Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

6 minuten leestijd

III.

IN HET RAADHUIS.

Neef scheen het hiermee eens en sprak :

»Zeker; nu zegt menigeen dat Rudoli zijn macht als Duitsch koning slechts gebruikt, om eigen macht ten koste des rijks te vergrooten."

»ja", zei de burgemeester, »raaar er is veel dat hem er toe dwingt. Een zwakke koning wordt niet geacht, 't Is een ongeluk voor ons dat de Hohentaufen zijn uitgestorven."

Op dit oogenblik hoorde men voorj het raadhuis een rumoer als ware een menigte volks saamgestroomd. De twee heeren traden aan 't venster. Zij zagen hoe een groote menigte 't raadhuis was genaderd. Voorop reed een grijsaard in prachtig gewaad, evenals zijn twee geleiders.

»Wat moet dat beteekenen!" riep de burgemeester verbaasd.

»0", hernam de ander, )»hebt gij dan nog 't vreemde gerucht niet gehoord, dat gisteravond door de stad liep, dat keizer Frederik niet dood is, maar leeft, en in onze stad zich ophoudt? "

Nog eer de burgemeester kon antwoorden, ging de deur open. Een raadsdieuaar trad binnen, en meldde met een verwonderd gezicht: »Heer, keizer Frederik wenscht u te spreken."

Bijna op 'tzelfde oogenblik reeds trad de aangediende binnen; 't was onze bekende van gisteren. Doch in plaats van de zware wapenrusting, droeg hij nu een met goud gestikt buis van fijn donkerblauw laken en een engsluitende broek van zacht leder. Van de schouders hing een lange, van voren open mantel af, eveneens blauw en met gouden stikwerk, en op de borst bijeengehouden door een kostbaren haak, met diamanten bezet. Het lange zwaard had hij nu voor een korter verwisseld, welks handvat met edelgesteenten prijkte, gelijk de gordel waaraan hij het droeg. Het hoofd was gedekt met een fluweelen muts, welker knop een gouden kroon voorstelde, en die voorop met een fraaien robijn was gesierd.

Blijkbaar maakte de vreemdeling met zijn eerwaardig, voornaam voorkomen diepen indruk op den burgemeester, die van het venster terugtredend den oude te gemoet ging. De grijsaard reikte hem de hand en sprak: God zegene u, mijn waarde Overstok! Vergun mij, dat ik in u heel mijn rouwe rijksstad Keulen begroete."

»Vergeef mij, edele heer, " antwoordde de burgemeester, terwijl hij den ander van 't hoofd tot de voeten onderzoekend aanzag, «mag ik eerst vragen wie gij zijt."

»Ik ben keizer Frederik, de doodgewaande."

«Keizer Frederik, " sprak de burgemeester en deed ontsteld een stap achteruit.

»Ja, keizer Frederik. Ik begrijp uw verbazing, waarde burgemeester. Mij zelf is 't een wonder, dat ik nog leef en mijn geliefd vaderland weer mag begroeten."

»Maar hoe is 't mogelijk.''— doch vergeef mij dat ik in de verrassing vergat u een zetel aan te bieden. Zet u toch neder. Hindert het u dat mijn neef Hilger Von der Steffen, een patriciër dezer stad — Hilger boog diep en de vreemdeling reikt? hem de hand — een zoo gewichtig gesprek bijwoont, of mag hij blijven? "

»Uw neef kan hier blijven. Ik wensch slechts openlijk op te treden en mijn recht voor al 't volk te doen gelden."

»Maar, " sprak de burgemeester, »is dan keizer Frederik al niet meer dan 30 jaar dood?

»Neen, " zei de grijsaard, langzaam en met nadruk, »hij leeft en ik ben het zelf, " terwijl hij daarbij den burgemeester onbeschroomd in 't gezicht zag. »Ik herhaal 't nog eens, en God straffe mij zoo ik lieg, keizer Frederik is niet dood; hij leeft en ik ben het zelf."

Gerhard Overstolz zag den grijsaard scherp aan, maar geen spier van diens aangezicht vertrok, geen trilling van 't oog verried den burgemeester, dat hij een bedrieger voor zich had. Er was een oogenblik stilte; ieder overlei wat te doen stond. Eindelijk sprak.de burgemeester:

»Waarmee bewijst gij, dat gij keizer Frederik zijt. Want zijt gij 't waarlijk, dan is dit het grootste wonder, dat ooit is geschied."

»Ja, het grootste wonder", herhaalde de grijsaard langzaam. »Maar zie mij aan, en zeg of ik in staat ben tot een leugen, waarvan het wel zijn van een groot en edel volk at hangt. De sneeuvr van den ouderdom bedekt mijn hoofd met den eenen voet sta ik in 't graf; elke dag leven is mij een geschenk van God. Zou ik dan zoo liegen? "

»Ik wil u niet grieven door wantrouwen", sprak de burgemeester. »Maar bedenk hoeveel van onze beslissing afhangt. Keulen is een groote, machtige rijksstad. Erkennen we, dat gij de§ lang dood gewaande keizer zijt, en voegen wij u bij ons, dan zal zeker een groot deel des lands volgen. Wat naamlooze verwarring stichten wij, als wij Rudolf, onzen gekozen, edelen vorst afvallen, en u tot gebieder kiezen".

»Gij begrijpt mij niet, " was het antwoord; »ik ben niet weergekeerd om den Duitschen keizerstroon te bestijgen. Dien heb ik reeds op krachtiger leeftijd prijsgegeven, zou ik nu weer naar de doornenkroon jagen? Dat zij verre! Rudolf regeere in vrede! Ik zal het met hem wel eens worden. Ik wil slechts Duitschland nog eenmaal zien, en mijn kindskinderen kussen vóór ik sterf. Helaas, dat ik mijn zonen niet meer kan zien, Konrad, Enzic, Hendrik en Manfred." De stem des grijsaards beefde, tranen rolden over zijne wangen.

De burgemeester keek zijn neef aan als om te vragen: »Wat dunkt u er van ? " De grijsaard ging voort:

»Vergeef mij, waarde burgemeester, en gij, waarde Von der Steffen, dat mij de smart een oogenblik overmande. Maar welk vader is zoo ongelukkig als ik? Doch gij vraagt mij, hoe ik bewijs dat ik keizer Frederik ben. Zie dezen ring aan mijn vinger — en hij wees op een kostbaren zegelring — hij draagt mijn naamcijfer F I(Fredericus Imperator). Doch, zegt gij, die ring is nagemaakt. Maar zie hier de fijne streep er op, die dan ook op alle zegels moet staan, waarmee ik vroeger stukken voorzag. Dit bewijst de echtheid. Ook te Keulen zullen wel zulke stukken zijn."

»Zeker" sprak Overstolz en die streep, herinner ik mij, komt ook op die oorkonden voor uit Frederiks tijd, maar wij moeten het toch onderzoeken. Wij hebben een handvest van Frederik, dat den bisschop van Keulen verbiedt, tegen onze» wil gewapenden binnen stadsgebied te brengen. Neef, laat den stadschrijver dat stuk eens brengen."

Een kwartier lang zaten nu de burgemeester en de grijsaard zwijgend bij elkander. Toen kwam Gotfried Hagen, de schrijver met een rol binnen, die het bedoelde stuk bevatte. De burgemeester wenkte hem te blijven. Het handvest werd uitgespreid, en het zegel, dat in een metalen doosje zat, en aan een sterken zijden draad hing, met den ring van den grijze vergeleken. De afdruk kwam werkelijk op het zegel voor. Voor alle zekerheid beval Overstolz den schrijver een stuk was heet te maken, en toen nu de oude zijn ring daarin afdrukte, was de gelijkenis met de figuur onder het handvest volkomen I

CORRESPONDENTIE.

M. M. te R. We vinden de vragen die u zondt, wel zoo gepast als sommige andere, die we ontvangen, en zullen ze gaarne beantwoorden. Over het andere hopen we spoedig te be­ slissen.

HOOGENBIRK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken