Bekijk het origineel

Vonkskens.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vonkskens.

6 minuten leestijd

Van den heer G. Milo te Haarlem ontvingen we onderstaand schrijven, dat evenals zijn vorige inzendingen van ernstige opvatting en helder doordenken getuigt.

Het luidt aldus:

Mag ik voor het volgende een plaats in uif blad verzoeken, om langs dien weg wegneming van een bedenking te verkrijgen?

Met genoegen heb ik tot dusver uwe bespreking iVan de gemeene Gratie" gevolgd, waardoor u over het Schriftverhaal van de gebeurtenissen in het Paradijs meer licht hebt verspreid. O. a. door er op te wijzen, dat de zonde een groote verandering in de dierenwereldYittit bewerkt. Jaren geleden heb ik bij een ouden schrijver de verklaring gelezen, dat de belofte in Jesaia XI (ook door u aangehaald) »de wolf zal met het lam verkeeren" enz., zooveel beduidde als dat onder de bedeeling van het Nieuwe Verbond de menschen veel vreedzamer met elkander zouden verkeeren, als vóór Christus' komst. Mij scheen deze verklaring echter overdreven geestelijk. Ook de hoogleeraar Bonnet, in zijn verklaring op Hebreen II:6—9 i) maakt melding van het gevoelen van uitleggers, dat onder «schapen en ossen, ook mede de dieren des velds" 2) enz. menschen van verschillende geaardheid zij n te verstaan, welke uitlegging hij echter als eigendunkelijk afkeurt, en acht, dat hiermede gedoeld wordt op de heerschappij over het geschapene,

die God de Heere na de schepping aan den mensch had geschonken. Evenzoo neigde ik er toe, om de belofte bij Jesaia in eigenlijken zin te verstaan van een herstel van den vrede tusschen menschen en dieren en tusschen de dieren onderling, wijl, zooals door u terecht is opgemerkt, de thans bestaande wanverhouding in den staat der rechtheid niet kan geweest zijn, als strijdig met het getuigenis: sEn God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed" 3).

In uw voorlaatste artikel las ik echter een voorstelling, die mij toescheen, niet overeen te komen met wat door u, op grond der Schrilt en op het voetspoor onzer belijdenis, in vroegere geschriften was uiteengezet over J> het beeld Gods, " waarnaar de mensch geschapen was. U schrijft toch: »Die stuitende genade trad alzoo onmiddellijk na den val in, en wat onze kerken keren van de ivonkskens" of ^kleine overblijfselkens" 4) van het beeld Gods in den zondaar is niets anders dan de belijdenis van deze zoNDEsruiïENDE genade 5), die het eigenlijke wezen der gemeene genade uitmaakt." Gaat deze voorstelling door, dan volgt hieruit, wijl de igemeene genade" met het sterven een einde neemt en ia de hel niet bestaat, dat deze » vonkskens" of «kleine overblijfselkens" van Gods beeld bij de verworpenen geheel zullen verdwenen zijn. Wat met andere woorden zeggen wil, dat het beeld Gods bij de rampzaligen hiernamaals geheel zal vernietigd of wil men, verloren zijn. Nu is door u in vroegere opstellen betoogd, dat de mensch het beeld Gods door de zonde wel verloren heeft, voor zoover dit bestaat in de ïoorspronkelijke gerechtigheid", maar niet verloren heeft, sterker nog, niet verliezen kan^ voor - zoover hiermede gedoeld is op al' die eigenschappen, die tot zijn wezen behooren, wijl hij dan zou ophouden mensch te zijn. Wat door u zoover wordt getrokken, »dat zelfs de diepst verdoemde van allen nog in allei; eeuwen eeuwigheid altoos datzelfde iets in zich zal houden, waaruit blijkt, dat hij eens naar Gods beeld geschapen werd." Ja zelfs, »dat, bijaldien ook elke engel, en dus ook de duivel, oorspronkelijk naar Gods beeld geschapen is (wat de Heilige Schrift ons evenwel niet stellig leert), dat alsdan de duivel zelfs, gelijk hij nu tot Satan geworden is, nog in zijn diepe duivelschheid iets van de trekken van het beeld Gods vertoont, " 6) Voor meer dan 20 jaren is er door u op gewezen, dat de natuurlijke Godskennis bij de rampzaligen hiernamaals niet zwakker^ maar wel sterker zal werken, d< ln in dit leven, en juist daardoor hun rampzaligheid vermeerderen. 7) En die natuurlijke Godskennis behoort immers ook tot het beeld Gods, waarnaar de mensch geschapen is.

Hoe nu die twee met elkander te rijmen zijn; i". dat er door u zoo de nadruk op wordt gelegd, dat de mensch naar Gods beeld geschapen is, 8) en dus dat beeld nooit geheel kan verliezen, en 2". dat de »kleine overblijfselkens" van dit beeld vrucht zijn van sde gemeene gratie", en dus met het ophouden dier gratie ook die skleine overblijfselkens" bij de verworpenen geheel verdwijnen zullen, en dus het beeld Gods in hen volkomen vernietigd zal zijn, beken ik niet te vatten. En het is daarom mijn bescheiden verzoek, dat u in dit blad eenige toelichting aangaande dit, ook volgens u zoo belangrijk punt mocht geven, waardoor deze tegenstrijdigheid wegvalt.

i) In het tweede deel zijner verklaring op dien brief. 2) Psalm VIII:8 en 9. 3) Gen. I:31. Vergelijk Gen. 11:19 en 20. 4) Heraut van 3 Mei 1896. Art. XIV dèr Belijdenisse des geloofs der Gereformeerde Kerken in Nederland. 5) Ik onderschrap. 6} Het werk van den Heiligen Geest II bl. 33, 34, 30. 7) In de reeks: atuurlijke Godskennis, voorkomende in: it het Woord. Serie I, Deel III. stuk III bl. 17. 8) Het werk van den Heiligen Geest II bl. 39.

De opmeridng is op zichzelve volkomen juist.

Indien hetgeen van 's menschen scheppingsgestalte na den val in hem overbleef, uitsluitend bestond in de genadige stuiting van zonde en dood, ook als bron van de burgerlijke gerechtigheid, zöo zou na den dood, als de gemeene genade den zondaar niet meer overschaduwt, alle spoor of trek van het Beeld Gods in hem opgehouden hebben aanwezig te zijn.

Dat dit niei zoo is, verklaart zich hieruit, dat het Beeld Gods bij de schepping zich heeft afgeschaduwd niet alleen ia 's menschen staat, d. i. in zijn oorspronkelijke gerechtigheid, maar ook in zijn wezen als mensch.

Datgene nu wsX 's menschen wezen als zoodanig uitmaakt, is niet door de zonde aangerand, en kan niet door de zoade aangerand worden.

Dat blijft onveranderlijk en onvergankelijk, zoowel onder de gezaligden in den hemel als onder de rampzaligen in de buitenste duisternis.

Maar heel iets anders is de staat des menschen, die door den graad van rechtheid of verdorvenheid van zijn natuur bepaald wordt.

Die was oorspronkelijk gerechtig maar verliesbaar, zal voor de gezaligden onverliesbaar en gerechtig zijn, is nu voor den zondaar ongerechtig in aard, maar gestuit in graad van uitwerking der verdorvenheid, en zal voor de verlorenen eens volstrekt ongerechtig zijn, werkende zonder rem of stuiting.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Vonkskens.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken