Bekijk het origineel

„Voorzichting als de slangen”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Voorzichting als de slangen”

10 minuten leestijd

Ziet, ik zende u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig geiijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven. Matth. 10:16.

Ook onder de kinderen der menschen zijn er roofvogels en v ogels voor buit. Aan den éénen kant geslepen en gewikste lieden, die al de handgrepen en kunstmiddelen verstaan, " om er een ander te doen inloopen. En van de andere zij schier onnoozele lieden zonder argwaan, die telkens het kind van de rekening worden.

Ook hierin nu schuilt een netelig vraagstuk voor ons Christelijk leven, ten deele zelfs een strik voor Gods kind bij zijn verkeer mv^i. de kinderen der wereld.

Of valt het te loochenen, dat ten deze de lieden der wereld in den regel den kinderen des Koninkrijks te knap en te handig af zijn, en dat de meer vroom gestemden niet zelden hel slachtoffer worden van dezer mannen loosheid ?

Ja, is het overdreven, als we bij meer dan één zelfs de kennelijke gedachte onderstellen, dat op die wijs in de fuik te loopen, een soort van eeretitel is, en dat zekere mate van onnoozelheid als sieraad voor den godvruchtige geldt ?

Merk nu aanstonds op, hoe reeds de Joden als natie tegen deze gedachte als levend protest overstaan.

De joodsche natie is niet maar uit de volkeren als een religieus volk, als het volk der vroomheid uitverkoren, maar het is als zwik opzettelijk en uitsluitend in het leven geroepen, en zulks door Isaiics wondere geboorte, om als uitverkoren natie het volk der openbaring, het volk voor den dienst des Heeren te zijn.

Ware het alzoo Gods ordinantie geweest, dat zekere botheid onze vroomheid zou sieren, dan ware het te verwachten geweest, dat de Joden onder alle volken der oudheid door zekere sancta sitnplicitas^ gelijk men het wel noemt, d.i. door zekere vrome onnoozelheid, gekenmerkt zouden geweest zijn, en zonder nu juist een natie

van botterikken en onnoozele halzen te wezen, toch ten speelbal zouden hebben gediend aan hun schranderder naburen.

Maar zie, deuitkomstleerthet juist omgekeerd.

Want al is thans vaak de natuurlijke schranderheid van den Jood door de eeuwenlange verdrukking en door de ontheiliging van zijn nationaal karakter ontaard in een bijna listige en bedrieglijke goochemheid, toch wijst ook die verbastering nog altoos terug op een oorspronkelijken grondtrek in Israels karakter, die ons de Schrift zelf reeds in Jacob teekent en die op alles meer lijkt dan op de botheid der duiven.

Doch er is meer.

'Jezus zelf heeft tot zijn jongeren, en in zijn jongeren tot heel zijn kerk, het bij eersten oogopslag raadselachtige woord gesproken, dat we vanden éénen kant wel op de duiven moeten lijken, maar dat toch ook de karaktertrek van de slang ons als kinderen des Koninkrijks niet vreemd mag zijn.

»Gijlieden dan weest oprecht gelijk de duiven, maar ook voorzichtig gelijk de slangen."

Voor ons besef altoos een zeggen, dat er kwalijk bij ons in wil, zoo slecht als de slang in de volksopinie staat aangeschreven. Met de duif zou men alles, met de slang niets willen gemeen hebben, en dat Jezus ons ook op de lilang wijst, om haar ons ten voorbeeld te stellen, heeft iets dat ons onwillekeurig stuit.

Nu komt dit door verkeerde opvatting.

Jezus bedoelde natuurlijk niet, en kan niet bedoeld hebben, dat ge de slang in list en sluwheid moet nabootsen, want aan alle listige sluwheid kleeft zonde.

Neen, de zaak ligt geheel anders.

Duif en slang zijn in de dierenwereld de meest iii het oog springende voorbeelden van botheid en schranderheid.

De duif is het onnoozele dier, nog meer dan het lam, en dat diensvolgens, als op geen gevaar bedacht, voor alle roofdieren een gemakkelijke prooi is; terwijl omgekeerd de slang, meer nog dan vos of rat, het dier is, dat schier oogen naar alle kanten schijnt te hebben, en uw scherpsten toeleg verijdelt.

Nu nam Jezus deze dieren niet gelijk ze nu zijn, maar gelijk God ze oorspronkelijk schiep, toen de botheid van de duive nog enkel oprechtheid^ en de listigheid van de slang nog enkel schranderheid was, en in dien zin stelde onze Heiland voor onze gedraging den grondregel op, dat ons hart gesierd moet zijn door de hooge harmonie van deze beide kostelijke eigenschappen..

En dan eerst is de neiging van uw geest in schoon en zuiver evenwicht, zoo ge tegelijk voor de duif niet in oprechtheid en voor de slang niet in schranderen zin onderdoet.

Het zondige schuilt niet in het schrandere, gevatte en bijdehandte, maar uitsluitend in het valsche.

De listigerd bedriegt en doet zich anders voor dan hij het meent, en dat mag niet. Blijf daarom steeds in uw ware gestalte, en wees zoodoende oprecht gelijk de duive.

Maar ook, wees daarom niet als de zot die zijn gcheelen geest uitlaat, noch als de onnoozele sukkel die met zich sollen en spelen laat; maar zie uit uw oogen, en zie toe waar ge uw voet zet, en wees zoodoende beleidvol, schrander en voorzichtig gelijk de slang.

Zoo hebben dan ook onee vaderen het verstaan in den bloeitijd van hun kracht.

In de eeuw onzer nationale glorie waren onze Calvinisten onder alle volken der wereld in kunstvaardigheid, in vlugheid van begrip, en in de kunst om met beleid en gevatheid handelend op te treden, verre hun naburen vooruit.

Van wat men in de volkstaal soms een doetje of een goedbloed noemt, hadden onze vaderen zoo volstrekt niets.

Op alle markten van Europa stonden ze met de beste waar. In verre landen wisten ze met hun vrachtvaart en kolonialen handel het van alle andere natiën af te winnen. Op het stuk der nijverheid waren ze Europa's leermeesters. In kunsten en wetenschappen hielden ze den eersten rang op. Hun koopmanstalent deed voor niemand onder. Onze gezanten waren onder de Ktaatslieden geëerd. En de vorsten uit ons Oranjehuis stonden hoog boven aUe telgen uit andere vorstelijke dynastieën.

Dat ook hierbij zonde meê ondersloop, ontkennen we niet. Voor die schuld boeten we nu nog.

Maar dit is en blijft dan toch het onvervalschte en niet weg te cijferen getuigenis der historie, dat onze Calvinistische vaderen niet als onnoozele duiven op de klep van hun til zaten te suften, maar de handen uit de mouwen staken, wakker van geest bij het doen van zaken waren, en zich door niemand een kool lieten stoven.

Wat de Spreukendichter zegt, > dat de slagen voor den rug der zotten zijn, " wordt ook op dit punt maar al te gedurig door de ervaring bevestigd ').

„Zot" moge een wat harde naam zijn, maar zelfs aan ons taalgebruik is het niet vreemd, om iemand die zich dom en onnoozellijk liet beetnemen, verwijtend te vragen: »Hoe kondt ge ook zoo dwaas, zoo gek, zoo zot zijnr"

En dan bekoopt men dat soms met harde slagen, gelijk men ook nu nog telkens hoort van lieden, die eerst er tamelijk goed inzaten, een niet zoo kwaad zaakje hadden, maar die zich inlieten met een roofspin, die in den hoek vaa__ i^f-. wfïbbp kwam sluipen, en sinds achteruitgingen, en ten slotte arm op straat stonden.

Voeg daarbij nu veler achteraankomen op de markt des levens, omdat ze niet ree, niet fiks, niet flink genoeg optraden; het allengs aftakelen van anderen, omdat ze onnoozellijk bleven turen op het oude, waar anderen door vindingrijkheid en uitgeslapenhcid zich vooruit werkten; vooral niet te vergeten, de geldelijke moeilijkheden waarin niet weinigen zich verwikkelen door onsolide slordigheid en gemis aan , voorzichtigheid; — en ge stemt ijlings toe, dat de slagen die op den rug der onnoozelen neerkomen, hun droeve bekendheid ook onder ons nog bezitten, en dat de prikkel van Jezus' woord, dat we als de slang schrander en vooruitziende zullen zijn, voor Gods kinderen ook in deze eeuw nog allerminst kan worden afgestompt.

Niet enkel voor het toekomende, maar ook

') Het karakter van den ^c/ in de Spreuken is op zich zelf niet juist dat van den onnoozele en het oordeel hier bedoeld strekt stellig verder. Maar in dezen sol is toch ook de trek der domheid, «dat hij zijn gcheelen geest uitlaat" (29:11), dat «hem naar zijn zotheid moet geantwoord worden" (26:4); dat hij «geen lust heeft in verstandigheid" (18:2); dat hij «zijn handen samenvouwt en zijn eigen vleesch eet" (6: o); en dat «zijn lachen is als het knetteren de doornen onder den pot" (Pred. 7 : 6). Gemis - nderheid en beleid is alzoo van zijn beeld voor het tegenwoordige leven brengt de Godzaligheid ons een rijke belofte, en scherp in den Calvinistischen geest onzer vaderen het leven op te vatten, geeft ook voor het leven in deze tegenwoordige wereld een groot gewin met vergenoeging.

Want dat zich altoos den pas laten afsnijden door de lieden der wereld, is een kwaad dat in niets anders wortelt, dan in een valsche scheiding tusschen natuur en genade., alsof we, in de genade ingeleid, de natuurlijke dingen deslevens beneden ons moesten achten, en dies verschoond waren van de moeite en inspanning, om ook als burgers in het maatschappelijk leven onzen God te verheerlijken.

Ongetwijfeld er is in de dingen der wereld een stroom gaande van list en zondige sluwheid, waarin ons scheepke nooit mag afdrijven. Winste die alleen op dien stroom te besommen was, Hioet elk Christen willig derven. Alle practijk van dien aard moet hij om Gods wil schuwen. En alleen wie aan dien onverbiddelijken stelregel getrouw blijft, mag bouwen op de belofte, dat eerlijk het langst duurt, en zal met onze vaderen solide winst oogsten van wat in volmaakt soliden handel als zaad is uitgestrooid.

Een vrijbrief, hoe schuchter ook gedacht, voor hstige of sluwe praktijken, kunt ge aan Jezus' woord dus nimmer noch ook aan het woord van den Spreukendichter ontleenen.

Wat uit het geloof niet is, blijft ook hier zonde, en alle kunstmiddel of proefneming, waarvoor ge niet bidden durft eer ge het waagt, en niet danken zult als het slaagt, is en blijft geoordeeld van den Heere der heirscharen.

Maar het gebod dat ook hier alle oneerlijke praktijk oordeelt, mag in niets en voor niemand uwer een verontschuldiging worden voor gebrek aan inspanning, aan scherp uit uw óogen kijken, aan vlugheid en gevatheid, aan reeheid en schrander beleid in zaken.

Veeleer is daarin te kort te schieten schuld., een niet getrouwelijk verkeeren in uw Goddelijk beroep, een niet op woeker zetten ook van de maatschappelijke talenten die God u zoogoed als aan de lieden der wereld geschonken heeft.

Ook in dit opzicht moet er harmonie in uw leven zijn.

Uw Heiland zelf wint het in snedigheid van antwoord van alle Farizeën, I-Ierodianen, Sadduceën en Schriftgeleerden, die in woorden hem vangen willen, Paulus imponeert de wijzen van Griekenland op den Areopagus. Augustinus was den Pelagiaan en Manichaeër te schrander af. Luther weerstond snedig en kloek alle satellieten van zijn tegenpartij. En Calvijn deed in beleid, in scherpte van blik, en in schranderheid van oordeel voor geen van zijn tijdgenooten onder.

En zoo ook moet al wie zich onderwindt de banier des Kruises op te heffen, nu nóg, ook onder ons, een eere voor zijn God en voor zijn Heiland te midden van de kinderen der wereld zijn.

Niet enkel daardoor dat hij eerlijk voor God en menschen in zijn oprechtheid wandelt, maar stelliglijk ook hierin, dat als hem slagen treffen, het niet de slagen zijn, die alleen thuis hooren op den rug van den onnoozelen zot.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Voorzichting als de slangen”

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken