Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de gemeene Gratie.

18 minuten leestijd

XXXV.

Zoo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt. Gen. 3:17*.

Zoo begon de »gemeene gratie" in de siel des menschen, door in 's menschen ziel de »kleine vonkskens" voor uitdooving te bewaren. Ze nam haar tweede steunpunt in het lichaam des menschen door een ondersteuning aan zijn physieke levenskracht te schenken, die den tijdelijkcn dood verschoof. Maar nu moest de gemeene gratie bovendien nog een derde werking teweegbrengen, t. w. in de wereld des.menschen, en het is over dit derde uitgangspunt der gemeene gratie, dat het onderhavig artikel handelen gaat.

De feiten, die ons in verband hiermee worden medegedeeld, zijn: i". dat het aardrijk om des menschen wil vervloekt werd; 2". dat er een wijziging kwam in de gesteldheid van het plantenrijk, zoodat de aarde nu doornen en distelen voortbrengt; 3". dat er een verandering ontstond in de gesteldheid van het dierenrijk; denk slechts aan de slang; en 4". dat het paradijs verdween.

Deze vier feiten in hun samenhang wijzen alzoo op een hoogst belangrijke vervorming van de gedaante dezer wereld. Gelijk ons in de eerste artikelen over de gemeene gratie bleek, is tijdens den Zondvloed een tweede ommekeer in die gesteldheid van onze wereld tot stand gekomen, die op zichzelf reeds maakt dat wij uit den thans bestaanden toestand volstrekt nooit besluiten kunnen tot den toestand, die vóór den Zondvloed bestond. Maar ook uit dien toestand vóór den Zondvloed mag nimmer besloten worden tot den toestand, die door en na de Schepping intrad, want ook in dien eersten toestand was reeds door wat de Heilige Schrift den vloek noemt, een zeer geweldige omwenteling tot stand gekomen. Ge moet dus, wat onze planeet betreft, vier perioden of toestanden wel onderscheiden. Ten eerste den toestand, die ons beschreven wordt in Genesis ï : 2, met deze woorden: > De aarde nu was woest en ledig en duisternisse was op den afgrond en de Geest Gods zweefde op de wateren." In de tweede plaats den toestand, die ontstond door de almachtige daden Gods in de vijf volgende scheppingsdaden, waarvan de uitkomst in het paradijs werd gezien, en waarvan we in Gen. 1:31 lezen: En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie het was zeer goed." In de derde plaats den toestand, die ontstond door wat we in Gen. 3 : 17 lezen, idat fut aardrijk vervloekt werd om des menschen wille." En in de vierde plaats den toestand, die geboren werd toen Tide fonteinen van den grooten af grond geopend werden." Eerst zoo zijt ge toegekomen aan die gesteldheid der aarde, die thans nog in hoofdzaak voortduurt, en die aldus zal blijven voortbestaan, totdat de dag komt, waarop •idexe aarde nogmaals sal bewogen worden" (Hebr. 12 : 26) en ide elementen brandende zullen zijn" {2 Petri 3 : 10).

Deze duidelijke aanwijzing der Heilige Schrift, dat de gesteldheid van deze wereld reeds driemalen veranderd is, en nog eenmaal staat veranderd te worden, strekt in het minst niet, om ons een natuurkundige verklaring van deze veranderingen te geven. Dat blijft aan het wetenschappelijk onderzoek overgelaten, en in het algemeen mag gezegd, dat het onderzoek van onzen aardbol en van het ingewand der aarde, metterdaad toont, dat er meer dan één dergelijke gewelddadige wijziging in de korst der aarde heeft plaats gegrepen. Iets waarbij het hoogst opmerkelijk is, dat door de oudste boeken der Heilige Schrift reeds van zulke gewelddadige omkeeringen gesproken werd in een tijd, toen nog niemand aan zulk natuurkundig onderzoek dacht, en toen men op grond van eigen onderzoek, nog niets hoegenaamd desaangaande wist. Ons is het dan ook genoeg, dat Schrift en natuuronderzoek nu reeds in zooverre tot gelijk resultaat kwamen, dat beide het feit van meer dan één van ziilke omkeeringen vaststellen, al ligt het in den aard der zaak, dat beide op deze zelfde zaak elk hun eigen licht werpen. De natuuronderzoeker toch put al zijn kennis uit de stoffelijke verschijnselen, en poogt die, zooveel hij kan, uit natuurlijke oorzaken toe te lichten; terwijl ©ingekeerd de Schrift, van zulk een natuurkundige verklaring geheel afziende, ons uitsluitend wijst op d< t geestelijke oorzaak, die deze geweldige ommekeeringen teweegbracht, en die ook den laatsten gewelddadigen ommekeer die nog te komen staat, zal veroorzaken. Dien bepaalden ommeke, er die na den val plaats greep, noemt de Schrift; het komen van den vloek, en ze zegt ons, dat deze vloek over de aarde gekomen is om des menschen wil. Dit nu kan de natuurkunde natuurlijk niet beoordeelen, daar weet ze ons niets van te zeggen, zij is voor dien geestelijken achtergrond stekeblind, en moet zich bepalen tot het onderzoek van de lagere, stoffelijke werkingen die plaats grepen. Van het geestelijke weet zij, tenzij ze zich door het Woerd van God onderrichten late, niets. De korst en de schoot der aarde kan haar wel zeggen, wat daarin ontredderd is, maar wat de diepste oorzaak was, die deze ontreddering veroorzaakte, daaromtrent kan de mensch, de natuurkundige, niets weten, tenzij God, van wien deze werking uitging, het ons openbare.

Reeds op zichzelf echter is de gedachte ons volstrekt niet vreemd, maar spreekt ze ons veeleer toe, dat ertu-sschenhet^^-^J^^/y/e^en het stoffelijke zekere samenhang bestaat. De verhouding in ons eigen wezen tusschen onze ziel en ons lichaam toont ons dit. Zonde in de ziel brengt vanzelf een vloek over het Uchaam, ontzet het lichaam, en doet het dalen in stand. Staat het nu. evenzoo vast, dat er rcchtstreeksche samenhang bestaat tusschen den mensch en de wereld, die hij bewoont, dan is het ons in het minst niet vreemd, dat de ommekeer, die in den toestand van den mensch, zoo naar ziel als naar lichaam, tot stand kwam, óók gevolgen moest hebben voor de gesteldheid van dit aardrijk. Zelfs in de gewone historie, waarin wel onderhoudende krachten, maar geen scheppingskrachten meer werken, ontwaart men telkens, hoe de komst van den mensch de gedaante van een landstreek wijzigt. Wie de gesteldheid van onzen eigen landsbodem uit den tijd der Batavieren vergelijkt met de gedaante die ons land thans vertoont, herkent in wat thans gezien wordt ternauwernood hetgeen eertijds bestond. Toch zijn alle veranderingen van dien aard niet dan zeer langzaam en van lieverlede tot stand gekomen, ook al brengt men in rekening de wijziging die het dalen of rijzen van den bodem, in verband met onze zeekusten, onafhankelijk van 's menschen toedoen, veroorzaakt heeft. Hoe aanmerkelijk deze soort veranderingen van de landsgesteldheid in den loop der historie dan ook mogen geweest zijn, ze bieden nochtans niet dan een zeer zwakke analogie, voor de ontzettende omkeeringen, die plaats grepen in wat men noemt het voorhistorisch tijdperk. Ook volgens de natuurkundige uitkomsten hebben er toen krachten gewerkt, die thans veelszins tot rust zijn gekomen, en niet slechts kleine, langzaam voortschrijdende wijzigingen, maar zeer gewelddadige en plotselinge omwentelingen in de korst zelve van deze aarde hebben teweeggebracht.

Voor ons, die niet als natuurkundigen, maar als onderzoekers der Schrift deze - ontzettingen hebben toe te lichten, staat het nu vast, dat deze zeer sterke wijzigingen in de gesteldheid der aarde veroorzaakt zijn door Goddelijke inwerkingen, die als met één ontzettende beroering heel onze wereld hebben aangegrepen, en in haar bestand en toestand gewijzigd hebben. Naar Gods bestel gaat de gesteldheid én van 'smenschen ziel, én van zijn lichaam, én van zijn wereld gelijkelijk op en neer. Naar het ééne is, is het andere. Alles op deze wereld is op den mensch aangelegd, bereikt eerst in den mensch zijn voleinding, en alleen uit den mensch wordt heel het plan der schepping en de gesteldheid van de aarde en het aardrijk verklaard. Naar wat bestel en wet onzes Gods het geestelijke de gesteldheid van het zichtbare bepaalt, blijft ons een mysterie. Dit weten wij niet; en alle gebeuzel hierover is ijdel geklap. Het feit staat vast, maar de verklaring er van is ons onthouden; en we zullen uit dien hoofde tevreden zijn met de wetenschap, dat de rechte of schee ve verhouding waarin de mensch, als de spil der gansche schepping, tot God staat, oorzaak is, dat Gods aangezichte zich inzegening en gunste of wel in toorn en vloek naar deze wereld keert. En dit verschil nu, of de mensch recht staat, en dus Gods gunst zich naar dit aardrijk keert, of wel dat de mensch scheef gaat staan, en daardoor den toorn Gods naar deze aarde trekt, brengt teweeg, dat diezelfde wereld de ééne maal, als van God gezegend, een paradijs is, en de andere maal, onder zijn vloek verdonkerd, de elementen op schadelijke manier in worsteling brengt, en den voortgang van het leven in alle rijken der natuur dempt of verwildert.

Er is hier alzoo geen sprake van een uitwendige, werktuiglijke straf, zooals de straf uitwendig en werktuiglijk is, als men een dief geeselslagen toedient. Ge moogt niet zeggen: . Omdat de mensch in zonde viel, daarom is het schoone en lieflijke uit het paradijs voor hem weggenomen. Neen er bestond verband en san^enhang tusschen val en vloek. Zooals er bij den dronkaard verband en samenhang bestaat tusschen zijn zonde en de vernieling van zijn lichaamskracht, zijn huislijk geluk en zijn maatschappelijke welvaart, zoo ook bestond er verband en samenhang tusschen de zonde ia het paradijs en het verlies van dat paradijs. De aardsche rechter voegt straf bij zonde, en zoo ook moet de vader bij het opvoeden van zijn kind te werk gaan. Als hij bij zijn kind, het niet-willen werken met onthouding van eten straft, wordt die straf hem uitwendig toegevoegd. Maar bij den Rechter van hemel en aarde komt hier de straf uit de zonde zelve voort. De zonde zelve brengt haar strafin haar gevolg mede. Zonde en straf worden niet werktuiglijk of mechanisch aan elkander gesmeed, maar staan met elkander in organisch verband. En dit is het wat de Schrift uitdrukt, vooreerst door de bijvoeging, dat de vloek over de aarde komt om des menschen wille, en ten andere door het verdwijnen van het paradijs rechtstreeks met den zondigen toestand van Adam en Eva in verband te zetten.

Wil men nu op dit punt de gemeene gratie verstaan, dan moet in het oog gehouden, dat ook hier de genade in het kwaad zelf door stuiting van zijn vernielende werking uitkwam. Op die wijs werkte, gelijk we zagen, de gemeene gratie in 's menschen eestelijke natuurH\c natuur werd verdorven, maar genade stuitte die verdervende werking op het punt waar zé zich voleind zou hebben, en zoo bleef er iets van het oorspronkelijke over in de vonkskens. Ook naar 'smenschen lichamelijke natuur werkte de dood, maar ook die dood werd in zijn werking gestuit, en zoo werd zekere welstand des lichaams behouden, kruid wies tegen krankheid, en de tijdelijke dood werd verschoven. En evenzoo greep het au plaats ten opzichte van 'j menschen wereld, of wil men in de natuur om hem. De toorn werkte, de vloek kwam, maar de werking ervan ging niet door tot de voleinding. Ook hier had stuiting plaats, en in die stuiting lag ook hier de gemeene gratie. Had die stuiting niet plaats gegrepen, dan zou de vernieling aanstonds doorgegaan zijn tot het »woest en ledig", dat deze aarde kenmerkte, eer schepping uit deze aarde een aardrijk formeerde. Dood is ontbinding, en indien alle kracht en macht tot ontbinding ware overgegaan, zou er ten slotte niets dan het «woest en ledig" zijn overgebleven. Doch dit was niet alzoo. De doodelijke werking ging uit, maar op zeker punt werd ze tegengehouden door genade. Dit nu spreekt de Schrift uit door de eenvoudige tegenstelling, dat de aarde ons wel distelen en doornen zou voortbrengen, maar dat ze desniettemin het brood nog voor den mensch zou uitgeven. Welnu, die distelen en doornen toonen u den vloek, dat brood spelt u de gemeene gratie. En heeft van alle tijden her de roos den mensch op geheimzinnige wijze toegesproken, waarom anders was dit, dan wijl de rozestengel met de scherpe doornen aan den stengel, maar met den ontloken knop die geurt en het oog bekoort, ons als een bloem uit het paradijs toespreekt, die thans wel door de doornen kwetsend werd, maar in de roos zelve ons het symbool biedt der gemeene gratie.

Ge staat dan ook verkeerd, zoo ge u beklaagt over de doornen, en u niet veeleer verwondert over de bekoring, die u in de geuren en kleuren van den rozeknop gelaten is. Wie de diepte der zonde bij het licht van Gods Woord peilen leerde, beseft en weet, dat als het naar verdienste ware gegaan heel de wereld om hem heen woest en ledig moest zijn, en geen graankorrel aan den halm moest rijpen om zijn honger te stillen, ja, geen bron of stroom hem water moest bieden tot lessching van zijn dorst. Ontzaglijke woestenijen liggen dan ook in alle windstreken over de aaide uitgespreid, als om ons toe te roepen, hoe de wereld voor ons zijn zou, als er geen gemeene gratie tusschenbeide ware getreden; en in de teekening die de Schrift ons van de wereld der rampzaligen geeft, is metterdaad tot het water toe weggenomen, en is al het roepen van den rijken man in de plaats der pijniging, of iemand het uiterste van zijn vinger in het water mocht doopen, om zijn brandende lippen te verkoelen. Tot het water toe is daarom genade, een wondere gifte onzes Gods, ons gelaten door de gemeene gratie. En wie zich te binnen brengt, wat weelde dat aardrijk thans nog voor oog en mond en oor en gevoel in lente, zomer en herfst bieden kan, hoe zou die niet in dankbare aanbidding nederknielen, voor een God, zoo ontfermend en genadig, dat Hij ons dat alles nog, niettegenstaande wij den vloek over ons haal-den, liet. Als in den winter dat alles wijkt, en de lijkwade over de aarde wordt gespreid, en zelfs het water tot ijs vastvriest, ligt in dit wintertafereel ook voor ons een gedurige herinnering van Godswege, aan wat ons leven zonder gemeene gratie zijn zou; en wat in de lente zoo verrukt, is juist, dat ze ons de weelde dier gemeene gratie weer nieuw doet indrinken. En nu overlegt, wie geen kennis van zonde heeft, wel bij zich zelven, dat de mensch niet zoo diep gevallen kan zijn, wijl hij nog zulk een rijke wereld om zich heen bezit; maar wie van God geleerd is, geleerd ook in het stuk der zonde, werpt zoo ijdele verheffing van zich, bekent dat de dorre woestijn zijn wereld had moeten zijn, en verheft in lof de gemeene genade zijns Gods, die nog altoos zijn zon doet opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, de leliën voor ons met pracht bekleedt, en de vogelen in het woud voedt, opdat ze voor Hem ja, maar ook opdat ze voor ons, zondaren, zingen zouden.

Zoo voelt ge den vloek en de gemeene gratie in de aarde zelve, in het plantenrijk, en in het dierenrijk. In de gesteldheid der aarde zelve zoo ge woestijn en oase, zoo ge wildernis en vruchtbaar land vergelijkt, en zoo ge den winter stelt tegenover de lente. Ge ziet dezelfde tegenstelling voor oogen in het plantenrijk, waarin ge eenerzijds den vloek ontwaart in doornen en distelen, in wilde woekerplanten en schimmelplanten, in giftige en schadelijke gewassen; maar anderzijds ook de gemeene gratie in het brood dat u voedt, ia de edele vrucht die u verkwikt, in dé bloem die u tegengeurt, en in het kruid dat u geneest. En zoo ook in het dierenrijk stuit ge van den eenen kant op den vloek, die u tegenkomt uit het nu wild en verscheurend gedierte, uit allerlei giftige insecten, en uit die alleen microscopisch waar te nemen dierkens, die als microben in uw lichaam dringen; maar ook anderzijds de gemeene gratie die u tegenkomt in allerlei nuttig dier dat u dient en helpt, u voedt met zijn vleesch en zijn melk, zijn eieren u afstaat, u als hulsdier de gezelligheid des levens verhoogt, of met een van God ontvangen zang voor u kwinkeleert.

Diezelfde tweeërlei werking nu valt overal in de natuur om ons heen te bespeuren. Storm en orkaan zijn machten, die verwoesting aanbrengen en het leven bedreigen, maar in milder vorm is de wind de kracht, die ons ten dienste slaat en den dampkring zuivert. De zon zengt en koestert te gelijk. De vorst doet het leven verstijven, maar doodt een heir van ongedierte en hardt den akker. De donder verschrikt en doet den bliksem inslaan, maar verfrischt de te zwoel geworden lucht. En zoo is het feitelijk met alle verschijnselen in de natuur. Er is altoos eenerzijds die vernielende, verwoestende werking, die ons uit den vloek toekomt, en anderzijds die stuiting van het kwade, die ons de krachten der natuur ten dienste stelt en ons tot heul doet strekken. Een tegenstelling die ge scherp in het oog moet vatten, om het Voorzienig bestuur onzes Gods te verstaan, want de Voorzienigheid Gods werkt thans niet meer op het standpunt der oorspronkelijke schepping maar wordt geheel beheerscht door dit tweezijdige van den vloek en van de gemeene gratie die dezen vloek tempert. Slechts houde men wel in het oog dat deze gemeene gratie niet persoonlijk verbijzonderd is, en zich dus niet richt naar iemands persoonlijke zonde, maar uitsluitend verband houdt met de gemeene zonde van.ons geslacht in den val. De gemeetie gratie staat ten deze regelrecht tegenover de particuliere genade. De particuliere genade is persoonlijk en regelt zich naar het persoonlijke, de gemeene gratie daarentegen gaat altoos naar den regel, dat God regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, zijn zon doet opgaan over boozen en goeden. Wie dit uit het oog verliest, staat gedurig voor de vraag der wanhoop, waarom de storm de schuit van een braven visscher op zee vergaan deed, terwijl het schip van een goddcloozen kaper in dienzelfden storm gespaard bleef.

Ons rest dus alleen nog een woord over het verdwijnen van het paradijs. Zoo men wil wordt ons dit in de Schrift niet als zoodanig bericht, maar alleen gezegd, dat de mensch uit het paradijs verdreven werd. Het één strijdt intusschen in het minst niet met het ander. Veeleer moest de mensch eerst uit het paradijs worden uitgeleid, alvorens het paradijs zou kunnen verdwijnen. Over dat verdwijnen zelf echter vorme men zich geen phantastische voorstelling, en denke het zich niet, gelijk de Roomschen doen, alsof het paradijs opgeno­ men en elders heengevoerd zou zijn. Wat toch was het paradijs anders, dan een breed stuk van deze zelfde aarde waarop wij wonen, maar diezelfde natuur, die wij thans slechts in haar verarming kennen, blonk in liooger heerlijkheid. Het geldt hier hetzelfde vraagstuk als bij de oorspronkelijke gerechtigheid van den mensch. Die oorspronkelijke gerechtigheid was, zoo belijden onze kerken, niet iets dat bij onze natuur bijkwam, maar een hoogere ontwikkeling van diezelfde natuur die thans in ons verdorven is. En zoo ook was het paradijs niet iets dat van buiten af aan de natuur van dit aardrijk was toegevoegd, maar een ontwikkeling van diezelfde natuur op hooger trap. Wie de natuur om ons heen in winter, lente, zomer en herfst met elkander vergelijkt, ziet als voor oogen, wat alles beheerschende verandering enkel door een kleine wijziging in de verhouding van een deel der aarde tot de zon tot stand komt. Bij het paradijs hebt ge daarom aan niets anders te denken, dan aan de oorspronkelijke heerlijkheid en gaafheid van de natuur om ons heen, lioorende en passende bij de oorspronkelijke gerechtigheid in het menschelijk hart. Het verdwijnen van het paradijs volgde dan vanzelf, evenals het zomerkleed der natuur voor ons in den herfst en in den winter ondergaat, doordat God zijn zegenende werking ten deele terugtrok. Al vondt ge dus in Kashmir, of waar ook, de plaats terug waar het paradijs gestaan heeft, het paradijs zelf zou er niet meer te vinden zijn, en op diezelfde plek zoudt ge thans een gewoon stuk wereld vinden, gedrukt door den vloek, en alleen door gemeene gratie opgehouden.

Dit neemt echter in het minst niet weg, dat deze verdwijning van het paradijs in verband kan hebben gestaan met den gcheelea omkeer van geweldige veranderingen die toentertijd in de aardkorst is tot stand gekomen, en waarvan de sporen nog op alle manier aanwijsbaar zijn. De vloek toch was een, alles omvattende en alles doordringende werking, die van God Almachtig en zijnen heiligen toorn uitging, en die de natuur van de aarde zelve en van de planten-en dierenwereld zoo geweldig aangreep, dat ze voortaan gansch andere verschijnselen vertoonden. Het is niet op dit of dat punt, het is niet in deze of die plant, het is niet in dit of dat dier, dat deze vloek en zijn stuiting door de gemeene gratie merkbaar werd. De werlring van den vloek was algemeen, heel de natuur aangrijpend; en letterlijk van niets kunt ge zeggen, dat het zooals het thans bestaat, zoo ook eenmaal in het paradijs geweest is. Wat wij thans zien, en om ons heen waarnemen, is de natuur, niet zooals ze oorspronkelijk was, maar zooals ze geworden is. En tot een klare, heldere wereldbeschouwing, levensopvatting en natuur voorstelling, kunt ge niet komen, tenzij ge op elk punt [u te binnen brengt, dat het oorspronkelijke onderging in wat thans het merktceken van den vloek draagt, en tegelijk de beteugeling van dien vloek ontwaart in het aanbiddelijk werk der gemeene gratie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken