Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

't NEUSHOORNBEEST.

IV. (Slot.)

Beter liep het, zelfs twee malen, at met een Zweedschen natuuronderzoeker, die vijftig jaren lang in Afrika woonde en daar reisde.

»Eens, " zoo verhaalt hij, > zat ik een havik achterna. Eensklaps bemerkte ik een madenbijter, die in het hooge gras ergens op zat. Ik begreep dat daar een rhinoceros moest liggen, en gaf mijn dienaar zwijgend een teeken mij een zwaar geweer te brengen, terwijl ik zeer voorzichtig en zonder gedruis te maken achteruit trad.

Toen ik eenmaal het geweer had, ging ik heel behoedzaam weer vooruit. De vogel zat er nog, en ik wist, dat, zoolang hij mij niet bemerkte, ook de rhinoceros, op wien hij blijkbaar zat, niet zou bespeuren dat ik naderde. Ik verschool my nu achter een klein kreupelbosch ea kon vandaar_^het monsterdier^duidelijk_^zien. Het lag een weinig op zijde op de pooten, en bijna geheel onbewegelijk. Alleen aan een licht trekken met de ooren bespeurde men dat het beest leefde. Ik mikte, schoot en eenige oogenblikken later was de rhinoceros dood, zonder uit den slaap zelfs ontwaakt te zijn, "

»0p een anderen keer zag ik niet ver van mij een zeer grooten rhinoceros. Ik schoot dadelijk en had het geluk hem zóó te treffen, dat de ruggegraat _ brak. Hij kon dus niet lang meer leven en viel ook aanstonds om. Ik trad naderbij. Zijn doodstrijd was vreeselijk om te aanschouwen. Het zweet liep als water en bloedkleurig in groote, brandend heete droppels van de huid. 't Was niet om aan te zien; ik schoot twee kogels at en doodde hem, "

Zooals ik reeds zei, kan de rhinoceros zeer goed en smakelijk eten, wel te verstaan als zijn maaltijd maar niet bij den slachter wordt besteld. Dat hij met vleesch niet goed terecht kan, blijkt reeds daaruit, dat hij geen hoektanden heeft. Nu, met zijn 14 kiezen — en ze zijn er naar! — in de onder-en bovenkaak, richt hij al heel wat uit, te meer daar de onderste kiezen dubbel zijn. Verder heeft hij 4 voortanden boven en onder. De Indische rhinoceros heeft ook nog aan de bovenlip een soort van haak, die wel wat op een snuit lijkt en waarmee hij heel handig kleine dingen weet aan te pakken en op te tillen.

Hoewel er minstens vijf soorten van neushoorns zijn, krijgt men ze toch weinig te zien. Niet omdat ze zoo klein zijn, want het pasgeboren kind is al langer dan een meter. Maar ze schuilen in hun vrij land graag weg in bosschen en moerassen, en zijn daarbij heel schuw. Hen te vangen en naar Europa te brengen is ook niet makkelijk, 't Best gaat dit nog met jonge dieren. De rhinoceros die vóór jaren uit Bengalen naar Londen werd gebracht, kostte aan vervoer 1000 Louis d'or. Deze vriend was pas 2 jaar oud en gebruikte toch eiken dag 7 pond rijst, 3 pond suiker en nog een flinke vracht graan en hooi. Met ettelijke emmers water spoelde hij alles door. Ge merkt dus dat er nog een heele kruideniersrekening aan voedingskosten bijkwam,

In Londen heb ik eens een rhinoceros gezien, die echter, naar ik meen, aan de longtering is gestorven, die hij in de zware Londensche mist had opgedaan. Ook te Amsterdam was er vroeger een, doch die staat nu ook al lang opgezet in 't museum van den dierentuin.

Waarom, vraagt men, zou de Heere toch zulke dieren geschapen hebben, die, zoover wij weten, geen nut doen, veel eten en vernielen, en die door de menschen zooveel mogelijk worden gedood en uitgeroeid ? En zoo zijn er nog vele, denk maar aan de leeuwen en tijgers. Ik wil graag bekennen dat ik het niet weet, en daar er toch zooveel vragers in de Heraut een beurt krijgen, wil ik gaarne hierover bij henbehooren. Daar is intusschen wel 't een en ander op te merken. Een goed bevredigend antwoord heb ik echter nog nooit gehoord.

Dit is zeker: De Heere God heeft met al die dieren ook zijn doel. Hij weet waartoe ze er zijn, en heeft zelfs ook voor hen, gelijk voor de menschen, de plaats hunner woning bepaald. Het is b, v, nieer dan eens beproefd dieren uit de eene luchtstreek in grooten getale naar een andere over te brengen, er landen mee te bevolken waar ze niet waren. Doch dit is soms slecht afgeloopen, zoodat men er thans grooten last van heeft, In Egypte b.v, leeft een dier, dat de Ichneumon heet, of ook wel rat van Pharao, en niet grooter is dan een kat; als deze, vreet hij ook muizen op en woont in de huizen; ander ongedierte versmaadt hij ook niet en is tevens zeer belust op eieren van krokodillen en dergelijken. Nu heeft men indertijd den Ichneumon, die ook elders in Afrika en in Oost-Indië voorkomt, ook naar West-Indië gebracht om daar 't ongedierte uit te roeien. Nu, dit hebben de Ichneumons ook trouw gedaan, maar toen dit werk was afgeloopen, gingen zij voort met eten, en zijn nu tot een ware plaag geworden.

Zooals we gezien hebben, is de neushoorn een der sterkste en grimmigste dieren op den aardbodem, maar is juist zijn groote grimmigheid dikwijls oorzaak dat hij zijn oogmerk mist. Zijn toorn verblindt hem en doet hem 't doel voorbij schieten. Menig mensch is op dit punt niet wijzer dan een rhinoceros.

Maar ook merkten we op, hoe dit groote, sterke beest naar des Heeren bestel beschermd en geholpen wordt door een kleinen, zwakken vogel. Daaruit blijkt dat de groote dikwijls den kleine, de sterke den zwakke noodig heeft, en dat leert ons niet te zeggen: ik ben meer dan anderen; ik kan het alleen wel afen heb geen hulp noodig. De leeuw in de fabel was ook een sterk beest. Doch toen hij in het net van den jager gevangen was, hielp al zijn brullen hem weinig, en mocht hij blij zijn, dat de kleine muis de mazen van het net wou stuk knagen, en hem zoo bevrijdde.

Maar welk een wonderlijk Wcrkmeester is de Heere God, die de dieren des wouds geformeerd heeft, den grooten forschen rhinoceros en den kleinen zwakken buphaga, en den geringe stelde tot een wachter over den groote. Wel zegt de Psalmist: »Hoe groot zijn uwe werken, Heere; Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt!"

AAN VRAGERS.

Op de vraag van twee jonge lezers, waarom voor den naam van een predikant niet »dominee", maar Ds. staat, willen we even antwoorden, mits de vrienden, als ze 't soms nog niet recht vatten, het dan ©ok maar eens aan Ds. of Dominee vragen.

Ds. wil zeggen: Dominus., d. i. heer, een die gezag heeft, die gebiedt. Eigenlijk kan dus ieder met wien 't zoo is, ieder heer, vóór zijn naam »Ds." schrijven. Doch die Latijnsche titel, welken men om achting te bewijzen, iemand gat, is thans nog alleen voor leeraars in gebruik, en men denkt er niet meer bij aan de eigenlijke beteekenis.

Nu heeft in de Latijnsche taal eenzelfstandig naamwoord 6 naamvallen. Daarbij is er een die dient om iemand aan te spreken. Deze (5e) naamval is van Dominus, domine, dat uitgesproken wordt dominee. Als b.v. een Romeinsche jongen een heer goeden dag zei bij 't heengaan, zei hij niet: Vah dominus., maar vale domine (dag mijnheer!) en zoo wordt dan ook nu nog dit woord gebruikt, 't Is ongeveer net zoo, als wij, een brief aan een juffrouw schrijvende, haar aanspreken met > Mejuffrouw." Eigenlijk is 't even dwaas te zeggen seen dominee" als seen Mejuffrouw, " Maar het eerste woord heeft zijn eigenlijke beteekenis lang verloren en dus kan men gerust zeggen; een dominee, (al schrijven we dan ook terecht vóór den naam Ds, (dominus) ie naamval.)—Dat we 't in den 3en en den 4en ook doen — wat weer niet deugt ~ bewijst alweer, dat we het woord anders opvatten dan vroeger. »Dominee" is het woord dat we altijd gebruiken. Ds. is maar een titel, die alleen geschreven wordt.

HOOÖENBIRK,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken