redding, ma; ir de handhaving van zijn Goddelijke eere tegenover Satan als hoofddoel vati h"et Vtfrlossingsweils op den vaorgrond stelt. Zelfs de aankondiging dat Eva (van Adam zwijgt de Heere), dat Eva wedergeboren zal worden, doordien God vijandschap zal zetten tusschen deze vrouw, persoonlijk, en tusschen Satan, richt zich niet tot haar zelve, maar tot de slang.; —Eerst daarna wendt de Heere zich tot Ada.m en Eva, en dat niet om hun den weg des heils te ontsluiten, maar uitsluitend om tot hen over hun aardsch bestaan te spreken, en te doen uitkomen hoe in dit aardsche bestaan zijn oordeel over de zonde zal doorwerken, en toch te gelijket tijd genade dat aardsche leven redden zal en draaglijk maken. Stond er niet bij, wat de Heere tot de slang sprak, dan zou de particuliere reddende genade ganschelijk niet vermeld zijn. In wat God tot Adam en Eva zegt, spreekt niets dan het voorloopig oordeel van de gemeene genade, en zelfs in wat de Heere tot de slang zegt, ligt de particuliere genade slechts in tweewoorden, in het i zetten van de vijandschap" en in het «vermorzelen van den kop", terwijl ook het overige wat tot de slang gesproken wordt, veeleer met de gemeene genade in verband staat. Het is dan ook onbegrijpelijk, hoe men de ontzettende historie van Genesis 3 zoo telkens en telkens behandelen kon, zonder op deze gemeene genade, die er bijna uitsluitend in aan het woord is, zijn aandacht te vestigen, om schier alleen te rekenen met wat God tot de slang zeide, en voorts met Adams en Eva's straf.

Die stuiting van de zonde en van haar gevolgen nu die het eigenlijke wezen der gemeene genade uitmaakt, komt reeds terstond uit, in wat we van Adam en Eva na hun val lezen. We lezen toch, dat ze zich in zelfbeschaming voor elkander naar het lichaam, en voor God met heel hun wezen, zochten te verbergen. Is dit nu hetgeen geschied zou zijn, bijaldien de zonde op eenmaal met volle kracht tot den einde toe in hen had doorgewerkt ? '^f om het anders te vragen, stelt ge u voor, dat Satan na zijn val, zich op gelijke manier in zelfbeschaming zocht te verschuilen? Immers neen. Een Satan schaamt zich niet over zijn vermetclen opstand tegen God, maar roemt er in, en steekt den trotschen kop. God tartend, voor den Driemaal Heilige omhoog. Of leert niet zelfs de ervaring onder zondige menschen ons, dat de roekelooze zondaren, wier consciëntie is toegeschroeid, en wier hart verstokt is, wel verre van zich over hun zonde te schamen, in arren, euvelen moede pochen op hun zondig durven, en in het kwaad een welgevallen hebben? En toch zelfs bij zulke goddelooze personen is de zonde nog altoos niet tot aan de voleinding doorgegaan. Nog zijn ze niet vervallen aan den eeuwigen dood. Zelfs uit zulke kringen zijn er nog ten eeuwigen leven gekomen. Neemt ge dus voor een oogenblik aan, dat in Adam en Eva de zonde op eenmaal, als een snelwerkend gif, ten einde toe ware doorgegaan, dan wordt hun berouw, hun zelfbeschaming, hun schuilen voor elkander en voor God volkomen onverklaarbaar. Staat het nu niettemin vast, dat de zonde aan zich zelve overgelaten, en vrij doorwerkende, zulk een snelwerkend doodelijk gil is, zoo zelfs dat niemand twijfelt, of de geesielijke dood trad aanstonds bij Adam en Eva in, dan volgt hieruit, dat die zelfbeschaming en dit blozen voor elkander en voor God, alleen verklaarbaar is, zoo er terstond stuitende genade tusschenbeide intrad. Die stuitende genade trad alzoo onmiddellijk na den val in, en wat onze kerken Iceren van de »vonkskens" of »kleine overblijfselkens" van het beeld Gods in den zondaar, is niets anders dan de belijdenis van deze zondestuitende genade, die niet enkel bij de uitverkorenen, maar voor alle personen, d. i. bij ons menschelijk geslacht, als zoodanig, intrad onmiddellijk na den val. Wel sneed dit den geestelijken dood niet af. We worden allen »geestelijk dood in zonde en misdaden" geboren. Maar op den dood volgt de ontbinding van het lijk. En het is die geestelijke ontbinding van het lijk, die gestuit kon worden, en die gestuit is, niet geheel, maar ten deele. Niet geheel, opdat de vreeselijke werking der zonde aan een ieder duidelijk zou worden, maar ten deele, opdat ook zoo de rijkdom van Gods schepping en van zijn herscheppende genade in ons zondig geslacht zou verheerlijkt worden.

Als men dus vraagt, waar in Gen. 3 de stuiting der zondekracht in den mensch ligt, dan moet ge allereerst verwijzen naar het feit, dat Adam, wel verre van zich na zijn zonde, in overmoedigen zondetrots tegenover God te stellen, integendeel beefde van schrik voor God in de ziel, en in zielsangst voor Hem wegvlood. Alsook dat Adam en Eva, wel verre van, na hun val, zich in hun naaktheid te verlustigen, gelijk nu nog zoovele zondaren en zondaressen doen, integendeel door een pijnlijk schaamtegevoel werden aangegrepeöv ea ^ch mét het blad van den ingerd een bedeksel maakten van wat ze evoelden dat hun tot schande was geworen. Men versta ons wel, we zeggen niet, at hierin een berouw naar God sprak, droefheid naar den Eeuwige of ook zaligmakende onrust der consciëntie. Daarvan blijkt niets. Veeleer doet hun berouw aan het berouw van een Ezau denken. Maar vergeet niet, zelfs in het berouw van een Ezau, ja, van een Judas, s^xc€& tA^ gemeene enade. Satan heeft nooit berouw en kan geen berouw hebben. Ware óf Ezau óf Judas reeds geheel als een duivel geweest, ze zouden tegen God gelachen en zich op hun gruweldaad verhoovaardigd hebben. Ook al geven we dus zonder voorbehoud toe, dat al zulk berouw ter zaligheid niets kan uitwerken, we houden niettemin staande, dat berouw ©p zich zelf nooit uit de zonde opkomt, maar een reactie stegen de zonde is, en deswege alleen kan en mag verklaard worden uit de gemeene gratie.

Bijna, hoezeer ook niet geheel, hetzelfde geldt van de poging, die zoo Adam als Eva doet, om zich te verontschuldigen. Als Adam tot God zegt: »De vrouwe die Gij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten"; en als Eva in gelijken geest antwoordt: »Die slang heeft mij bedrogen en ik heb gegeten", spreekt in beider antwoord iets, dat zich buiten ge­ g meene genade, d. i. buiten stuiting der zonde, 7iiet verklaren laat. Satan zou zich nooit verontschuldigd, maar zich driestweg op zijn kwaad verhoovaardigd hebben. Satan siddert wel met al zijn duivelen voor de mogendheid des Heereh, maar met de siddering der strijdvaardigen, die gereed staan, , het tegen de mogendheid des Heeren op te nemen. Doch van dit duivelsch karakter der voleinde boosheid merkt ge hier niets. Uit elk woord blijkt, dat ze om wat liefs wilden, dat ze niet van den boom gegeten hadden. We zeggen niet, dat het echt berouw over de zonde als zoodanig was, maar wel blijkt dat ontzag voor Gods majesteit, wiens toorn ze duchten, hen van angst ineen deed krimpen. Ook zeggen ze geen onwaar woord. Het was zoo, de slang had Eva bedrogen, en zij had gegeten; en ook God had Eva aan Adam gegeven tot een hulpe, en in plaats van Adam tot een . hulpe te zijn, had ze hem verleid, en zoo had ook hij gegeten. Er spreekt geen liefde in wat Adam zegt. Hij spaart zijn vrouw niet, al moet hij zelf ondergaan, maar hij klaagt Eva aan, opdat hij ontkome. Ja, hij gaat nog verder, en poogt Gods recht tot toorn te ontwapenen, door er bij te zeggen: de vrouw die Gij mij gegeven hebt. In zijn doodsangst spaart hij zelfe Gods bestel niet. Iets van Jobs overmoed spreekt in zijn vermetel pleidooi. Maar al is dit zoo, toch spreekt in beider antwoord ook een pogen, om zich van de zonde los te maken, en hun oorspronkelijke gerechtigheid terug te grijpen. Ze beroemen zich niet op hun euveldaad, maar doen uitkomen, dat de diepste oorzaak van hun zonde niet uit henzelven is opgekomen, maar van buiten af als een druppel gif in him ziel gedruppeld is.

Het is datzelfde wat we bij onze kinderen aarnemen, en waar onverstandige ouders ich zoo vaak ten onrechte boos over maken, en enkele onderwijzers evenzeer. Een kind heeft iets verkeerds gedaan. En nu zouden velen willen, dat het kind terstond er voor uitkwam, en zonder er iets ter verontschuldiging bij te voegen, vlotweg schuld beleed en al de schuld op zich nam. Maar zoo zijn onze kinderen niet. Ze zijn als Adam, althans de beteren onder onze kinderen, en ze pogen eerst, als Adam, het kwaad te verbergen, in de hoop dat het niet zal uitkomen; komt het toch uit, dan bekennen ze het wel, maar schoorvoetend. En als ze het bekennen, pogen ze altoos iets ter verontschuldiging er bij te voegen. Dit laatste nu kunnen veel ouders en onderwijzers niet zetten, worden daar soms boos over, en noemen dat praatjes, die niet te pas komen. En toch dit is geheel misgezien. Neen, in die poging om zich te verontschuldigen, spreekt evenals bij Adam en Eva, het onbewuste besef, dat die zonde die ze deden, toch eigenlijk niet geheel uit henzelven is opgekomen, dat daarbij een onverklaarbare macht op hen inwerkte, en dat zij in het diepst hunner ziel toch eigenlijk zelf met dit kwaad geen vrede hebben. Wie dat nu goed begrijpt, ziet daarin iets heerlijks, en als hij op een jongen stuit, die omgekeerd zegt: »Ik geef er wat om, nu ja ik heb 't gedaan, en wat zou dat", dan erkent de zielkundige Christen, dat deze laatste jongen veel verder heen is. Moeilijk wordt het natuurlijk, als zich in die verontschuldiging een leugen mengt, en bet kind begint met te ontkennen dat hij het gedaaii heeft, hoewel hij weet, dat hij het wel terdege deed. Maar hoe pijnlijk en gevaarlijk ook die poging tot ontkennen zij, toch zullen we er ons wel voor wachten, om in koor meê te zingen met hen, die hoog de »oprechtheid" verheffen dier schaamteloozen, die brutaalweg voor hun kwaad uitkomen, en u dan nog »astrant", zoo als de wereld zegt, er bij in de oogen zien. Er liggen hier zoo diepe ziclsmysteriën, die de opvoedkunde nog yeel te weinig doorgedacht en ontleed heeft. Maar wat hiervan ook te zeggen zij, dit staat vast, dat uit het feit zelf, dat Adam en Eva zich verontschuldigden, duidelijk blijkt, hoe de zonde niet finaal in hen doorwerkte, maar in hun zielsbesef gestuit werd. Zonder gemeene genade, als het laatste ivonkske" in de ziel is uitgebluscht, en het laatste »overblijfselke" van het beeld Gods is weggevallen, en de verstokking en verharding tot den einde toe is doorgegaan, dan houdt alle verontschuldiging op en blijft er niets over dan zelfverhoovaardiging op het bedreven kwaad, dat dan g& Qïi kwaad ra.& zr heet, maar als goed geloofd wordt. Dat hiervan nu bij Adam en Eva nog geen spoor te ontdekken valt, en dat veeleer elke trek ia hun houding het tegendeel verraadt, is alzoo het voldingend bewijs, dat de stuiting van de zonde reeds in hen voldongen was, en dat ze toen reeds spraken uit de gemeene genade.

Dit is dan ook geheel in overeenstemming met het feit, dat God de Heere, toen Adam gevallen was, den verloren zondaar zocht. Ware de zonde terstond in Adam en Eva voleind geweest, en niet gestuit, dan ware dit zoeken ondenkbaar geweest. God zoekt Satan nooit, maar stoot altoos Satan af en stelt hem ten wederpartijder. Het zoeken der genadige liefde is alleen bestaanbaar ten opzichte van het schepsel, dat, hoezeer ook geestelijk dood en in zijn natuur verdorven, desniettemin toch nog een aansluitingspunt bezit voor Goddelijke inwerking. Het feit zelf, dat de Heere Adam niet verstoot, maar zich naar hem toekeert, hem roept, en hem zoekt, bewijst derhalve, dat de zonde toen reeds door genade in hem ^«^««VW^ZJ, en dat eerst op die verborgene genade thans de openbaring der genade door het woord des Heeren volgde.

Afgewezen moet deswege elke .voorstelling, alsof de zonde wel doodelijk was, maarniet zóó doodelijk, of er bleef altoos nog een vleugje des levens in den zondaar over. Neen, de zonde op zich zelve, als ze niet gestuit wordt, is terstond jinaal doodelijk, een gif, dat niets ontziet noch spaart. Maar dit is de zaak, dat genade, gemeene genade tusschenbeide trad, en dat door deze gemeene genade Gods de zonde verhinderd werd, aanstonds haar giftige, doodelijke werking te voleinden.

') Vobiarvan (naar de aii, iiogie vaa volst^.an, volharden, volkomen, volwasseïi}, drukt het best den Zin vïfn" het Kt'tee'étfwsclï tó.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene gratie

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken