Bekijk het origineel

Oordeel van Ds. Littooy.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Oordeel van Ds. Littooy.

6 minuten leestijd

Overmits het Bezwaarschrift tegen Dr, Kuyper ingediend, bedoelt, dat, naar de klagers wenschen, de Generale Synode der Gereformeerde kerken den kerkeraad van Bedum in |het gelijk en Dr. Kuyper in het ongelijk zal stellen, iets wat er nocdzakelijkerwijze toe leiden zou, om Dr, Kuyper van zijn rechten in de Gereformeerde kerken te ontzetten, en hem buiten het kerkverband dier kerken te sluiten, juist op dezelfde wijze als dit in 1887 door de Haagsche Synode ten opzichte van het Ned. Hervormd Genootschap is geschied, komt het ons van belang voor, onze lezers op de hoogte te houden van hetgeen over dit Bezwaarschrift in de kerkelijke pers geoordeeld wordt.

Ziehier al aanstonds het oordeel van Ds, Littooy in de Zuider Kerkbode.

Zooals wij vóór eenige weken schreven, hoogten wij, dat de bekende publieke corn spondentie tegenover Dr. Kuyper niet tot eene aanklacht in kerkelijken weg zou komen. Anderen dachten hier blijkbaar anders over; ten minste zij wilden, volgens hun schrijven, liever eene behandeling der zaken in geschil, in den kerkelijken weg. Wij voor ons meenen, dat eene gedachtenwisseling over punten in geschil in publieke bladen gansch niet het aanzien heeft en ook volstrekt niet zoo ernstig is, als eene aanklacht in kerkelijken weg.

Aangeklaagd te worden van onrechtzlnnigheid was en is in de Gereformeerde kerken altoos eene zaak van beteekenis. Daarover werd in den regel veel gesproken en geschreven.

Hun, die het gold, deed het pijnlijk aan; wanneer zij ten minste niet onverschillig waren in betrekking tot hunne zuiverheid in de leer. Geen wonder. — Want, wordt de aanklacht waar gemaakt, dan heeft de aangeklaagde in de Gereformeerde kerken zijn invloed voor een deel of geheel verloren. Naar de geschiedenis ons leert, is zijn invloed dan meestal weg.

Daaromtrent nu mogen wij niet onverschillig zijn; immers een goede naam is beter dan goede olie. Wij hebben invloed en vertrouwen noodig, om den Heere en zijne Gemeente te dienen.

Het is dédrom dure roeping, met al wat in ons is, onder opzien tot God, werkzaam te zijn, ten einde een goeden naam te verkrijgen en te" behouden

Op de taak, die wij hier te vervullen hebben, moet in alles steeds het oog gevestigd zijn.

Naarmate die taak zwaarder en heerlijker is, en wij dies door den Heere hooger geplaatst zijn en voor Hem meer kunnen en mogen doen, naar die mate is het bewaren van onzen goeden naam van gewicht.

Dat moeten wij zelven en ook zij, die met ons den Heere dienen en voor de belangen van Zijn koninkrijk leven, steeds in het oog houden en bedenken. De duivel en de wereld hebben verbazend veel gewonnen, wanneer zij de mannen, die de Heere bijzonder toegerust heeft en gebruiken wil, voor zich en voor hun rijk onschadelijk kunnen maken, door hen hunnen goeden naam te rooven. Het zou hun gewis meer gelukken, indien de Heere niet regeerde en in Zijne ondoorgrondelijke regeering daarvoor geen zorge droeg.

Ons-zelven onmogelijk te maken is den duivel in de hand en den Heere tegen te werken, en alzoo groote zonde.

Wij behooren ons-zelven niet toe, en hebben het zeggenschap over ons-zelven niet.

Wanneer medestanders, zij, die met ons in Jezus Christus gelooven en voor Jezus leven, ons in verdenking doen komen en onzen arbeid voor den Heere krachteloos maken, bezondigen zij zich. Zij schaden hen, die zij zonder genoegzame reden krachteloos maken in hunnen arbeid, zij schaden zich zelven, zij schaden de Gemeente en zij schaden de zaak en den naam des Heeren,

Tot voorzichtigheid in dezen moeten wij mitsdien ons-zelven en| zoo noodig ook anderen aanmanen.

Het is waar, en wij stemmen het daarom gul en gaaf toe, dat ook voor de zuiverheid der leer door ons allen, inzonderheid door de kerken, moet gewaakt worden. De kerken moeten het goede pand haar toebetrouwd bewaren, tot op den dag van Jezus Christus. Daaraan is Mies gelegen. Daarvoor moet dus in de eerste plaats gezorgd worden.

Ook kan de Heere onze God door Zijn genadig en aanbiddelijk bestuur hetgeen wij eerst denken tegen ons en, wat meer zegt, tegen het belang der Kerken en de eer Zijns Naams te zijn, boven onze verwachting doen uitloopen. Hij kan het ten beste keeren. Welnu, laten wij, die van het protest van Bedums kerkeraad hoorden en lazen, dit van den Heere smeeken.

Bidden wij hun, die in dit geschil geroepen worden uitspraak te doen, den geest der heilige voorzichtigheid en der ware wijsheid toe.

Er is veel misverstand in het spel, ook wordt nu en dan te veel en ten onrechte afgeleid uit hetgeen door Dr. Kuyper geleeraard is, en er zijn ook o. i. enkele stellingen, waarbij de denkkracht het kinderlijk geloof parten heeft gespeeld.

Zeer veel staat er in verband met het supralapsarische standpunt. Voor het logisch denken heeft dit standpunt schier alles voor; maar in de Heilige Schrift en de Gereformeerde leer zijn er, naar wij ons verzekerd houden, veel meer bewijzen voor het infra-lapsarische. Met de wetten van ons logisch denken loopen wij, toegepast op den Heere onzen God, wel eens spaak.

God is groot en wij begrijpen Hem niet, en wij moeten dies onze gedachten vaak gevangen geven onder de gehoorzaamheid des geloofs. Dat moeten ook de geleerden en de diepste denkers doen.

Doch zij, die uit de goudmijn der Heilige Schrift en der Gereformeerde leer niet putten, niet bij vernieuwing putten, ten einde de Kerken te verrijken, kunnen ook geen stof bij goud geven. En zij, die zich beijveren om veel te geven, kunnen er iets bij hebben, dat in den smeltkroes geworpen, bevonden wordt niet tot het goede goud te behooren.

Dat ten slotte aan te wijzen is altijd ge.nakkelijker dan den voorraad te bezorgen. Deze overweging moet tot bescheidenheid nopen. Aan die bescheidenheid haperde het wel eens wat in de publieke correspondentie, waarop het Bezwaarschrift wijst. Niet alleen werd goud soms voor stof aangezien, maar ook werd van ketterijen spoedig en gemakkelijk gewag gemaakt.

Dit gematigde en bezadigde oordcel is olie op de wateren.

Slechts betwiste niemand Bedums recht van spreken.

Gelijk men weet is onzerzijds steeds verklaard, dat wij geen de minste aanmerking

maaktea op het goed, deugdelijk en onweersproken recht der klagende broederen, om te doen gelijk zij gedaan hebben.

Zelfs trok het onze aandacht, dat zij, waar én aan de »eigen Inrichting" én aan de Vrije Universiteit, voorstanders zijn van wat in hun oog door de Gereformeerde kerken niet kan en mag geduld worden, de kerkeraad van Bedum begint met te waken voor de Vrije Universiteit, en de »eigen Inrichting" voorshands in den steek laat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Oordeel van Ds. Littooy.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken